Ruimtelijke verdeling groei-emissies: de ‘waterbedmethode’

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Monitor houdt bij het berekenen van de toekomstige depositie voor iedere sector rekening met een bepaalde, hoge economische groei (PBL scenario). Deze groei is niet gelijkmatig over heel Nederland verspreid, maar zoveel mogelijk gemodelleerd op de plaatsen waar ook veel economische ontwikkelingen voorzien worden voor de betreffende sector. Op andere plaatsen is dan minder groei doorgerekend, omdat daar ook minder ontwikkelingen voorzien worden.
De methode waarmee binnen Monitor de generieke en vaststaande landelijke emissiegroei (PBL emissiegroei) van een sector ruimtelijk verdeeld zijn over Nederland, zodanig dat de groei daar terecht komt waar deze groei wordt verwacht, is de waterbedmethode. 
Wanneer de totale emissies van projecten in een 'waterbedcluster' hoger zijn dan de, volgens het PBL scenario, voorziene groeiemissies in dit cluster, worden de berekende projectbijdragen afgetopt.
Het waterbed is niet van toepassing op sectoren die in hun geheel worden doorgerekend met verfijnde emissies.

Hoe werkt de waterbedmethode?
Uitgangspunt van de waterbedmethode is de landelijke 'PBL emissiegroei' (per GCN sector en stof) die in 2020 en 2030 is voorzien als gevolg van economische ontwikkelingen. Deze landelijke PBL emissiegroei volgt uit de vergelijking van de emissies in het scenario met hoge economische groei (ABR) met de emissies in het (fictieve) scenario met 0% groei vanaf het begin van de PAS (PasOnderRaming, POR). Het verschil levert de emissies op (per sector en stof) als gevolg van de voorziene economische groei.

De PBL emissiegroei is berekend per GCN-sector en stof (NOX en NH3). Op basis hiervan is voor een aantal zogenoemde ‘waterbedclusters’ de PBL emissiegroei per stof bepaald. In een waterbedcluster zijn verschillende GCN sectoren geclusterd (zie overzicht waterbedclusters in tabel onderaan deze factsheet). De totale emissiegroei per waterbedcluster is vervolgens verminderd met de emissies van een totaallijst van voorziene projecten in segment 1 en 2 die binnen hetzelfde waterbedcluster vallen. Dit levert de resterende PBL emissiegroei op voor het betreffende waterbedcluster: de overgebleven voorziene landelijke emissiegroei die nog niet ingevuld is door voorziene projecten.

De resterende PBL emissiegroei per waterbedcluster en stof is vervolgens gedeeld door de totale PBL emissiegroei. Dit levert per waterbedcluster en stof een correctiefactor op. Deze correctiefactor is vervolgens toegepast op de totale PBL groeibijdrage in depositie, die zonder toepassing van het waterbed zou worden berekend. Op die manier is de PBL groei ingeperkt (deze wordt immers vervangen door een lokaal berekende groeibehoefte op basis van projectgegevens).
Bijvoorbeeld, als de PBL emissiegroei voor NOX binnen een waterbedcluster ‘100’ is en de projecten hebben een emissies van ‘60’, dan is de resterende groei in emissies na aftrek van de projectemissies dus 40. De correctiefactor voor de PBL groei wordt dan 40/100=0,4. Dat betekent dat voor iedere GCN-sector in het waterbedcluster de berekende PBL groei voor NOX (uitgedrukt in depositie), vermenigvuldigd is met 0,4.

De aldus bepaalde resterende PBL groei (in depositie) is op sectorniveau weer vermeerderd met de berekende projectbijdragen van de betreffende sector. Deze som vormt de totale groeibehoefte in depositie zoals die wordt opgenomen in de depositieruimte en totale depositie: het ‘waterbed’. Het waterbed is bepaald voor 2020 en 2030.

Wat houdt het aftoppen in?
De totale emissies van alle projecten binnen een waterbedcluster kunnen hoger zijn dan de voorziene totale PBL emissiegroei voor de betreffende sector en stof. Er is dan geen sprake meer van een resterende PBL emissiegroei maar van een tekort in dit cluster: alle voorziene groei is dan al (meer dan) ingevuld door de voorziene projecten. Wanneer de behoefte van de voorziene projecten groter is dan de voorziene groei, worden bij de niet-verfijnde sectoren de berekende projectbijdragen niet volledig in de depositieruimte en totale depositie opgenomen, maar worden deze ‘afgetopt’. Dit wordt gedaan om te voorkomen dat AERIUS meer groei modelleert dan de totale emissiegroei. De aftopping wordt berekend per stof en jaar en waterbedcluster. Dit betekent dat alle projecten in hetzelfde waterbedcluster dezelfde mate van aftopping krijgen.

