Quick scan ‘Trends in ammoniakconcentraties en -emissies’ aangeboden aan Kamer

donderdag, 23 oktober 2014
Meetpunt van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden, Schiermonnikoog

Staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken heeft op dinsdag 21 oktober 2014 het rapport ‘Trends in ammoniakconcentraties en -emissies; een quick scan’ van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet naar de Tweede Kamer gestuurd. In het rapport geeft de commissie enkele mogelijke verklaringen voor het verschil tussen de berekende uitstoot van ammoniak en de gemeten concentraties in de lucht. De staatssecretaris stelt geen redenen te hebben om te twijfelen aan de wetenschappelijke kwaliteit van de gebruikte modellen. Het in het advies genoemde verspreidingsmodel OPS vormt ook de rekenkern van AERIUS.

Aanleiding voor het onderzoek was de constatering van het RIVM dat er een significant verschil bestaat in de trends tussen de gerapporteerde ammoniakemissies en berekende -concentraties aan de ene kant en de gemeten ammoniakconcentraties aan de andere. Deze zomer publiceerde het Planbureau voor de Leefomgeving, zoals ieder jaar, in het Compendium voor de Leefomgeving de gegevens van het RIVM over de gemeten ammoniakconcentraties in natuurgebieden en de relatie tot de berekende ammoniakuitstoot. De concentraties in de lucht laten mede als gevolg van weersinvloeden een wisselende uitkomst zien. Modelberekeningen en metingen weken de afgelopen jaren in lichte mate af. Dit jaar constateerde het RIVM voor het eerst dat het verschil significant is. De gemeten concentraties laten in tegenstelling tot de berekende uitstoot vanaf 2005 geen dalende trend meer zien. Daarop gaf het ministerie van EZ opdracht aan de CDM om samen met het RIVM en Emissieregistratie te analyseren hoe de verschillen tussen modelberekeningen en metingen zijn te verklaren.

De CDM noemt een aantal mogelijke oorzaken voor de verschillen in trends:

  • de ligging van de meetpunten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) en Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN), waardoor het aandeel van emissiebronnen in de concentraties anders is dan het aandeel in de emissies (de emissies bij mestaanwending hebben een kleiner effect op ammoniakconcentraties dan stalemissies)
  • het niet corrigeren van emissies voor weer in het National Emission Model for Agriculture (NEMA)
  • een mogelijke onderschatting van emissies van bepaalde bronnen in NEMA, zoals emissies uit varkens- en pluimveestallen en bij mesttoediening (emissiefactor van sleepvoet en mestaanwending aan granen in het voorjaar)
  • onzekerheden in de weerscorrectie en de ruimtelijke verdeling van emissies in het verspreidingsmodel OPS waarmee de luchtconcentraties worden berekend
  • onzekerheden in de modellering van enkele atmosferische processen in OPS, zoals chemische omzetting van ammoniak en de depositie van ammoniak.

Volgens de CDM is het onwaarschijnlijk dat het verschil in trends alleen het gevolg is van een overschatting van de effectiviteit van het ammoniakbeleid.

Nieuwe internationale review en vervolgonderzoek
Het CDM stelt vast dat zowel NEMA als OPS rekenmethodieken toepassen die wetenschappelijk geaccepteerd zijn en internationaal worden toegepast. Beide modellen worden regelmatig geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten en zijn state-of-the-art bij de huidige kennis en beschikbaarheid van data. Om elke twijfel weg te nemen, heeft staatssecretaris Dijksma besloten de gehele keten van data inzameling, emissieberekeningen, gebruikte modellen, meetnetten tot en met de depositieberekeningen nogmaals aan een internationale review te onderwerpen, voortbouwend op een eerdere internationale wetenschappelijke review uit 2013.

Daarnaast neemt de staatssecretaris de adviezen van de CDM over om nader te onderzoeken hoe het uiteenlopen van de trend van de berekeningen van de emissies en de metingen van ammoniakconcentraties kan worden geduid. Het gaat om het analyseren van resultaten van metingen en berekeningen, het berekenen van emissie op nationale en regionale schaal en onzekerheidsanalyses. Nadat deze aanbevelingen zijn uitgevoerd, moet na worden gegaan of er nog steeds sprake is van een verschil in trend tussen gemeten en berekende concentraties, rekening houdend met alle onzekerheden. De aanbevelingen en inzichten zullen worden opgenomen in de verschillende modellen, waaronder AERIUS.

 

Meer informatie: