AERIUS Monitor 2016

Releasedatum: 07-11-2016

Index

AERIUS Monitor in het kort

AERIUS Monitor geeft op hectareniveau inzicht in:

  • depositietrend: verwachte depositieontwikkeling in de tijd, voor meerdere beleidsscenario’s
  • extra daling door PAS: effect van het PAS-beleid op de emissies en depositie
  • depositieruimte en ontwikkelingsruimte: deel van totale depositie, dat beschikbaar is voor nieuwe ontwikkelingen
  • confrontatie depositieruimte en ontwikkelingsbehoefte: verwachte overschotten of tekorten aan ontwikkelingsruimte.

Ontwikkeling stikstofdepositie in Natura2000 gebieden
AERIUS Monitor geeft op hectareniveau inzicht in de stikstofdepositie in Natura2000 gebieden voor de referentiesituatie (2014), 2015 en de toekomstjaren 2020 en 2030. Voor de toekomstjaren zijn de totale deposities weergegeven voor twee beleidsscenario’s:

  • basisscenario (autonome ontwikkeling: vaststaand en voorgenomen beleid, zonder PAS)
  • basisscenario + PAS beleid van rijk en provincies.

Voor het scenario met PAS beleid geeft Monitor inzicht in de opbouw van de totale stikstofdepositie, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de bijdragen van Nederlandse sectoren, de bijdrage van buitenlandse bronnen en overige bijdragen. Het scenario met aanvullend PAS beleid vormt tevens de basis voor het PAS en de gebiedsanalyses.

Depositieruimte en ontwikkelingsruimte: ruimte voor nieuwe ontwikkelingen
Bij de berekening van de depositiebijdrage van sectoren in toekomstjaren houdt Monitor rekening met een (sectorafhankelijke) economische groei. Zonder deze economische groei, zou de toekomstige depositiebijdrage lager zijn. Het deel van de toekomstige depositiebijdrage dat het gevolg is van de voorziene economische groei binnen alle sectoren, is de totale groeibehoefte. Deze ‘groeibehoefte’ van alle sectoren wordt binnen het PAS beschikbaar gesteld als depositieruimte voor alle nieuwe ontwikkelingen die vanaf het begin van het PAS plaats zullen gaan vinden.

Depositieruimte wordt toegekend op alle relevante hexagonen waar (mogelijk) sprake is van een overbelaste situatie voor stikstofdepositie. De depositieruimte is aangevuld met de helft van het effect van het aanvullende (generieke) PAS rijksbeleid en de helft van het effect van het aanvullende PAS beleid van de provincie Limburg.

Omdat de depositieruimte in zijn geheel onderdeel is van de totale depositie en de totale depositie beschouwd is bij de ecologische beoordelingen (via de gebiedsanalyses), is hiermee ook het uitgeven van alle berekende depositieruimte ecologisch beoordeeld.

Een deel van de berekende depositieruimte wordt gereserveerd voor autonome ontwikkelingen waarop niet gestuurd kan worden (ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit nodig is) en voor ontwikkelingen die met het PAS alleen een meldingsplicht hebben omdat ze onder de zogenoemde grenswaarde vallen. Wat overblijft wordt de ontwikkelingsruimte genoemd. Dit is het deel van de depositieruimte dat beschikbaar wordt gesteld als ontwikkelingsruimte die vervolgens via vergunningverlening uitgegeven kan worden. Een deel van deze beschikbare ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd voor zogenoemde ‘prioritaire projecten’. Dit wordt ook wel 'segment 1' genoemd. Het resterende, vrij uitgeefbare deel van de ontwikkelingsruimte wordt ‘segment 2’ genoemd.

Monitor berekent de omvang van de totale depositieruimte en de omvang van de benodigde reserveringen voor autonome ontwikkelingen, ontwikkelingen die onder de grenswaarde vallen en prioritaire projecten in segment 1. Daaruit volgt de omvang van de resterende, vrij beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2.

Ontwikkelingsbehoefte en depositieruimte: mogelijke tekorten
Bij de berekening van de totale depositie is voor iedere sector al rekening gehouden met een bepaalde economische groei. Deze groeibehoefte is automatisch opgenomen in de depositieruimte. Voor sommige sectoren of gebieden is deze groeibehoefte berekend op basis van heel specifieke groeiverwachtingen. Dit worden binnen Monitor de ‘verfijnde sectoren’ genoemd.

Voor de niet verfijnde sectoren is de groeibehoefte die is opgenomen in de totale depositie en depositieruimte gemaximaliseerd op de landelijke emissiegroei die voorzien is in het scenario met hoge economische groei (bovenraming van de Nationale Energieverkenning 2015 van het PBL, ECN en CBS) ten opzichte van een scenario zonder economische groei. Deze landelijke emissiegroei is ruimtelijk zoveel mogelijk toebedeeld aan regio’s waar voor de betreffende sectoren ook veel groei voorzien wordt. De groeibehoefte van de verfijnde sectoren kan afwijken van de voorzien landelijke emissiegroei voor de betreffende sectoren.

Bij het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte wordt bij alle sectoren uitgegaan van een specifieke groeibehoefte, op basis van aangeleverde Prioritaire Projecten. Met name bij de niet verfijnde sectoren kan deze specifieke ontwikkelingsbehoefte lokaal hoger zijn dan de groeibehoefte die is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. In beginsel kunnen dergelijke lokale pieken in ontwikkelingsbehoefte opgevangen worden met de extra depositieruimte door beleid (PAS maatregelen rijk en provincies). Het kan echter voorkomen dat de extra depositieruimte door beleid niet voldoende is om een lokale piek in ontwikkelingsbehoefte op te vangen en dan ontstaat er een (voorzien) tekort aan ontwikkelingsruimte.

Monitor laat per sectorniveau zien wat de totale ontwikkelingsbehoefte is. Tevens is in Monitor terug te vinden of en in hoeverre er lokaal een tekort aan ontwikkelingsruimte wordt voorzien.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
383-3201
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Beleidsscenario's en effect PAS-beleid

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Met Monitor is de totale depositiebijdrage in Natura 2000-gebieden voor de volgende situaties berekend:

  1. Referentiesituatie (2014)
  2. Meest recente achterliggende kalenderjaar (2015)
  3. Toekomstige situatie (2020 en 2030), voor drie beleidsscenario’s:
    - basisscenario (autonome ontwikkeling: vaststaand en voorgenomen beleid, zonder aanvullend PAS beleid)
    - basisscenario + aanvullend PAS beleid rijk
    - basisscenario + aanvullend PAS beleid rijk en provincies.

De totale depositie volgens het scenario met aanvullend PAS beleid van zowel rijk als provincies is het uitgangspunt voor de gebiedsanalyses van het PAS. De deposities in de andere twee toekomstscenario’s zijn alleen berekend om het effect van de landelijke PAS-maatregelen voor de depositiebijdrage van veehouderijen te bepalen. Dit is nodig voor de berekening van de extra depositieruimte (de extra ruimte voor economische ontwikkelingen die vrijkomt ten gevolge van de maatregelen) en voor de vergelijking van de beschikbare ontwikkelingsruimte voor de landbouw met het effect van de generieke maatregelen voor de veehouderij.

Wat is het verschil tussen de beleidsscenario’s?

Basisscenario (autonome ontwikkeling)
De autonome ontwikkeling beschrijft de verwachte depositieontwikkeling voor de situatie zonder PAS. Er wordt rekening gehouden met vaststaand en voorgenomen beleid dat RIVM ook hanteert bij opstellen van de GCN/GDN kaarten, maar dan zonder PAS-maatregelen. Voor de economische groei wordt uitgegaan van dezelfde economische groei als in de scenario’s met PAS, met uitzondering van stallen. Voor stallen is als autonome ontwikkeling uitgegaan van een lagere groei. Uitgangspunt van het PAS is namelijk dat de economische groei bij stallen in een situatie zonder PAS zal stagneren, als gevolg van de huidige Nb-wetgeving.

Basisscenario met aanvullend PAS beleid rijk
Het scenario met alleen aanvullend PAS beleid van het rijk is alleen berekend omdat dit nodig is om de depositieruimte te kunnen berekenen. De resultaten van dit scenario worden niet getoond in Monitor. Dit beleidsscenario beschrijft de verwachte depositieontwikkeling voor een situatie met PAS, maar dan nog zonder provinciaal PAS beleid. De depositieontwikkeling in dit scenario wijkt op twee punten af van de autonome ontwikkeling:

  • In de autonome ontwikkeling is sprake van stagnatie in de economische groei bij stallen. Het PAS voorkomt deze stagnatie en zorgt voor hogere groei en daarmee ook hogere stalemissies.
  • Het effect van generiek aanvullend PAS rijksbeleid is meegenomen (generieke PAS-maatregelen veehouderijen). Dit leidt tot een afname van de stal- en mestemissies ten opzichte van de autonome ontwikkeling.

Zolang de afname van stal- en mestbijdragen door het generieke beleid enerzijds groter is dan de toename van de stalbijdrage door het oplossen van de stagnatie anderzijds, is sprake van een netto daling ten opzichte van de autonome ontwikkeling zonder PAS. De helft van deze netto depositiedaling wordt met het PAS beschikbaar gesteld als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. In Monitor wordt de extra depositieruimte berekend en meegenomen bij de totale depositie als bijdrage onder ‘overige depositie’. Dit betekent dat bij de totale depositie altijd al rekening is gehouden met het volledig invullen van de extra depositieruimte.

Basisscenario met aanvullend PAS beleid rijk en provincie
Dit beleidsscenario vormt het uitgangspunt voor de gebiedsanalyses van het PAS. In dit scenario is, naast het generiek aanvullend PAS rijksbeleid, ook uitgegaan van provinciaal landbouwbeleid van de provincies Limburg en Noord-Brabant. Hierdoor dalen de stalemissies in Noord-Brabant en Limburg sneller dan in het scenario met alleen rijksbeleid. Dit scenario leidt ook tot meer depositieruimte, omdat de helft van het berekende effect van het beleid in Limburg eveneens beschikbaar wordt gesteld als extra depositieruimte. Ook deze extra depositieruimte door het beleid van Limburg wordt opgenomen als depositiebijdrage onder ‘overige depositie’ bij de achtergronddepositie. Bij de uiteindelijke depositie die voor dit scenario wordt gepresenteerd, wordt dus wederom rekening gehouden met het volledig invullen van alle (extra) depositieruimte.

Wat houdt het PAS-beleid in?
Bij het PAS beleid wordt onderscheid gemaakt in generieke maatregelen voor veehouderijen en aanvullend provinciaal beleid.

De generieke maatregelen veehouderij (landelijke of generieke rijksbeleid van het PAS) omvat de volgende sporen:

  • aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen
  • voer- en managementmaatregelen bij stallen
  • mestbeleid.

De helft van het berekende depositie-effect van deze maatregelen komt beschikbaar als depositieruimte. Het effect van de aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen en de voer- en managementmaatregelen bij stallen is in Monitor integraal verwerkt in de berekende emissies voor stallen. Bij mest is het effect van het PAS-beleid eenmalig berekend en deze reductie is in beide PAS-scenario’s en beide toekomstjaren toegepast op de sectorbijdrage in de autonome ontwikkeling (Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte mest).

Het aanvullend provinciaal PAS beleid omvat de extra aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen in Limburg en Noord-Brabant. Bij Noord-Brabant komt deze daling ten goede aan de natuur. De extra depositiedaling bij stallen die het aanvullende beleid in Limburg veroorzaakt, komt voor de helft ten goede aan de natuur. De andere helft komt beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
388-3203
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen depositie bijtelling

Versie: 
07-11-2016

Er zijn verschillen tussen enerzijds de gemeten concentraties en deposities en anderzijds de concentraties en deposities die worden berekend met het rekenmodel OPS van het RIVM. Op basis van deze verschillen is een correctie op de depositie bepaald: de zogenoemde ‘bijtelling’.

Voor de NOX depositiebijdrage gaat Monitor uit van depositiewaarden voor de bijtelling die zijn aangeleverd door het RIVM en ook zijn gebruikt voor de GCN/GDN kaarten.

Voor de NH3 depositiebijdrage is de bijtelling bepaald door de rekenresultaten van Monitor (zonder bijtelling) te vergelijken met RIVM metingen.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
408-3242
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositie en groeibehoefte niet-verfijnde sectoren

Versie: 
07-11-2016

In het kort
De niet-verfijnde sectoren zijn (delen van) sectoren waarvoor de depositiebijdrage en groeibehoefte is bepaald op basis van de emissiebestanden (NOX en NH3) en ruimtelijke verdeling van de emissies uit het project Emissieregistratie van het RIVM, en de toekomstscenario’s van het PBL die het RIVM ook hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

De groeibehoefte is ruimtelijk verdeeld over Nederland op basis van de zogenoemde ‘waterbedmethode’. Dit betekent dat de meeste groei gemodelleerd is daar waar ook de meeste economische ontwikkeling voor die sector wordt voorzien.

Hoe is de depositie bij niet verfijnde (delen van) sectoren bepaald?
Om de niet verfijnde depositiebijdrage per sector in de referentiesituatie (2014), 2015, 2020 en 2030 te berekenen is de volgende werkwijze aangehouden:

1. Monitor berekent per sector en stof de depositiebijdrage in 2013 op basis van de emissiegegevens (NOX en NH3) uit het project Emissieregistratie die RIVM heeft aangeleverd en ook worden gebruikt voor de GCN/GDN kaarten.

2. De depositiebijdragen per sector en stof in 2013 zijn vervolgens geschaald om te komen tot:

  • depositiebijdragen in 2014
  • depositiebijdragen in 2015
  • depositiebijdragen in 2020 en 2030 voor situatie zonder economische groei
  • groeibehoefte in 2020 en 2030.

Om ervoor te zorgen dat de groei zo veel mogelijk wordt toebedeeld aan gebieden waar daadwerkelijk groei wordt verwacht, is de zogenoemde waterbedmethode toegepast.

Om te komen tot de totale depositiebijdrage in 2020 en 2030 is de groeibehoefte, op basis van het waterbed, opgeteld bij de depositiebijdrage in het scenario zonder groei.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
390-3243
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage buitenland

Versie: 
07-11-2016

De depositiebijdrage vanuit het buitenland is door AERIUS berekend als een ‘niet verfijnde sector’, op basis van emissiegegevens NOX en NH3 voor 2013 waarvan ook is uitgegaan bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten (ronde 2016). 

Het basisbestand met de gegevens van de buitenlandse emissiebronnen gaat uit van een ruimtelijke verdeling op basis van gridcellen die een overlap kennen met het Nederlands grondgebied (zie voorbeeld in figuur 1). Om te voorkomen dat buitenlandse emissies modelmatig worden toebedeeld aan locaties op Nederlands grondgebied, zijn in Monitor de overlappende emissies eerst ‘uitgeplaatst’ en daarmee teruggelegd in Duitsland en België (zie voorbeeld in figuur 2).
Bij het uitplaatsen van de emissies in een gridcel op Nederlands grondgebied (figuur 1) zijn alle buitenlandse gridcellen (figuur 2) binnen 20 kilometer van de Nederlandse gridcel geselecteerd. Vervolgens zijn de emissies van de Nederlandse gridcel verdeeld over deze buitenlandse gridcellen, naar rato van oppervlak. 

De totale emissies wijzigen hierdoor niet: Monitor 2016 gaat uit van dezelfde totale emissies door buitenlandse bronnen als de totale emissies die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten 2016.

Op basis van de ruimtelijk herverdeelde emissies voor 2013 berekent Monitor de depositiebijdragen in 2013 met het rekenmodel OPS van het RIVM. 
De berekende depositiebijdragen zijn vervolgens geschaald naar depositiebijdragen voor 2014, 2015 en de toekomstjaren (2020 en 2030). Daarbij is uitgegaan van schaalfactoren voor de bijdrage van buitenlandse bronnen die zijn afgeleid van de buitenlandbijdragen zoals opgenomen in de GDN kaarten voor de beschouwde jaren.

Figuur 1 - Locatie emissies buitenland 'niet-uitgeplaatst' (GCN/GDN 2016)

Figuur 2 - Locatie emissies buitenland 'uitgeplaatst' (Monitor 2015)

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
406-3244
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte consumenten

Versie: 
07-11-2016

Bij het bepalen van de depositiebijdrage NH3 door de sector Consumenten is een aantal verfijningen doorgevoerd ten aanzien van zowel de totale emissies als de ruimtelijke verdeling. De groeibehoefte voor de sector Consumenten is bepaald in lijn met de methode voor niet-verfijnde sectoren.

Verfijning depositiebijdrage mestafzet Consumenten
In het project Emissieregistratie (ER) is een deel van de emissies NH3 door mestafzet toegerekend aan de sector Consumenten:

  • mestafzet op natuurterreinen, bijvoorbeeld door vee dat wordt ingezet om de natuurwaarde van een gebied te behouden of te vergroten
  • mestafzet bij particulieren, en
  • mestafzet als gevolg van paarden en pony's van particulieren.

Een nadere toelichting op de mestafzet die is toegerekend aan Consumenten is beschreven in paragraaf 2.9 van het Wur rapport Emissies naar lucht uit de landbouw, 1990-2013

Ten aanzien van deze mestafzet zijn in Monitor verfijningen doorgevoerd in de totale emissies NH3 en de ruimtelijke verdeling van deze emissies.

Verfijning totale depositiebijdrage NH3
Voor de emissies NH3 van deze mestafzet is in Monitor aangenomen dat er geen emissiegroei plaatsvindt tussen 2014 en 2020/2030. Hiermee wordt aangesloten op de uitgangspunten in de Nationale EnergieVerkenning 2015 (achtergrondrapport). Op dit punt wordt daarmee afgeweken van de schalingsfactoren voor de totale emissiegroei NH3 voor de sector Consumenten die RIVM toepast bij het opstellen van de GCN/GDN.

Verfijning ruimtelijke verdeling
De totale emissies NH3 door mestafzet op natuurterreinen zijn ruimtelijk toebedeeld aan natuurgraslanden. Dit is een verfijning ten opzichte van de ER waarin deze emissies zijn verdeeld over alle natuurterreinen.
De emissies NH3 als gevolg van mestafzet bij particulieren zijn ruimtelijk toebedeeld op basis van de bevolkingsdichtheid, waarbij stedelijke centra buiten beschouwing zijn gelaten. Deze ruimtelijke verdeling komt overeen met de ruimtelijke verdeling van mestafzet van paarden en pony's van particulieren. Dit is een verfijning ten opzichte van de ER waarin de emissies zijn verdeeld over natuurterreinen.

Overige verfijningen Consumenten
Voor de volgende emissiecategorieën binnen de sector Consumenten zijn aanpassingen doorgevoerd in de NH3 emissies voor het jaar 2013 die zijn aangeleverd door het project Emissieregistratie (factsheet Emissiegegevens Emissieregistratie):

  • transpiratie en ademen
  • mest van huisdieren
  • schoonmaakmiddelen
  • roken van sigaren en sigaretten.

De correcties zijn afgeleid van de totale emissies van deze categorieën die in 2016 zijn bepaald door TNO, in opdracht van het RIVM. Door per categorie de totale emissies die zijn bepaald door TNO te delen door de totale emissies uit de Emissieregistratie voor 2014, is per categorie een correctiefactor verkregen. Deze is toegepast op de ruimtelijke verdeelde emissies NH3 voor 2013 uit de Emissieregistratie.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
684-3273
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie
  • 07-11-2016

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte ENINA buiten Rijnmondgebied

Versie: 
07-11-2016

Bij de verfijnde berekeningen voor de emissies van de sectoren Energie, Industrie en Afvalverwerking (ENINA) is onderscheid gemaakt in de emissies binnen het Rijnmondgebied (factsheet verfijning Rijnmondgebied) en emissies in de rest van Nederland. In deze factsheet wordt toegelicht op welke wijze de ENINA emissies buiten het Rijnmondgebied zijn verfijnd op basis van aangeleverde projectgegevens.

De berekening van ENINA buiten het Rijnmondgebied is in beginsel een ‘niet-verfijnde’ berekening, waarbij de RIVM emissieontwikkeling wordt aangehouden en de RIVM groei-emissies ruimtelijk over Nederland zijn herverdeeld op basis van de ‘waterbedmethode’. ENINA is hier echter toch een verfijnde sector genoemd, door de beleidskeuze om bepaalde provinciale projecten volledig in de ruimte op te nemen waardoor de totale emissies waarmee gerekend is afwijken van de RIVM emissies. Geredeneerd vanuit de waterbedmethode zou de bijdrage van alle ENINA projecten namelijk ‘afgetopt’ moeten worden bij de berekeningen van de depositieruimte. Omdat gekozen is dit niet voor alle projecten te doen, is effectief met meer emissie gerekend dan waar het RIVM vanuit gaat. Het deel van deze projecten dat eigenlijk afgetopt had moeten worden is extra groei die mogelijk wordt gemaakt. Dit is de ‘verfijning’.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
624-3229
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte ENINA, mobiele werktuigen en scheepvaart binnen Rijnmondgebied

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Bij de verfijnde berekeningen voor de emissies van de sectoren Energie, Industrie en Afvalverwerking (ENINA), inclusief mobiele werktuigen, en scheepvaart is onderscheid gemaakt in de emissies binnen het Rijnmondgebied  en emissies in de rest van Nederland. Deze factsheet beschrijft op welke wijze de ENINA emissies binnen het Rijnmondgebied zijn verfijnd op basis van aangeleverde projectgegevens. De verfijning van het Rijnmondgebied voor de genoemde sectoren geldt alleen voor NOX.

  • Voor ENINA (inclusief mobiele werktuigen) en binnenvaart zijn voor het Rijnmondgebied de emissies in de referentiesituatie (2014), 2015 en de toekomstjaren (2020 en 2030) verfijnd. Dat betekent dat bij het bepalen van de sectorbijdrage voor het Rijnmondgebied (inclusief Maasvlakte 2) in zowel de huidige als toekomstige situaties volledig is uitgegaan van aangeleverde verfijnde emissies. Het verschil tussen de referentiesituatie (2014) en de toekomst is de verfijnde groeibehoefte voor het Rijnmondgebied voor deze sectoren. Dit is de groeibehoefte die is opgenomen in de depositieruimte en die ook is gereserveerd in segment 1 (als ontwikkelingsruimte voor het Rijnmondgebied voor ENINA en binnenvaart).
  • Voor zeescheepvaart is bij het bepalen van de sectorbijdrage voor het Rijnmondgebied uitgegaan van de methode die ook wordt toegepast voor niet-verfijnde sectoren. Echter, voor de toekomst (2020 en 2030) is deze RIVM sectorbijdrage aangevuld met de groeibehoefte die specifiek is berekend voor het Rijnmondgebied op basis van aangeleverde verfijnde gegevens. Deze berekende verfijnde groeibehoefte voor het gebied is, net als de niet verfijnde RIVM groei, opgenomen in de depositieruimte. De verfijnde groeibehoefte (de ophoging) is daarnaast gereserveerd in segment 1 als zijnde de groeibehoefte voor zeescheepvaart voor het Rijnmondgebied.

Hoe berekent Monitor de depositiebijdrage en groeibehoefte van ENINA en binnenvaart voor het Rijnmondgebied?
Voor de Rijnmondbijdrage voor ENINA (inclusief mobiele werktuigen) en binnenvaart in de referentiesituatie (2014) gaat Monitor uit van de NOX emissies voor 2014 die de provincie Zuid-Holland heeft aangeleverd. Monitor berekent de NOX emissies in 2015 op basis van een lineaire interpolatie van de emissies voor 2014 en 2020.  De zo berekende bijdragen voor 2014 en 2015 vervangen de bijdragen op basis van de RIVM emissies voor het gebied voor deze jaren.

Voor 2020 gaat Monitor uit van de NOX emissies die de provincie Zuid-Holland heeft aangeleverd voor de ‘toekomstige situatie’, die gelden voor 2024 (beleidsuitgangspunt). Voor 2020 is uitgegaan van de aangeleverde emissiewaarden voor 2024. Voor 2030 zijn de aangeleverde emissiewaarden voor 2024 door geschaald naar 2030 door uit te gaan van 1% groei per jaar vanaf 2024.
De groeibehoefte voor deze sectoren in het Rijnmondgebied in 2020 en 2030 volgt uit de vergelijking van de berekende depositiebijdrage in 2020 en 2030 met de depositiebijdrage in 2014.
Deze groeibehoefte van ENINA en binnenvaart is volledig opgenomen in de depositieruimte en komt aan de kant van de ontwikkelingsbehoefte terug als prioritaire ontwikkelingsruimte (reservering segment 1).

Hoe berekent Monitor de depositiebijdrage en groeibehoefte van zeescheepvaart?
Monitor berekent de NOX depositiebijdrage van zeescheepvaart in het Rijnmondgebied in de huidige en toekomstige situaties conform de rekenmethode voor niet-verfijnde sectoren. Alleen voor de toekomstjaren is deze RIVM depositiebijdrage vervolgens opgehoogd met de groeibehoefte voor zeescheepvaart in het Rijnmondgebied. Deze verfijnde groeibehoefte is op dezelfde wijze berekend als de groeibehoefte voor ENINA en binnenvaart, op basis van door de provincie Zuid-Holland aangeleverde emissiegegevens voor zowel de huidige als toekomstige situatie. De verfijnde groeibehoefte van het Rijnmondgebied is evenals de RIVM groei voor zeescheepvaart volledig opgenomen in de depositieruimte. Echter alleen de verfijnde groeibehoefte komt ook terug als reservering in segment 1. Immers de RIVM groeibehoefte is geen prioritaire behoefte.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
623-3230
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte HWN

Versie: 
07-11-2016

In het kort
De depositiebijdrage van het verkeer op het hoofdwegennet (HWN) in Monitor volgt uit de resultaten van twee typen berekeningen. Beide berekeningen zijn uitgevoerd op basis van HWN emissies die volgen uit de door ministerie van IenM aangeleverde verkeersnetwerken voor het hoofdwegennet. De aangeleverde netwerken zijn in beginsel gelijk aan de verkeersnetwerken die worden gebruikt voor het NSL. Het enige verschil is dat in de PAS-netwerken uitgegaan wordt van een (verdere) uitbreiding van de maximum snelheid van 130 km/uur op alle wegen (behalve op plekken waar het vanuit verkeersveiligheid niet kan).

De totale bijdrage van het HWN is altijd de som van beide berekeningen.

  • Met Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 is de HWN-bijdrage berekend op alle rekenpunten die binnen 3 km van een snelweg liggen. Deze ‘SRM2-bijdrage’ komt in AERIUS dus alléén voor op hexagonen die binnen 3 km van een snelweg liggen. Bij de SRM2 berekening zijn voor ieder rekenpunt de HWN emissies meegenomen tot een afstand van 5 km van het rekenpunt.
  • Met het rekenmodel OPS van het RIVM is daarnaast voor ieder rekenpunt berekend wat de bijdrage is van alle HWN emissies die nog niet met de SRM2 berekening zijn meegenomen. Voor rekenpunten die buiten 3 km van enige snelweg liggen, zijn dit dus alle HWN emissies in Nederland. Immers op die rekenpunten is er geen SRM2 bijdrage. Voor rekenpunten binnen 3 km zijn met de OPS berekening alleen de HWN emissies meegenomen die verder dan 5 km van het rekenpunt afliggen. Immers de emissies binnen 5 km zijn voor deze rekenpunten al meegenomen met de SRM2 berekening.

De bijdrage van het HWN is berekend voor de huidige situatie en voor de toekomstige situatie zonder groei. Vervolgens is berekend wat de totale groeibehoefte is voor zowel het SRM2 deel als het OPS deel. Deze groeibehoeften zijn opgeteld bij de toekomstige bijdrage zonder groei om de totale sectorbijdrage in de toekomst te bepalen. De berekende totale groeibehoefte van de OPS en SRM2 berekeningen samen is tevens opgenomen in de depositieruimte en is gereserveerd in segment 1 als zijnde de prioritaire behoefte voor het HWN.

Hoe wordt de depositiebijdrage en groeibehoefte berekend? 

Depositiebijdrage referentiesituatie (2014)
Voor de referentiesituatie 2014 zijn de verkeersgegevens in het aangeleverde referentienetwerk 2014 vermenigvuldigd met de emissiefactoren voor 2014. De resultaten zijn zonder verdere correcties gehanteerd als invoer voor de berekening van de depositiebijdrage HWN in 2014 voor zowel de berekening met SRM2 als OPS.

Depositiebijdrage 2015
Voor het gepasseerde kalenderjaar 2015 zijn de verkeersgegevens in het aangeleverde netwerk 2015 vermenigvuldigd met de emissiefactoren voor 2015. De resultaten zijn zonder verdere correcties gehanteerd als invoer voor de berekening van de depositiebijdrage HWN in 2015 voor zowel de berekening met SRM2 als OPS.

Depositiebijdrage en groeibehoefte toekomstige situaties (2020 en 2030) 
De depositiebijdrage in de toekomst is opgebouwd uit de bijdrage in een scenario zonder groei, en de groeibehoefte. De som van de twee is de sectorbijdrage in de toekomst. 

De depositiebijdrage in 2020 en 2030 voor het scenario zonder groei is zowel met SRM2 als met OPS berekend door het verkeersnetwerk voor de referentiesituatie (2014) door te rekenen met de emissiefactoren voor 2020 en 2030. Op deze wijze is inzichtelijk gemaakt wat de bijdrage in de toekomst wordt als er vanaf het begin van het PAS geen enkele voertuigkilometer bij zou komen (geen economische groei), maar wel rekening wordt gehouden met de verschoning van het wagenpark in de tijd.

Bij het berekenen van de groeibehoefte is onderscheid te maken in de aanpak bij de OPS berekeningen enerzijds en de SRM2 berekeningen anderzijds. 
Bij de OPS berekeningen is de groeibehoefte bepaald door zowel voor 2020 als voor 2030 het netwerk van het betreffende toekomstjaar door te rekenen met emissiefactoren van de toekomst en de depositiebijdrage te verminderen met de bijdrage in het scenario zonder groei voor dat jaar. 

Bij de SRM2 berekeningen bestaat de groeibehoefte uit drie delen:

  • De groeibehoefte voor de eerste PAS-periode. Deze behoefte is berekend door het verschil te nemen tussen de bijdrage van het NSL-netwerk 2020 (inclusief eindbeeld verhoging maximumsnelheid), doorgerekend met emissiefactoren 2018, met de bijdrage van het referentienetwerk 2014, ook doorgerekend met emissiefactoren van 2018
  • De groeibehoefte voor de tweede PAS-periode. Deze behoefte is berekend door het verschil te nemen tussen de bijdrage van het NSL-netwerk 2030 (inclusief eindbeeld verhoging maximumsnelheid), doorgerekend met emissiefactoren 2020, met de bijdrage van het NSL-netwerk 2020 (inclusief eindbeeld verhoging maximumsnelheid), ook doorgerekend met emissiefactoren van 2020
  • Een groeibehoefte ten behoeve van het opvangen van tijdelijke projecteffecten (om tekorten aan ontwikkelings- en depositieruimte als gevolg van tijdelijke toenames in verkeersintensiteiten te voorkomen). Deze behoefte is berekend door het verschil te nemen tussen de bijdrage van NSL-netwerk 2020 (inclusief eindbeeld verhoging maximumsnelheid) inclusief een ophoging voor de tijdelijke projecteffecten, doorgerekend met emissiefactoren 2018, te verminderen met de bijdrage van het gewone NSL-netwerk 2020 (inclusief eindbeeld verhoging maximumsnelheid), eveneens doorgerekend met emissiefactoren 2018.

Wanneer Monitor in 2020 of 2030 een negatieve groeibehoefte berekent, dan is de behoefte in dat jaar gelijkgesteld aan 0.

Voor 2020 is voor de totale SRM2 groeibehoefte uitgegaan van de som van deze drie groeibehoeftes. Voor 2030 is uitgegaan van de som van de groei van de eerste en tweede PAS-periode, maar is de groeibehoefte voor de tijdelijke projecteffecten niet meer meegenomen.

Bijdrage uitbreiding 130 km/uur
Bij het bepalen van de ontwikkeling van de stikstofdepositie door het wegverkeer op het hoofdwegennet is een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur als uitgangspunt gehanteerd. Dit is gebaseerd op het beleidsuitgangspunt dat waar mogelijk de maximumsnelheid op autosnelwegen naar 130 kilometer per uur wordt gebracht (kamerstuk). De bijdrage aan de stikstofdepositie van een eventuele snelheidsverhoging naar 130 km/uur is opgenomen als autonome groeibehoefte binnen de totale groeibehoefte van het HWN.
Om te bepalen welk deel van de totale SRM2-groeibehoefte in de periode 2014-2020 en 2020-2030 veroorzaakt wordt door de uitbreiding van 130 km/uur, is ook berekend wat de groeibehoefte zou zijn zonder die uitbreiding. Het verschil tussen deze berekeningen bepaalt welk deel van de totale groeibehoefte veroorzaakt wordt door de uitbreiding van 130 km/uur.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
397-3220
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Luchthavens

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Monitor berekent de verfijnde bijdrage en groeibehoefte van Nederlandse luchthavens voor de referentiesituatie (2014), 2015 en de toekomstige situaties (2020 en 2030). Bij luchthavens wordt onderscheid worden gemaakt tussen de volgende emissiebronnen:

  • vliegverkeer van en naar de luchthaven
  • bronnen op het luchthaventerrein, zoals hulpmotoren van vliegtuigen (Auxiliary Power Units, APU), platformverkeer en brandstofoverslag.

Bij de berekening van de depositiebijdrage en de groeibehoefte is onderscheid gemaakt tussen:

  • vliegverkeer op luchthavens waarvoor het Ministerie van IenM emissiegegevens heeft aangeleverd.
  • vliegverkeer op overige luchthavens en bronnen op luchthaventerreinen
  • projecten van het Ministerie van Defensie.

Hoe is de depositiebijdrage en groeibehoefte voor luchthavens berekend?
Voor een aantal luchthavens (zie tabel onderaan deze factsheet) is bij de berekening van de depositiebijdrage van het vliegverkeer voor 2014, 2015 en de toekomstige situaties uitgegaan van emissiegegevens NOX die zijn aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Deze emissiegegevens hebben betrekking op omvang en de locatie (inclusief hoogte) van de emissies van vliegtuigen bij het landen en opstijgen.