Bijvoorbeeld, als de PBL emissiegroei voor een waterbedcluster ‘70’ is en de totale emissies van de projecten voor dat waterbedcluster zijn ‘100’, dan past maar 70% van de projectemissies binnen de totale PBL-groei. In dat geval wordt van iedere berekende projectbijdrage in dat waterbedcluster maar 70% opgenomen als groeibehoefte in de depositieruimte en totale depositie. De aftopfactor is dan 0,7. De correctiefactor voor de PBL groei is in deze gevallen altijd nul (geen resterende PBL groei meer).

Het resultaat van het aftoppen is dat voor de ruimtelijke verdeling van de depositieruimte optimaal rekening wordt gehouden met de locatie en omvang van alle nu al voorziene projecten (S1 en S2), terwijl tegelijkertijd geborgd is dat in de totale depositie en depositieruimte niet meer emissiegroei wordt opgenomen dan het PBL landelijk voorziet voor een sector.

Opgemerkt wordt dat aftoppen per definitie alleen een rol speelt bij het bepalen van de groeibehoefte zoals die is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. Bij het bepalen van de ontwikkelingsbehoefte voor segment 1 projecten en de daarbij benodigde reservering in segment 1 wordt altijd gekeken naar de totale, niet afgetopte voorziene behoefte.

Voor welke sectoren en projecten is de waterbedmethode toegepast?
De waterbedmethode is in principe toegepast bij alle sectoren waar binnen AERIUS sprake is van zowel een PBL groei als van (prioritaire) projectgegevens van provincies, Defensie en IenM. Uitzonderingen en bijzonderheden zijn: 

  • Rijnmondgebied voor ENINA (incl mobiele werktuigen) en binnenvaart (NOX). De emissies voor deze sectoren zijn binnen het Rijnmondgebied volledig verfijnd. Dat betekent dat voor deze sectoren het waterbed überhaupt alleen maar geldt voor de PBL groei voor de ‘rest van Nederland’ buiten het Rijnmondgebied.
  • Mobiele werktuigen (buiten Rijnmond). De emissies van deze sector (buiten Rijnmond) in 2014 zijn al verfijnd om rekening te houden met de HWS projecten van IenM en ENCI. Dat betekent dat bij het waterbed de HWS projecten van IenM en ENCI geen rol meer spelen bij de beperking van de voorziene PBL emissiegroei. De (resterende) PBL groei is binnen het waterbed nog wel beperkt op basis van provinciale projecten en HVWN projecten van IenM met mobiele werktuigen.
  • Wegverkeer OWN. Er is sprake van een niet verfijnde PBL emissiegroei voor het OWN. Echter, de projectemissies voor OWN zijn doorgerekend en meegenomen in de depositieruimte en totale depositie zonder de PBL groei voor het OWN hierop aan te passen.
  • Luchtvaart. Voor luchtvaart zijn projecten van Defensie aangeleverd en is ook sprake van een niet verfijnde PBL groei, die echter hoort bij andere (burger)luchthavens. De defensieprojecten voor luchtvaart zijn daarom doorgerekend en opgenomen in de depositieruimte en totale depositie zonder dat de PBL groei voor (andere) luchthavens hierop is aangepast. Zie ook factsheet Verfijning luchthavens.

Daarnaast geldt dat het waterbed überhaupt niet van toepassing is op sectoren die in hun geheel worden gerekend met verfijnde emissies:

  • Stallen. De groei voor stallen is ruimtelijk al verdeeld op basis van de gegevens uit de Landbouwtelling 2015 (LBT2015). De aangeleverde provinciale projecten binnen deze sector zijn niet van invloed op deze verdeling van de depositieruimte (maar krijgen uiteraard wel een reservering in segment 1).
  • Hoofdwegennet. Deze sector is volledig verfijnd. Voor deze sector is de PBL emissegroei niet aan de orde en is ook geen sprake van apart aangeleverde projecten.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de waterbedclusters in Monitor (clusters van GCN sectoren waarbinnen projecten zijn voorzien). Per waterbedcluster zijn ook de voorziene (S1 en S2) projecten aangegeven die binnen het waterbedcluster vallen.

Waterbedcluster Projecten (S1 en S2) binnen cluster
ENINA - buiten Rijnmondgebied Projecten provincies; projecten IenM (HVWN)
Mobiele werktuigen (muv landbouw) - buiten Rijnmondgebied en gecorrigeerd voor HWS projecten Projecten Ministerie van IenM (alleen HVWN) en provincies
Rail Projecten provincies
Glastuinbouw Projecten provincies
Zeescheepvaart, zeeroute Projecten Ministerie van IenM (HWS en HVWN)
Zeescheepvaart, stilliggen Projecten Ministerie van IenM (HWS en HVWN)
Zeescheepvaart, binnengaatse route Projecten Ministerie van IenM (HVWN)
Binnenvaart - buiten Rijnmondgebied Projecten Ministerie van IenM (HVWN), provincies
Consumenten Projecten Ministerie van Defensie en provincies
Handel, Dienst en Overheid Projecten Ministerie van Defensie

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
412-3248
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie