De PAS door de ogen van bedrijven

zaterdag, 28 februari 2015

De PAS lééft bij haar toekomstige gebruikers, zo bleek wel uit de grote aantallen ondernemers die de informatieavonden bezochten. Zij zitten te wachten op de mogelijkheid om weer te investeren en de vereenvoudiging van de vergunningverlening gaat hen daarbij helpen. Tegelijk zijn er ook de nodige vragen en zorgen. ‘Ik heb geen Nb-wet vergunning, wat gebeurt er dan onder de PAS?’ ‘Hoe is de ontwikkelingsruimte voor de landbouw geborgd?’ ‘Hoe zit het met provinciale beleidsregels?’ We geven een overzicht van veelgestelde vragen én de antwoorden.

Wat is de referentiesituatie waar de PAS vanuit gaat voor uitbreidingen van bestaande activiteiten?
Uitgangspunt bij vergunningverlening is de activiteit die reeds vergund is in een Nb-wetvergunning.

Ik heb in de afgelopen jaren mijn bedrijf uitgebreid, maar heb geen Nb-wetvergunning. Hoe wordt hier mee omgegaan?
Als uw bedrijf in de afgelopen jaren is uitgebreid binnen uw Wm-vergunning, maar u voor die uitbreiding geen Nb-wetvergunning heeft, dan behoort u tot de zogenaamde interimmers. Als u onder de PAS een Nb-wetvergunning aanvraagt voor uw bestaande situatie, wordt voor deze vergunning als uitgangspunt uw feitelijk gebruik op 1 januari 2015 gehanteerd. Voor de vergunningverlening is geen ontwikkelingsruimte nodig.

Het feitelijk gebruik op 1 januari 2015 mag u bepalen als het maximale gebruik dat in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 heeft plaatsgevonden binnen de kaders van een aan u verleende omgevingsvergunning of een vergunning of melding krachtens de Wet Milieubeheer. Voor veehouderij kan dit worden aangetoond middels gegevens uit een landbouwtelling (LBT), gegevens uit de mestboekhouding of financiële gegevens waaruit blijkt hoeveel dieren zijn aangevoerd en afgevoerd. Voor industrie kan een initiatiefnemer bijvoorbeeld gebruik maken van (milieu)jaarverslagen. Voor meer informatie, zie de Ontwerp Regeling PAS en de toelichting bij deze regeling.

De provincies zijn bezig om nader te bepalen hoe zij willen omgaan met het legaliseren van de situatie van interimmers. Voor meer informatie kunt u terecht bij uw provincie.

Hoe wordt geborgd dat er voldoende ontwikkelingsruimte is voor de landbouw? Hoe wordt de politieke toezegging hierover ingevuld?
In de Overeenkomst generieke maatregelen landbouw zijn afspraken vastgelegd om een extra netto daling van de stikstofuitstoot in 2030 van 10 kton ammoniak te realiseren ten opzichte van 2013 (referentiedatum 1 januari 2014). Afgesproken is dat landelijk gemiddeld 56% van het effect van de maatregelen weer ten goede komt aan de landbouw in de vorm van ontwikkelingsruimte.

Elk jaar wordt het verloop van de emissiereductie en de beschikbaar gestelde hoeveelheid depositie- en ontwikkelingsruimte voor de landbouw gemonitord. Eens per drie jaar evalueren de betrokken partijen de resultaten en besluiten of de gemaakte afspraken blijven staan of dat aanpassing gewenst is.

Krijgt iedere provincie ook nog eigen beleidsregels?
De provincies hebben afgesproken provinciale regels vast te gaan stellen voor de toedeling van ontwikkelingsruimte, in aanvulling op de landelijke regels. Bijvoorbeeld over de termijn waarbinnen een project moet starten na vergunningverlening of hoeveel een bedrijf maximaal mag groeien. Zodra deze regels vastgesteld zijn, zullen de provincies dit bekendmaken.

Hoe wordt omgegaan met Nederlandse depositie op buitenlandse Natura 2000-gebieden en andersom?
Nederland toetst de effecten in het buitenland op de wijze zoals die in het betreffende land geregeld is. Omgekeerd doen de ons omringende landen dat ook voor wat betreft de depositie door hun activiteiten op Nederlandse Natura 2000-gebieden.

Wat moet ik me voorstellen bij de getallen voor stikstofdepositie?
We illustreren dit aan de hand van twee voorbeelden (zie ook figuur). Het eerste voorbeeld is een melkveebedrijf met 220 stuks melkkoeien, 4 stuks vleeskalveren en 180 stuks jongvee. In dit voorbeeld is de stikstofdepositie op 1 km van het bedrijf 26 mol/ha/jr. Op 8 km is de stikstofbijdrage 1 mol/ha/jr.

Het tweede voorbeeld betreft een middelgroot industrieel complex. In dit geval is de stikstofdepositie op 1 km van het complex 7 mol/ha/jr. Op 3 km is de stikstofdepositie 1 mol/ha/jr.

Let op: De genoemde getallenvoorbeelden zijn gebaseerd op een werkelijke berekening met AERIUS Calculator bèta 10. Echter, de resultaten horen bij een specifiek gekozen emissie gebaseerd op een praktijksituatie. In veel gevallen zullen de projectsituaties afwijken van de hier gekozen praktijksituatie. De getoonde getallen zijn daarom slechts ter illustratie.

Wat gebeurt er als blijkt dat de depositie onvoldoende daalt en/of de natuur er toch op achteruit gaat?
Als uit de resultaten van de monitoringprogramma's blijkt dat de depositiedaling achterblijft bij de verwachting of als de natuur onvoldoende aan kwaliteit wint, kan bijsturing aan de orde zijn. Als de natuur toch achteruit gaat, wordt eerst onderzocht wat hiervan de oorzaak is. Als de oorzaak met de hoogte van de stikstofdepositie of de effectiviteit van herstelmaatregelen te maken heeft, is bijsturing aan de orde.

Bijsturing kan bijvoorbeeld door het wijzigen, vervangen of toevoegen van herstel- en bronmaatregelen. Ook kan de beschikbaarheid van ontwikkelingsruimte voor activiteiten die stikstofdepositie op het betrokken Natura 2000-gebied veroorzaken (tijdelijk) worden beperkt.

Wat is de relatie tussen de PAS en bestemmingsplannen?
De toets op het bestemmingsplan blijft verplicht, maar hiervoor wordt vanuit de PAS geen ontwikkelingsruimte gereserveerd. Naar verwachting zal rond de zomer meer duidelijkheid worden gegeven hoe kan worden omgegaan met stikstofdepositie in relatie tot bestemmingsplannen .