De verfijnde depositiebijdragen NOX in 2014, 2020 en 2030 zijn berekend met het rekenmodel OPS van het RIVM. Voor de overige bronkenmerken die als invoer dienen voor OPS berekeningen (zoals warmteoutput) is uitgegaan van de bronkenmerken voor deze sector die RIVM toepast bij de berekeningen voor de GCN/GDN kaarten.
Het verschil in depositie tussen de toekomstige situaties (2020 en 2030) en de referentesituatie is de groeibehoefte voor de desbetreffende luchthaven (voor vliegemissies). Aan de behoeftekant wordt deze verfijnde groeibehoefte beschouwd als prioritaire behoefte. De volledige verfijnde groeibehoefte is tevens opgenomen in de depositieruimte.

De verfijnde depositiebijdrage NOX in 2015 is gelijkgesteld aan de verfijnde depositiebijdrage NOX in 2014.

De depositiebijdrage van vliegverkeer op overige luchthavens en van bronnen op luchthaventerreinen zijn bepaald conform de methodiek voor niet-verfijnde sectoren. De groeibehoefte die hieruit volgt, wordt beschouwd als autonome ontwikkeling waar geen toestemmingsbesluit of vergunning voor nodig is (segment NTVP).

Aanvullend op het bovenstaande heeft het Ministerie van Defensie emissies en bronkenmerken aangeleverd voor een aantal projecten met betrekking tot militaire luchtvaart. Deze projecten worden beschouwd als ‘prioritaire projecten’. Voor deze defensieprojecten is met OPS de depositiebijdrage en groeibehoefte berekend voor 2020 en 2030. De volledige ontwikkelingsbehoefte van deze projecten is opgenomen in de depositieruimte en de totale depositie; de projecten van defensie zijn beschouwd als aanvulling op de RIVM groei-emissies voor luchtvaart.

Voor welke luchthavens zijn verfijnde berekeningen uitgevoerd?
Voor de volgende luchthavens zijn verfijnde emissiegegevens NOX aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu:

  • Groningen Airport Eelde
  • Eindhoven Airport
  • Lelystad Airport
  • Maastricht Aachen Airport
  • Rotterdam The Hague Airport
  • Luchthaven Schiphol.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
405-3239
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte mest

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Bij de aanwending van mest komt ammoniak vrij. Bij de berekening van de depositiebijdrage van deze ammoniakemissie in 2014 hanteert Monitor dezelfde aanpak als bij de niet-verfijnde sectoren. Dat betekent dat is uitgegaan van emissies en schaalfactoren die ook de basis vormen voor de GCN/GDN kaarten van het RIVM.
Voor de autonome ontwikkeling in 2020 en 2030 gaat Monitor uit van een depositiebijdrage van mest die gelijk is aan de depositiebijdrage in 2014 (beleidsuitgangspunt). Daarnaast is aangenomen is dat er geen groeibehoefte is voor mest (de mate van economische ontwikkeling heeft geen effect op de omvang van de mestemissies). Voor de scenario’s met PAS is aangenomen dat zowel in 2020 als 2030 de emissie per jaar 2 kiloton lager is dan in de autonome ontwikkeling. Deze 2 kiloton is het effect van het PAS-beleid.

Hoe is het effect van het PAS-beleid op de depositiebijdrage mest bepaald?
Uitgangspunt is dat het mestbeleid van de PAS zorgt voor een emissiereductie van 2 kton:

  • 1,5 kiloton emissiereductie per jaar vanaf 2017 door verbod op gebruik van de sleepvoet bij het uitrijden van mest op klei- en veengrond, en
  • 0,5 kiloton emissiereductie per jaar vanaf 2015 door direct onderwerken van dierlijke mest (mest in de grond brengen) op bouwland.

De ruimtelijke verdeling van dit effect op de emissies is als volgt berekend:

  • Uitgangspunten vormen de emissies door mestaanwending per km-vak voor het basisjaar (2013) in de RIVM bronbestanden die ook zijn gebruikt bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.
  • De emissie door mestaanwending per km-vak is naar rato verdeeld over de oppervlakken grasland (klei/veen) en bouwland binnen dat km-vak. Hierbij wordt gebruik gemaakt van landgebruikgegevens van Alterra (LGN7).
  • Vervolgens is voor de totale landelijke emissie op grasland (klei/veen) en bouwland bepaald wat de procentuele emissiereductie moet zijn respectievelijk 1,5 en 0,5 kiloton emissiereductie te behalen.
  • Deze procentuele emissiereductie is omgezet in een aangepaste emissie per km-vak, waarbij de afname per km-vak dus afhangt van het oppervlak grasland (klei/veen) en bouwland binnen dat km-vak. Voor heel Nederland is de totale afname precies 2 kiloton.

Vervolgens is de depositiebijdrage van mestaanwending berekend voor de situatie met aangepaste emissies, en voor de situatie zonder aangepaste emissies (autonome ontwikkeling). Het verschil tussen beide situaties geeft inzicht in het absolute (ruimtelijke) effect van de 2 kiloton emissiereductie op de stikstofdepositie. Dit absolute reductie-effect in stikstofdepositie is in alle toekomstjaren en alle beleidsscenario’s met PAS toegepast.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
393-3207
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte mobiele werktuigen buiten Rijnmondgebied

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Bij de verfijnde berekeningen voor mobiele werktuigen (alleen NOX) is onderscheid gemaakt in de emissies binnen het Rijnmondgebied (verfijning Rijnmondgebied) en emissies in de rest van Nederland.
In deze factsheet wordt alleen ingegaan op de wijze waarop de NOX emissies voor mobiele werktuigen buiten het Rijnmondgebied zijn verfijnd op basis van projectgegevens van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) voor het Hoofdvaarwegennet (HVWN) en Hoofdwatersysteem (HWS). Bij beide typen projecten kunnen namelijk mobiele werktuigen ingezet worden.

Hoe bepaalt Monitor de depositiebijdrage en groeibehoefte voor mobiele werktuigen buiten het Rijnmondgebied?
De bepaling van de verfijnde depositiebijdrage (alleen NOX) voor mobiele werktuigen buiten het Rijnmondgebied is tweeledig. 

De niet-verfijnde emissies voor mobiele werktuigen in de referentiesituatie (2014), 2015, 2020 en 2030 (die volgen uit het project Emissieregistratie en de emissieontwikkeling op basis van het PBL scenario met een hoge economische groei) worden ingeperkt, om er rekening mee te houden dat naast deze RIVM emissies ook emissies door mobiele werktuigen vanwege HWS projecten worden meegenomen in AERIUS. Dit is dus een daadwerkelijke verfijning waarbij de volgende stappen zijn doorlopen:

  1. de emissies uit de Emissieregistratie in 2013 zijn gecorrigeerd voor de aangeleverde emissies als gevolg van lopende HWS projecten in 2014
  2. op basis van de gecorrigeerde, ruimtelijk verdeelde emissies is de depositiebijdrage in 2013 berekend en op basis van de schaalfactoren zijn de depositiebijdragen in 2014, 2015, 2020 en 2030 bepaald 
  3. de 'gecorrigeerde' depositiebijdragen in 2014 en 2015 zijn aangevuld met de depositiebijdrage als gevolg van de emissies van de aangeleverde lopende HWS projecten eerde' depositiebijdragen in 2020 en 2030 zijn aangevuld met de depositiebijdrage als gevolg van de emissies van de aangeleverde toekomstige HWS projecten in 2020.   

De projecten in 2020 bepalen direct de groeibehoefte voor HWS voor de sector mobiele werktuigen. Deze groeibehoefte wordt opgenomen in de depositieruimte en gereserveerd als prioritaire ontwikkelingsruimte in segment 1.

Anderzijds zijn er de HVWN projecten van IenM waarbij mobiele werktuigen worden ingezet. Voor deze projecten is dezelfde aanpak gehanteerd als bij de scheepvaartemissies voor HWS en HVWN projecten. Dat betekent dat in beginsel de niet-verfijnde werkwijze is gevolgd, waarbij de groei-emissies ruimtelijk (her)verdeeld worden over Nederland op basis van aangeleverde projectgegevens (in dit geval dus de mobiele werktuigen binnen alleen de HVWN projecten van IenM). De verfijning zit hier in het aanvullende uitgangspunt dat indien de emissies van de HVWN projecten méér bedragen dan de (voor HWS reeds geknipte) landelijke groei-emissies voor mobiele werktuigen, toch de volledige ontwikkelingsbehoefte van de IenM projecten wordt opgenomen in de depositieruimte. In dat geval wordt dus afgeweken van de emissieontwikkeling op basis van de Emissieregistratie en de emissieontwikkeling op basis van het PBL scenario met een hoge economische groei. Dat is een afwijking van de werkwijze voor de niet-verfijnde sectoren, waarbij de landelijke RIVM groei als plafond voor de emissiegroei wordt aangehouden. 

Voor de verschillende typen projecten (HWS, HVWN) geldt voor mobiele werktuigen dezelfde aanpak als bij de scheepvaartemissies met betrekking tot de berekening van de groeibehoefte en het rekening houden met de tijdelijkheid van bepaalde projecten (berekenen depositiebijdrage tijdelijke projecten).

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
626-3231
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte OWN

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Voor het Onderliggend wegennet (OWN) is de depositiebijdrage en de groeibehoefte die is opgenomen in de depositieruimte opgebouwd uit twee delen:

  • Niet-verfijnde depositiebijdrage en groeibehoefte op basis van de emissiegegevens uit het project Emissieregistratie en het PBL scenario voor de emissieontwikkeling, waarbij is uitgegaan van vaststaand en voorgenomen beleid en een hoge economische groei. Deze emissies en emissieontwikkeling vormt ook de basis voor de GCN/GDN kaarten.
  • Ophoging van depositiebijdrage en groeibehoefte, als dat nodig is om alle groeibehoefte voor SRM2 wegen van het OWN die volgt uit aangeleverde gegevens van provincies mogelijk te maken.

Hoe bepaalt Monitor de niet-verfijnde depositiebijdrage en groeibehoefte?
Bij de berekening van de niet-verfijnde depositiebijdrage in 2014, 2015 en de toekomstjaren en de groeibehoefte van het onderliggende wegennet is dezelfde aanpak gehanteerd als bij de niet-verfijnde sectoren. Dat betekent dat is uitgegaan van de emissies en schaalfactoren die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De niet-verfijnde depositiebijdrage is berekend met het OPS model van het RIVM.

Hoe bepaalt Monitor de eventuele ophoging voor de OWN groei? 
Voor de toekomstjaren (2020 en 2030) is op basis van door de provincies aangeleverde netwerken voor het OWN voor 2014, 2020 en 2030 berekend wat de groeibehoefte is voor alle wegen van het OWN die vallen binnen het toepassingsbereik van Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007: 

  • Om te komen tot de groeibehoefte in 2020 (ten opzichte van 2014) is het netwerk voor 2014 doorgerekend met emissiefactoren wegverkeer voor 2020. De berekende depositiebijdrage is vervolgens afgetrokken van de depositiebijdrage die wordt berekend op basis van het netwerk voor 2020 doorgerekend met emissiefactoren wegverkeer voor 2020. 
  • Om te komen tot de groeibehoefte in 2030 (ten opzichte van 2014) is het netwerk voor 2014 doorgerekend met emissiefactoren wegverkeer voor 2030. De berekende depositiebijdrage is vervolgens afgetrokken van de depositiebijdrage die wordt berekend op basis van het netwerk voor 2030 doorgerekend met emissiefactoren wegverkeer voor 2030. 

Voor hexagonen binnen Natura 2000-gebieden die zich bevinden binnen een afstand van 3 kilometer vanaf de weg, zijn de depositiebijdragen van het verkeer op de aangeleverde OWN wegen berekend met SRM2. De depositiebijdragen van deze wegen op hexagonen binnen Natura 2000-gebieden die zich bevinden op een afstand van meer dan 3 kilometer vanaf de weg zijn berekend met OPS.

De groeibehoefte in depositie is per hexagoon vergeleken met de groei voor het OWN zoals die uit de niet-verfijnde groeiberekening volgt. Op hexagonen waar de niet-verfijnde groeibehoefte niet voldoende is voor de groeibehoefte op basis van de verfijnde gegevens, is de depositieruimte en totale depositie opgehoogd met het verschil. Op die manier is altijd minimaal voldoende ruimte voor de groeibehoefte voor de SRM2 wegen in de door de provincies aangeleverde netwerken.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
399-3221
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Railverkeer

Versie: 
17-03-2017

In het kort
Monitor berekent de depositiebijdrage en groeibehoefte van railverkeer in de referentiesituatie (2014), 2015 en de toekomstige situaties (2020 en 2030) conform de methodiek die wordt toegepast bij niet-verfijnde sectoren.

De groeibehoefte in 2020 (uitgedrukt in depositie) is vervolgens structureel opgehoogd. Deze ophoging betreft een extra reservering voor rail-infraprojecten (inclusief het gebruik van emplacementen), en is verwerkt in zowel de totale depositie als de depositieruimte. Vanwege deze ophoging wordt de sector ‘railverkeer’ beschouwd als een verfijnde sector.

Uitgangspunt voor de ophoging van de groeibehoefte is de aanname dat de extra reservering voor rail-infraprojecten een omvang dient te hebben van 5 mol/ha/jaar direct langs het spoor (trajecten voor dieseltreinen), afnemend met de afstand tot het spoor uitgaande van een verspreidingsprofiel dat representatief is voor railverkeer. Monitor is hierbij uitgegaan van een zogenoemde bron-rekenpunt-matrix (source-receptor matrix, SRMatrix).

De ontwikkelingsbehoefte van rail-infraprojecten (som van de niet-verfijnde groei en de ophoging) is gelijk aan de totale groeibehoefte. Omdat het prioritaire projecten betreft, is er voor deze projecten ontwikkelingruimte gereserveerd in segment 1.

Bepalen autonome depositiebijdrage en groeibehoefte
De depositiebijdrage en groeibehoefte van railverkeer in de referentiesituatie (2014), 2015 en de toekomstige situaties (2020 en 2030) is bepaald conform de methodiek die wordt toegepast bij niet-verfijnde sectoren. Deze depositiebijdrage en groeibehoefte is in deze factsheet gedefinieerd als autonome depositiebijdrage en groeibehoefte.

De autonome depositiebijdrage van het spoor is berekend op basis van de emissies NOX en NH3 op het spoor waarvan het RIVM uitgaat in de GCN/GDN ronde 2016 (GCN sector 3700).

De totale emissies en ruimtelijke verdeling van de RIVM emissies in het jaar 2013 vormen hierbij de basis (2013 is het basisjaar van de emissies in de Emissiregiostratie). In onderstaande tabel zijn de totale emissies NOX en NH3 in 2013 weergegeven.

Stof Sectoremissie 2013 Verschil tov 2012
NOX 1.57 kton/jaar + 5%
NH3 0.28 ton/jaar + 4%

De emissies voor 2014, 2020 en 2030 zijn bepaald aan de hand van RIVM schaalfactoren (BBR, hoge economische groei, GCN sector 3700). In deze schaalfactoren zijn twee ontwikkelingen verwerkt. Ten eerste de ontwikkeling van de emissie per activiteit (bijvoorbeeld de omvang van de emissie per gereden kilometer), en ten tweede de ontwikkeling van het aantal activiteiten (bijvoorbeeld het gereden aantal kilometers). De gehanteerde schaalfactoren per stof en zichtjaar zijn aangegeven in onderstaande tabel. De emissies voor 2015 zijn bepaald op basis van lineaire interpolatie tussen 2014 en 2020.

Stof Schaalfactor 2014 Schaalfactor 2020 Schaalfactor 2030
NOX 0,993 0.937 0.925
NH3 0.993 0.939 0.936

Onder het regime van de PAS is alleen ontwikkelingsruimte nodig voor uitbreiding van een bestaande of nieuwe activiteit. Om een inschatting te maken van de autonome groeibehoefte in 2020 en 2030 is uitgegaan van de toename van stikstofdepositie als gevolg van economische ontwikkeling, zoals ingeschat door het RIVM. Hiertoe is het verschil bepaald tussen de schaalfactoren met hoge economische groei (ABR, 2.5%) en de schaalfactoren zonder economische groei (POR, 0%). Het resultaat (de zogenoemde groeifactor) is weergegeven in onderstaande tabel.

Stof Groeifactor 2020 Groeifactor 2030
NOX 0.0918 0.2806
NH3 0.0893 0.2846

Bepalen reservering voor rail-infra projecten met source-receptor-matrix
Monitor berekent de extra reservering voor rail-infraprojecten (in mol/hectare/jaar) per hexagoon in 2020 met de volgende formule:



Reserveringi = Reservering depositie op rekenpunt i (mol/hectare/jaar)
Reservering= Maximale reservering depositie (5 mol/hectare/jaar) op minimale afstand tot het spoor (20 meter) 
Depositiei = Berekende depositie in source-receptor-matrix (SRMatrix) op rekenpunt i, afhankelijk van xi, z0i en Mi
x= Kortste afstand van locatie rekenpunt (i) loodrecht naar spoorweg (m)
z0,i = Ruwheidslengte van locatie rekenpunt i (m)
Mi = Meteorologische condities op locatie rekenpunt (i)
Depositie0 = Berekende depositie in source-receptor-matrix (SRMatrix) op minimale afstand van het spoor (20 meter), afhankelijk van z0,0 en Mi
z0,0 = Ruwheidslengte ter hoogte van emissiepunt op spoorweg op kortste afstand van het rekenpunt i (m)

Om voor elk hexagoon in Nederland te kunnen bepalen welke depositiewaarden (depositiei en depositie0) van toepassing zijn bij het bepalen van de correctiefactor, is een zogenoemde source-receptor-matrix (SRMatrix) opgesteld. Deze matrix geeft waarden voor de depositiebijdrage op verschillende afstanden tot het spoor (verspreidingsprofielen) voor verschillende combinaties van:

  • de oriëntatie van het rekenpunt ten opzichte van het spoor (36 windsectoren)
  • meteorologische condities (6 meteorologische regio’s)
  • de lokale terreinruwheid (10 representatieve ruwheidwaarden, z0 waarden, die zijn afgeleid van de procentuele verdeling van de ruwheidklassen over alle hectares in Natura 2000-gebied binnen 10 km van een spoorlijn: zie onderstaande tabel).
z0 waarden Verdeling
1 mm 9.7 %
14 mm 4.0 %
30 mm 9.3 %
52 mm 7.3 %
92 mm 7.5 %
179 mm 7.7 %
353 mm 7.3 %
579 mm 7.2 %
740 mm 11.4 %
1600 mm 0.2 %

Bij het opstellen van de SRMatrix is uitgegaan van een gesimuleerde spoorlijn met een lengte van 10 km (voldoende lengte om ‘randeffecten’ te voorkomen). De gesimuleerde spoorlijn is opgebouwd uit een reeks puntbronnen die op voldoende korte afstand van elkaar geplaatst zijn om voor het model als een aaneengesloten bron te worden beschouwd. Tot een afstand van 250 meter ten opzichte van het middelpunt van de spoorlijn is de afstand tussen de puntbonnen 10 meter. Na 250 meter loopt de afstand tussen de puntbronnen geleidelijk op tot 100 meter.
De rekenpunten liggen loodrecht op het middelpunt van de spoorweg. De afstand tussen de rekenpunten is 10 meter (binnen 500 meter van de spoorweg). Vanaf 500 meter van de spoorweg is de afstand tussen de rekenpunten 100 meter.
Onderstaande figuur illustreert de gesimuleerde spoorlijn (rood) en de receptor punten (zwart).

Aan de doorgerekende spoorlijn zijn worst case bronkenmerken gekoppeld (zie onderstaande tabel):

  • Er is uitgegaan van een spoorweg met de hoogste emissies, op basis van de emissiebestanden (emissies in 2020 per gridcel van 1x1 km) waar RIVM vanuit is gegaan in de GCN/GDN ronde 2016.
  • Voor de overige bronkenmerken (warmte-inhoud, uitstoothoogte, spreiding, temporele variatie) is uitgegaan van de waarden die RIVM hanteert in de GCN/GDN ronde 2016.
Variabele Eenheid Waarde
Emissie NOX kg/jaar/km 547.1
Emissie NH3 kg/jaar/km 0.1
Warmte-inhoud MW 0.200
Emissiehoogte m 5.0
Spreiding m 2.5
Temporele variatie - 1

De depositieberekeningen zijn uitgevoerd met OPS versie 4.5.0.

Toepassing source-receptor-matrix
Voor alle hectares (hexagonen) in AERIUS binnen 10 km van het spoorwegennet is op basis van de SRMatrix de extra reservering bepaald. Hiertoe is eerst voor het bestaande spoorwegennet de kortste afstand tot het midden van een hexagoon bepaald. Vervolgens is in de SRMatrix opgezocht welke meteorologische regio het meest van toepassing is en ook welke van de zes onderscheiden ruwheidswaarden het meest representatief is (de ruwheidswaarde waarvoor geldt dat het verschil met de werkelijke waarde op het rekenpunt of het emissiepunt op de spoorweg het kleinst is). Op basis van de waarden in de SRMatrix is de reservering berekend met de eerder genoemde formule.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
404-3781
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte scheepvaart buiten Rijnmondgebied

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Bij de verfijnde berekeningen voor de scheepvaartemissies (alleen NOX) maakt Monitor onderscheid in emissies binnen het Rijnmondgebied (verfijning Rijnmondgebied) en emissies in de rest van Nederland. Deze factsheet beschrijft de wijze waarop de NOX scheepvaartemissies buiten het Rijnmondgebied zijn verfijnd op basis van projectgegevens van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) voor het hoofdvaarwegennet (HVWN) en het hoofdwatersysteem (HWS). Het gaat om zowel zeescheepvaartemissies (NCP en binnengaats) als om binnenvaartemissies.

Bij de verfijning van de scheepvaartemissies buiten het Rijnmondgebied op basis van de IenM projecten is uitgegaan van de werkwijze die is toegepast bij niet-verfijnde sectoren. Dat betekent dat wordt uitgegaan van de RIVM emissies uit de Emissieregistratie en de emissieontwikkeling op basis van het PBL scenario met hoge economische groei, waarbij de groei-emissies ruimtelijk (her)verdeeld worden over Nederland op basis van aangeleverde projectgegevens (in dit geval dus projecten van IenM). De verfijning zit in het aanvullende uitgangspunt dat indien de emissies van de IenM projecten meer bedragen dan de landelijke groei-emissies van het RIVM voor de betreffende sectoren, toch de volledige ontwikkelingsbehoefte van de IenM projecten wordt opgenomen in de depositieruimte. In dat geval wordt dus afgeweken van de landelijke RIVM emissies. Dat is een afwijking van de werkwijze voor de niet-verfijnde sectoren, waarbij de landelijke RIVM groei als plafond voor de emissiegroei wordt aangehouden. 

Hoe wordt de groeibehoefte van de IenM projecten bepaald?
De groeibehoefte voor scheepvaart binnen HVWN en HWS projecten van IenM is berekend met het RIVM-rekenmodel OPS op basis van door IenM aangeleverde bronbestanden. De volledige groeibehoefte is per definitie opgenomen in de depositieruimte en gereserveerd als prioritaire behoefte in segment 1. Bij het berekenen van de groeibehoefte per project is er onderscheid te maken in ruwweg drie soorten projecten:

  • Tijdelijke projecten. Deze projecten zijn in hun aard tijdelijk en hebben altijd een bepaalde duur die is aangeleverd, bijvoorbeeld 2 jaar. Voor deze projecten is de bijdrage berekend op basis van de aangeleverde emissies, en vervolgens is deze bijdrage vermenigvuldigd met [duur/6]. Daarbij is in de berekening de duur gemaximaliseerd op 6 jaar. De aldus bepaalde bijdrage is alleen in 2020 opgenomen als groeibehoefte. Factsheet Berekenen depositiebijdrage tijdelijke projecten. Bij de emissiebepaling (nodig voor waterbed) zijn de emissies op gelijke wijze bepaald.
  • Nieuwe projecten met alleen een planeffect. Voor deze projecten is 1 bronbestand aangeleverd en doorgerekend. De behoefte is opgenomen als groeibehoefte in zowel 2020 als 2030.
  • Projecten met een aanlegfase, een autonome ontwikkeling en een plansituatie. Voor deze projecten zijn alle drie de fasen doorgerekend. Vervolgens is het planeffect in de gebruiksfase per sector berekend door per hexagoon de bijdrage in de plansituatie te verminderen met de bijdrage in de autonome situatie en dit te vergelijken met de bijdrage in de aanlegfase voor dezelfde sector. Per hexagoon en sector is vervolgens de hoogste bijdrage aangehouden als groeibehoefte voor zowel 2020 als 2030 (planeffect in de gebruiksfase, of bijdrage in aanlegfase). Bij de emissiebepaling (nodig voor waterbed) is per sector gekeken wat de hoogste emissies zijn (aanlegfase, of plan minus autonoom).

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
625-3232
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte stallen

Versie: 
07-11-2016

In het kort
AERIUS Monitor berekent de depositiebijdrage van stalemissies (ammoniak) op Natura 2000 gebieden voor de huidige en toekomstige situaties (voor verschillende scenario’s).
Daarbij gaat Monitor uit van de ammoniakemissies van stallen die zijn berekend in Monitor en die zijn gecorrigeerd om aan te sluiten bij de NEMA emissies (factsheet NEMA-correctie). Op basis van de berekende depositiebijdragen in de verschillende scenario’s bepaalt Monitor de groeibehoefte van de stallen in het scenario met PAS. Deze groeibehoefte is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen een netto groeibehoefte en een ‘stoppersruimte’.

Hoe is de depositiebijdrage van stallen bepaald?
De depositiebijdrage van stallen is berekend voor de referentiesituatie (2014), 2015 en de toekomstjaren 2020 en 2030. Voor de toekomstjaren onderscheidt Monitor drie scenario’s bij stallen:

  • basisscenario (autonome ontwikkeling: vaststaand en voorgenomen beleid, zonder aanvullend PAS beleid en stagnatie van stalgroei)
  • basisscenario + aanvullend PAS beleid rijk
  • basisscenario + aanvullend PAS beleid en provinciaal beleid in Limburg en Noord-Brabant.

Ten behoeve van het derde scenario is een aanvullende berekening gedaan zonder beleid in Noord-Brabant maar met generiek beleid en met beleid in Limburg. Dit scenario is gebruikt om het extra effect van alleen het beleid in Limburg te bepalen. Dat is nodig omdat de helft van dit extra effect beschikbaar wordt gesteld als depositieruimte.

De verspreidings- en depositieberekeningen voor alle jaren en scenario’s zijn uitgevoerd met het OPS model. Voor de emissies is uitgegaan van de emissies voor stallen zoals berekend in de AERIUS database en gecorrigeerd voor NEMA-emissies (bepalen emissies stallen). In de emissieberekening is rekening gehouden met de (netto) groei van stallen. Voor de overige bronkenmerken die relevant zijn voor een OPS berekening (uitstoothoogte, spreiding, warmte-output en etmaalvariatie) is uitgegaan van de bronkenmerken die RIVM voor deze broncategorie toepast in de OPS berekeningen ten behoeve van de GCN/GDN kaarten.

Het effect van de stagnatie van stalgroei in de autonome ontwikkeling is niet meegenomen in de berekening van de stalemissies die input vormen voor de depositieberekeningen voor het scenario zonder PAS. Dit effect is meegenomen door middel van een correctie achteraf op de berekende deposities voor de autonome ontwikkeling.

Door het toepassen van de stagnatiecorrectie is rekening gehouden met de beleidsaanname dat zonder PAS de groei bij stallen stagneert. Uitgangspunt is dat in de autonome ontwikkeling nog maar 15% van de voorziene gewenste groei van stallen binnen 5 km van Natura2000 gebieden gerealiseerd kan worden (stagnatie van 85%). Voor stallen buiten 5 km van Natura2000 gebieden is uitgangspunt dat nog maar 80% van de voorziene groei gerealiseerd kan worden (stagnatie van 20%).

Hoe is de groeibehoefte van stallen bepaald?
Voor het scenario met PAS (generiek Rijksbeleid plus provinciaal beleid Noord-Brabant en Limburg) zijn voor 2020 en 2030 alternatieve scenario’s doorgerekend waarin voor alle stallen de dieraantallen uit 2014 zijn gebruikt. De depositiebijdrage die hieruit volgt is afgetrokken van de berekende sectorbijdrage in de toekomst met wel (netto) groei in dieraantallen. Het resultaat is de netto groeibehoefte van stallen, uitgedrukt in depositie. Met deze netto groeibehoefte is rekening gehouden in de totale depositie en daarom is deze behoefte ook opgenomen in de depositieruimte.

Aanvullend is berekend welk deel van de totale berekende depositie naar verwachting gaat ‘schuiven’ van eigenaar omdat er bedrijven stoppen en de bedrijfsmiddelen/dierrechten overgenomen worden door andere bedrijven. Deze ‘stoppersdepositie’ heeft geen effect op de totale berekende depositie (de depositie was er immers al), maar is wel relevant voor de berekening van depositieruimte. De bedrijven die de dierrechten van de stoppers overnemen hebben namelijk ontwikkelingsruimte nodig, ook al gaat het om reeds bestaande depositie. Daarom is in Monitor berekend wat naar verwachting de benodigde ontwikkelingsruimte vanwege ‘stoppers’ is. Deze ‘stoppersbehoefte’ is toegevoegd aan de ontwikkelingsbehoefte van de landbouw en daarmee ook aan de depositieruimte.

Let op: De bovenstaande groeibehoefte is de groei zoals opgenomen in de totale depositie en depositieruimte. De uiteindelijke totale ontwikkelingsbehoefte van stallen zoals Monitor die berekent kan hier (lokaal) van afwijken, door de aanlevering van Prioritaire Projecten voor stallen (bepalen ontwikkelingsbehoefte). De prioritaire projecten voor stallen zijn namelijk alleen relevant bij de behoefteberekening en voor de benodigde reservering van ruimte in segment 1. Ze hebben dus geen invloed op de berekening van de omvang van de depositieruimte en de totale depositie.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
392-3208
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositieruimte

Versie: 
01-09-2017

In het kort
Depositieruimte is de ruimte (uitgedrukt in stikstofdepositie) die met de inwerkingtreding van het PAS beschikbaar is gekomen voor alle nieuwe (economische) ontwikkelingen die vanaf het begin van het PAS plaats vinden. De totale toekomstige depositie inclusief de depositieruimte is ecologisch beoordeeld in de gebiedsanalyses, in combinatie met de herstelmaatregelen die in het kader van het PAS worden genomen. Bij het berekenen van de toekomstige totale deposities is al rekening gehouden met het volledig uitgeven van de depositieruimte. Daarmee is het uitgeven van de berekende depositieruimte ecologisch ook beoordeeld.

Depositieruimte wordt uitgedrukt in stikstofdepositie per hexagoon (mol/ha/jaar). Monitor berekent voor de beschouwde toekomstjaren (2020 en 2030) per relevant hexagoon de totale beschikbare depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Monitor berekent ten behoeve van AERIUS Register ook de verdeling van de depositieruimte over vier segmenten:

  • autonome ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit nodig is (NTVP)
  • projecten met een depositiebijdrage lager dan de grenswaarde van 1 mol/ha/jaar (GWR)
  • Prioritaire Projecten (PP): segment 1
  • overige projecten (ontwikkelingen) die boven de grenswaarde uitkomen: segment 2.

De verdeling van de depositieruimte in de vier segmenten is niet zichtbaar in de gebruikersapplicatie van Monitor. Wel is deze indeling op gebiedsniveau terug te vinden in de gebiedssamenvattingen behorende bij Monitor.

Monitor toont alleen de depositieruimte op relevante hexagonen waar tevens sprake is van een (mogelijke of naderende) overbelasting van stikstofdepositie. Deze set van hexagonen is rekenkundig bepaald met Monitor 2016L.  Hexagonen waar de totale depositie in alle doorgerekende jaren ook na het realiseren van alle voorziene ontwikkelingsbehoefte nog steeds tenminste 70 mol/ha/jaar onder de meest kritische KDW blijft zijn wel opgenomen in Register, maar worden niet getoond in Monitor.

Hoe is in Monitor de totale depositieruimte berekend?
De totale depositieruimte wordt uitgedrukt in stikstofdepositie per hexagoon (mol/ ha/jaar) en bestaat uit drie delen:

  1. de groeibehoefte voor alle nieuwe ontwikkelingen in Nederland, waarmee al rekening is gehouden bij het berekenen van de toekomstige totale depositie
  2. de helft van het berekende depositie-effect als gevolg van het aanvullend PAS beleid van het rijk
  3. de helft van het berekende depositie-effect als gevolg van het aanvullend provinciaal PAS beleid in Limburg

1. Groeibehoefte per sector zoals ook opgenomen in de totale depositie
Het deel van de toekomstige depositiebijdrage dat het gevolg is van de voorzien economische groei binnen alle sectoren, is de totale groeibehoefte. Monitor houdt rekening met een (sectorafhankelijke) economische groei. Zonder deze economische groei, zou de toekomstige depositiebijdrage lager zijn.

De groeibehoefte is op sectorniveau bepaald. Voor de meeste sectoren is de groeibehoefte gebaseerd op de emissiegroei in het PBL scenario uit de NEV 2015 dat uitgaat van een hoge economische groei inclusief vaststaand en voorgenomen beleid. RIVM hanteert dit scenario ook bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De emissiegroei als gevolg van dit scenario wordt in deze factsheet aangeduid als 'RIVM emissiegroei'. De RIVM emissiegroei is in Monitor ruimtelijk verdeeld over Nederland volgens de ‘waterbedmethode’. Deze methode houdt in dat de emissiegroei binnen een sector zoveel mogelijk toebedeeld is aan plaatsen waar ook veel economische ontwikkelingen worden voorzien voor de desbetreffende sector. Aan andere plaatsen is dan minder groei toebedeeld omdat daar ook minder ontwikkelingen worden voorzien.
Bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten verdeelt RIVM de emissiegroei naar rato van de omvang van de bestaande emissies, en dit betekent dat in de GCN/GDN kaarten meer groei wordt toebedeeld aan locaties waar de bestaande emissies hoger zijn. De waterbedmethode in Monitor deelt de emissiegroei toe aan locaties waar ontwikkelingen zijn gepland. 

Voor een aantal sectoren is in Monitor niet van de RIVM emissiegroei uitgegaan, maar van een ‘verfijnde’ groeibehoefte op basis van (emissie)gegevens die zijn aangeleverd door partijen die verantwoordelijk zijn voor deze gegevens (bronhouders). Ook zijn er sectoren waar in principe wel is uitgegaan van de RIVM emissiegroei, maar waar lokaal een (beperkte) ophoging voor de groei heeft plaatsgevonden door het mogelijk maken van specifieke projecten bovenop het ‘waterbed’. Ook deze sectoren hebben een ‘verfijnde’ emissie (waterbedmethode).

2. Extra depositieruimte door aanvullend rijksbeleid
Het generieke Rijksbeleid (de PAS-maatregelen voor de veehouderij) zorgt voor een afname in emissies bij de sectoren ‘mest’ en ‘stalemissies’ ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Daardoor is de depositiebijdrage van deze sectoren in het scenario met aanvullend rijksbeleid lager dan in de autonome ontwikkeling. De helft van dit berekende depositie-effect is beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen. Bij de totale depositie in de beleidsscenario’s met PAS wordt hiermee rekening gehouden. Deze extra depositieruimte is niet terug te vinden in de sectorbijdragen, maar is opgenomen onder ‘overige depositie’.

3. Extra depositieruimte door aanvullend beleid provincies
Met monitor is het effect van het aanvullend beleid van de provincie Limburg en Noord-Brabant op de depositie in 2020 en 2030 berekend. Voor Limburg is de helft van dit depositie-effect opgeteld bij de depositieruimte. In de totale depositie voor het scenario met aanvullend PAS beleid van rijk en provincies is hiermee rekening gehouden. Daarbij is aangenomen dat alle beschikbare depositieruimte volledig wordt opgevuld. De extra depositieruimte door het beleid van Limburg is ook opgenomen onder ‘overige depositie’ en niet bij de sectorbijdrage van stallen.

Begrenzingen op depositieruimte in AERIUS Register
Op een beperkt aantal hexagonen neemt bij volledige uitgifte van de depositieruimte de depositie in 2020 (en 2030) toe ten opzichte van 2014. Voor die hexagonen is de depositieruimte in AERIUS Register begrensd zodat de totale berekende depositie in 2020 op het niveau van 2014 blijft. De depositieruimte is begrensd door de hoeveelheid beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2 te verkleinen.
Er zijn daarnaast hexagonen met een depositiestijging ten opzichte van 2014 die wordt veroorzaakt door projecten die al eerder zijn getoetst op grond van de Nb-wet, waarvoor indien noodzakelijk een ADC-toets (Alternatieven, Dwingende redenen van groot openbaar belang en Compenserende maatregelen) is doorlopen en een Nb-wet vergunning is verleend. De effecten van de toename van depositie op die hexagonen zijn reeds gecompenseerd. Voor die hexagonen wordt de totale depositieruimte om die reden onder het PAS niet begrensd. Tot slot is in Register de zogenoemde stoppersruimte voor stallen zoals die berekend is met Monitor over de eerste PAS-periode verdeeld.

Hoe verdeelt Monitor de depositieruimte over de vier segmenten?
Monitor onderscheidt ten behoeve van Register vier segmenten van nieuwe ontwikkelingen:

  • Autonome ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit (zoals vergunning) nodig is (NTVP).
  • Projecten met een depositiebijdrage die lager is dan de grenswaarde (1 mol/ha/jaar). Na inwerkingtreding van het PAS, geldt voor deze ontwikkelingen in bepaalde gevallen alleen nog een meldingsplicht. Het deel van de depositieruimte voor deze projecten is de zogenoemde GrensWaardeReservering (GWR).
  • Prioritaire projecten (PP). Deze worden aangeduid als ‘segment 1’ projecten
  • Overige projecten waarvan de depositiebijdrage in het desbetreffende Natura2000 gebied boven de grenswaarde uitkomt. Deze overige projecten worden aangeduid als ‘segment 2’ projecten. Overige projecten met een depositiebijdrage onder de grenswaarde vallen onder de GWR voor dat gebied.

Het verdelen van de depositieruimte in segmenten gebeurt in een aantal stappen:

  1. Eerst wordt depositieruimte gereserveerd voor NVTP en GWR, uitgaande van de voorziene ontwikkelingsbehoefte voor NVTP en GWR.
  2. Vervolgens wordt depositieruimte gereserveerd voor Prioritaire Projecten in segment 1, uitgaande van de berekende ontwikkelingsbehoefte voor deze projecten.
  3. De resterende depositieruimte is de beschikbare depositieruimte voor projecten in segment 2.

Lokaal kan het voorkomen dat er niet genoeg ontwikkelingsruimte is om te voorzien in de totale behoefte van alle projecten, ook niet na een eventuele ophoging van de totale depositie en depositieruimte tot een maximum van 70 mol/ha/jaar onder de KDW. Op deze hexagonen berekent Monitor dan een (voorzien) tekort in ontwikkelingsruimte.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
385-3204
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen effecten voermaatregelen

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Monitor houdt bij de berekening van de toekomstige emissies van stallen rekening met de effecten van voer- en managementmaatregelen. Dit effect wordt in rekening gebracht door middel van een correctiefactor. De factor wordt alleen toegepast op de emissies van melkkoeien (RAV code A1) en vrouwelijk jongvee (RAV code A3).

Hoe is de correctiefactor voor het effect van voerbeleid bepaald?
Om te komen tot deze correctiefactor zijn de volgende stappen doorlopen:

  • Er is berekend met welke factor de som van de emissies van melkkoeien (A1) en vrouwelijk jongvee (A3) moet worden vermenigvuldigd om een absolute reductie van 3 kton te behalen in 2020 en 2030. Dit gebeurt met de volgende formule:
    \[
    Correctiefactor=\frac{Som\ emissies-3\ kton}{Som\ emissies}
    \]
    Voor de emissies wordt hierbij uitgegaan van de emissies in het scenario met generiek Rijksbeleid PAS (maar zonder provinciaal beleid).
     
  • De correctiefactor wordt toegepast op alle berekende emissies van melkkoeien (A1) en vrouwelijk jongvee (A3) in de scenario’s met generiek Rijksbeleid PAS zonder provinciaal beleid en generiek Rijksbeleid PAS met provinciaal beleid.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
396-3209
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen emissies stallen

Versie: 
07-11-2016

In het kort
De emissies ammoniak (NH3) uit stallen zijn berekend in de database van AERIUS, op basis van onder meer dieraantallen, emissiefactoren en beleidsregels. De emissies zijn bepaald per jaar en beleidsscenario. Op basis van de in AERIUS berekende emissies zijn de depositiebijdrage van stallen en de groeibehoefte berekend. Deze factsheet beschrijft de werkwijze bij het bepalen van de stalemissies.
Voor de emissies stikstofoxiden (NOX) uit stallen gaat Monitor uit van de emissiebestanden en de ruimtelijke verdeling van de emissies uit het project Emissieregistratie van het RIVM.

Hoe zijn in Monitor de emissies NH3 van stallen berekend?
De NH3 emissieberekening voor stallen doorloopt de volgende stappen:

  1. Uitgangspunt vormen de gegevens uit de Landbouwtelling 2015 (LBT2015) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), waarin voor stallen in Nederland is aangegeven: locatie, stalsysteem en dieraantallen. Het betreft gegevens over de gemiddelde stalbezetting in 2014. Wanneer geen gegevens over de gemiddelde stalbezetting in 2014 beschikbaar zijn, gaat Monitor voor 2014 uit van de gemiddelde stalbezetting per 1 april 2015.   
     
  2. De basisemissie per stal per dier is direct afhankelijk van het staltype. Monitor gaat uit de emissiefactoren per staltype uit de Regeling ammoniak veehouderijen die gepubliceerd is op 24 juni 2015 en in werking is getreden op 1 augustus 2015. Op basis van de dieraantallen (stap 1) en de emissie per staltype is de basisemissie per stal berekend voor het jaar 2014. Voor alle melkvee is vervolgens een provincieafhankelijke weidereductie toegepast.
     
  3. Voor de varkens- en pluimveebedrijven die volgens de emissieberekening op bedrijfsniveau in 2014 nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarden in het toen geldende Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting), zijn de emissies van alle stallen in 2014 op het emissieplafond gezet. Daarmee voldoen de bedrijven rekenkundig alsnog aan het Besluit huisvesting. Het gaat hier om veehouderijbedrijven die onder het Actieprogramma Ammoniak Veehouderij (de ‘stoppersregeling’) vallen. Dat betekent dat ze op een andere manier dan via het technische stalsysteem mogen (en zullen) voldoen aan de wettelijke emissie-eisen (op bedrijfsniveau).
     
  4. De berekende emissies voor 2014 zijn per ‘NEMA-categorie’ opgeteld en vergeleken met de NEMA-emissies voor 2014. Dit levert per ‘NEMA-categorie’ een factor op die wordt opgeslagen om aan het einde toe te passen op de berekende emissies in alle scenario’s en jaren (NEMA-correctie).
     
  5. De emissies voor 2015 zijn bepaald op basis van interpolatie van de emissies zoals berekend voor de referentiesituatie 2014 en het zichtjaar 2020 (inclusief omlaag zetten van de emissie van bepaalde veehouderijen bij stap 3).
     
  6. Voor 2020 en 2030 is uitgegaan van aangepaste dieraantallen (groei). De dieraantallen in de toekomst zijn gebaseerd op de dieraantallen in de LBT2015 en een netto groei zoals die volgt uit gegevens van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL): groeipercentages dieraantallen. Voor alle beleidsscenario’s is bij de emissieberekening uitgegaan van een zelfde groei. Het effect van stagnerende groei bij de autonome ontwikkeling is niet op emissieniveau bepaald, maar via een correctie achteraf op de berekende depositie (bepalen stagnatiecorrectie stallen). In de volgende situaties zijn de dieraantallen in de toekomstjaren per definitie gelijkgesteld aan de dieraantallen in 2014 (geen groei meegenomen):
    - Bij diercategorieën waar sprake is van gelijkblijvende dieraantallen of van netto krimp tussen 2014 en de toekomstjaren (geen netto groei aanwezig).
    - Bij bedrijven die in 2014 rekenkundig omlaag zijn gezet in emissie (stap 3).
    - Bij zogenoemde hobbyboeren. Een bedrijf is aangemerkt als hobbyboer wanneer de totale emissie NH3 in 2014, na toepassing van een provincieafhankelijke emissiereductie voor dieren die beweid worden (de zogenoemde ‘weidereductie’), kleiner is dan 100 kg/jaar.
     
  7. Voor 2020 en 2030 is in alle scenario’s uitgegaan van aangepaste (lagere) emissiefactoren voor alle stallen die in de huidige situatie op stalniveau nog niet voldoen aan de geldende emissiegrenswaarden. Die geldende emissiegrenswaarden hangen af van het beleidsscenario: in het scenario met PAS is uitgegaan van het aangescherpte Besluit huisvesting (Besluit emissiearme huisvesting, dat in 2015 in werking is getreden) dus van lagere emissiegrenswaarden dan in het scenario zonder PAS. Eerst is per beleidsscenario berekend wat in een toekomstjaar het totale reductiepotentieel is van alle stallen die nu nog niet voldoen (maar die op het moment dat ze vervangen worden wel zullen gaan voldoen). Dat theoretisch reductiepotentieel is vermenigvuldigd met het vervangingspercentage van het betreffende jaar (factsheet vervangingspercentage stallen), om zo de reële voorziene reductie in het toekomstjaar te berekenen. Bijvoorbeeld als in een bepaald jaar 50% van alle stallen vervangen zal zijn, is de potentiële reductie maal 0,5 gedaan. Vervolgens is de aldus berekende voorziene emissiereductie verdeeld over alle stallen die nog niet voldoen op dat moment. Deze verdeling gebeurt door het bepalen van een ‘rekenkundig’ plafond (dat dus nog wel hoger is dan de daadwerkelijke emissiegrenswaarde, maar wel al lager dan de gemiddelde uitstoot van een stal die niet voldoet), en daaraan zijn dan alle stallen getoetst (en indien nodig omlaag gezet). Op die manier is gerekend met lagere emissies ten gevolge van het beleid, dat ervoor zorgt dat de beschouwde stallen steeds schoner wordt.
     
  8. De emissies in 2020 en 2030 zijn vervolgens berekend op dezelfde wijze als de emissies in 2014, met als enige verschil dus de reeds genoemde dieraantallen (effect groei) en schonere emissiefactoren (effect beleid).
     
  9. De stalemissies zoals ze zijn berekend in stap 1 t/m 8 zijn vervolgens vermenigvuldigd met de eerder berekende NEMA-factor (stap 4). Dit leidt ertoe dat in 2014 de emissies in lijn zijn met de NEMA emissies voor dat jaar.
     
  10. Tot slot is in beide beleidsscenario’s met generiek Rijksbeleid van de PAS, de emissie van melkkoeien en vrouwelijk jongvee zodanig percentueel verlaagd, dat zowel in 2020 als in 2030 een extra emissiereductie van 3 kiloton wordt behaald. Dit is het voorziene effect van de voer- en managementmaatregelen die in het kader van de PAS worden genomen. Dit effect treedt niet op in de autonome ontwikkeling en is daarom alleen relevant in de scenario’s met PAS

Hoe zijn in Monitor de groei-emissies NH3 berekend?
De netto groei van stallen is berekend door voor het scenario met PAS een aanvullend scenario te modelleren voor zowel 2020 als 2030, waarbij de dieraantallen gelijk zijn gehouden aan de dieraantallen in 2014. Hiermee is een scenario zonder groei gesimuleerd dat aanvullend is doorgerekend. De emissies en deposities zijn in dit scenario lager dan in het gewone scenario met groei en het verschil is de netto groei zoals die in de depositieruimte is opgenomen.

Voor het berekenen van de stoppersruimte is ook een extra scenario gemodelleerd voor zowel 2020 als 2030, waarbij de emissies verminderd zijn met de ‘stoppersemissie’. Dit aanvullende scenario is ook doorgerekend en het verschil met het gewone scenario is de stoppersruimte. Deze ruimte is ook opgenomen in de depositieruimte (bepalen ontwikkelingsruimte stoppers).

Welke NOX emissies voor stallen hanteert Monitor?
Monitor 2016 gaat voor NOX uit van de emissiebestanden en de ruimtelijke verdeling van de emissies uit het project Emissieregistratie van het RIVM. Deze NOX emissies zijn beschikbaar voor gridcellen van 500x500 meter.
De NOX emissies voor stallen waarvan Monitor uitgaat, vormen ook de basis voor de GCN/GDN kaarten.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
391-3210
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen ontwikkelingsbehoefte

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Monitor berekent voor de beschouwde toekomstjaren (2020 en 2030) op hectareniveau de ontwikkelingsbehoefte per sector. Uit de vergelijking van de berekende ontwikkelingsbehoefte met de berekende depositieruimte, blijkt waar sprake is van een (mogelijk) tekort aan of overschot van ontwikkelingsruimte.

Bij het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte maakt Monitor onderscheid tussen:

  • De ontwikkelingsbehoefte van Prioritaire Projecten (segment 1).
  • De ‘overige’ ontwikkelingsbehoefte van projecten en ontwikkelingen die op dit moment nog niet concreet zijn.

Afhankelijk van de sector valt deze behoefte:

  • volledig onder ‘ontwikkelingen die niet toestemmings- of vergunningsplichtig zijn’ (segment NTVP), of
  • voor 30% onder de ‘ontwikkelingen onder de grenswaarde’ (segment GWR) en voor de overige 70% onder ‘overige voorziene groei’ (segment 2).

Hoe berekent Monitor de ontwikkelingsbehoefte van Prioritaire Projecten?
Monitor berekent de ontwikkelingsbehoefte van de prioritaire projecten (segment 1 behoefte) in beginsel per project, op basis van aangeleverde projectgegevens. Bij enkele sectoren is de behoefte van de prioritaire projecten (deels) op een afwijkende wijze bepaald en/of verdeeld over de segmenten:

  • Bij het hoofdwegennet (HWN) gaat Monitor uit van de totale, cumulatieve ontwikkelingsbehoefte voor autonome ontwikkelingen, MIRT projecten en uitbreiding van 130 km/uur zoals die ook is opgenomen in de totale depositie. Het resultaat is de cumulatieve behoefte voor autonome ontwikkelingen, MIRT projecten en uitbreiding van 130 km/uur. Deze totale behoefte is als geheel beschouwd als ‘Prioritair Project HWN’ (segment 1). Er is geen sprake van ‘overige behoefte’ voor het HWN
  • Bij het onderliggend wegennet (OWN) gaat Monitor uit van de cumulatieve RIVM ontwikkelingsbehoefte voor autonome ontwikkelingen, eventueel lokaal opgehoogd om voldoende ruimte te bieden voor alle locatiespecifieke (NSL) projecten op SRM2 wegen zoals die volgen uit de aangeleverde provinciale netwerken. Deze cumulatieve ontwikkelingsbehoefte inclusief lokale ophogingen is de totale behoefte voor het OWN en deze behoefte is als geheel opgenomen als ‘prioritaire behoefte’ (segment 1). Er is ook voor het OWN dus geen sprake van ‘overige behoefte’
  • Bij railverkeer is de totale ontwikkelingsbehoefte zoals opgenomen in de depositieruimte en totale depositie volledig beschouwd als prioritaire behoefte (segment 1). Voor railverkeer is daarom eveneens geen sprake van een overige ontwikkelingsbehoefte
  • Voor het Rijnmondgebied is de totale berekende ontwikkelingsbehoefte beschouwd als prioritaire behoefte. Het gaat om behoefte voor binnenvaart, zeescheepvaart en ENINA (inclusief mobiele bronnen). Er is voor het Rijnmondgebied geen sprake van overige behoefte voor deze sectoren. De totale ontwikkelingsbehoefte is geplaatst in segment 1
  • Voor luchtvaart geldt dat de ontwikkelingsbehoefte van de verfijnde luchthavens en de luchtvaartprojecten van het ministerie van Defensie beschouwd worden als prioritaire behoefte. Deze behoefte is opgenomen in segment 1. De behoefte van de overige (niet verfijnde) luchthavenemissies is beschouwd als ‘overige ontwikkelingen’ binnen de sector luchtvaart.

Hoe berekent Monitor de ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen?
Naast het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte voor de prioritaire projecten berekent Monitor voor iedere sector ook ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen. Alleen voor de sectoren Rijnmondgebied, Hoofdwegennet, Onderliggend wegennet en Railverkeer is geen ontwikkelingsbehoefte voor overige ontwikkelingen berekend, omdat alle berekende ontwikkelingsbehoefte voor deze sectoren per definitie als prioritair wordt beschouwd.

De totale ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen is berekend door de totale groeibehoefte van een sector (uitgedrukt in depositie) te verminderen met de totale ontwikkelingsbehoefte voor de Prioritaire Projecten in die sector. Afhankelijk van de sector is de ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen vervolgens verdeeld over de segmenten NTVP, GWR en segment 2:

In NTVP is de overige ontwikkelingsbehoefte van de volgende sectoren opgenomen:

  • Consumenten
  • Handel, Dienst en Overheid (HDO)
  • Luchtvaart (niet verfijnde gedeelte)
  • Zeescheepvaart NCP
  • Scheepvaart overig
  • Landbouwemissies, met uitzondering van de glastuinbouw en stallen (NH3).

In segment 2 en GWR is de overige ontwikkelingsbehoefte van de overige sectoren opgenomen. Daarbij is 30% van de ontwikkelingsbehoefte van een sector in GWR is geplaatst en 70% in segment 2. Het gaat om de volgende sectoren:

  • Energie, Industrie en Afvalverwijdering (ENINA)
  • Mobiele werktuigen
  • Binnenvaart
  • Zeescheepvaart
  • Stallen (NH3)
  • Glastuinbouw

Voor enkele sectoren kan de hierboven beschreven aanpak betekenen dat er geen ontwikkelingsbehoefte berekend wordt voor overige ontwikkelingen, omdat de totale ontwikkelingsbehoefte van de prioritaire projecten al 100% (of meer) inneemt van de totale groeibehoefte die voor die sector is opgenomen in de depositieruimte. Voor enkele sectoren vormt dit geen belemmering, omdat er geen ontwikkelingsbehoefte als gevolg van overige ontwikkelingen verwacht wordt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de sectoren hoofdwegennet, railverkeer, mobiele werktuigen (projecten hoofdwatersystemen) of luchtvaart. Voor bepaalde sectoren is het echter niet reëel om aan te nemen dat er naast de prioritaire projecten geen andere ontwikkelingen in Nederland zullen plaatsvinden. Voor die sectoren berekent Monitor alsnog een ontwikkelingsbehoefte als gevolg van overige ontwikkelingen:

  • Voor stallen geldt dat als meer dan 70% van de totale berekende groeibehoefte zoals opgenomen in de depositieruimte al wordt ingevuld door een reservering voor prioritaire projecten, de overige behoefte op die plek is opgehoogd zodat deze altijd minimaal 30% blijft van de oorspronkelijk berekende groeibehoefte
  • Voor de sectoren ENINA, glastuinbouw, consumenten, zeevaart (buiten NCP), HDO en binnenvaart geldt dat altijd een minimale overige behoefte is aangehouden van 20% van de groeibehoefte in depositie die je voor de sector zou hebben berekend als alle RIVM groei evenredig over de bestaande emissiebronnen in Nederland was gemodelleerd (waarbij iedere bestaande emissiebron dezelfde percentuele groei krijgt)

Let op: Het gaat hier om een ophoging van de voorziene ontwikkelingsbehoefte. Het is een beleidsmatig gekozen rekenregel die moet voorkomen dat de voorziene totale ontwikkelingsbehoefte onderschat wordt. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat een te optimistisch beeld wordt geschetst van de te verwachte tekorten. Het ophogen van de ontwikkelingsbehoefte heeft géén gevolgen voor de totale depositie of de depositieruimte.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
387-3205
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen ontwikkelingsruimte stoppers

Versie: 
07-11-2016

In het kort
In Monitor is ontwikkelingsruimte berekend die vrijkomt door de zogenoemde stoppers in de landbouw. Deze ontwikkelingsruimte is nodig voor die situaties waar een veehouderij stopt en een ander bedrijf de dierrechten/bedrijfsmiddelen overneemt. In dit geval heeft het bedrijf dat de rechten overneemt ontwikkelingsruimte nodig, maar omdat er geen sprake is van een netto groei in dieren wordt hier in principe geen ontwikkelingsruimte voor berekend. De apart berekende ‘stoppersruimte’ die is berekend in Monitor is opgenomen in de depositieruimte en voorziene ontwikkelingsbehoefte voor de landbouw. De stoppersruimte heeft geen gevolgen voor de totale depositie per hexagoon, omdat het niet gaat om ‘nieuwe’ depositie maar om ‘bestaande’ depositie die vrijkomt voor nieuwe ontwikkelingen.

Hoe is de ontwikkelingsruimte voor stoppers berekend?
De ontwikkelingsruimte voor stoppers is berekend door in 2020 en 2030 alle veehouderijen die geen hobbyboer zijn (bedrijfsemissies van meer dan 100 kg/jaar) en die tevens buiten 1 km van Natura2000 gebieden liggen, te laten krimpen met de helft van het percentage van het aantal landbouwbedrijven dat in de betreffende provincie stopt. De depositieruimte die dit oplevert is de stoppersruimte. De percentages per provincie zijn in juli 2014 aangeleverd door de provincies en aangegeven in onderstaande tabel.

Provincie Percentage stoppers tot 2021
Drenthe 7,9 %
Flevoland 8,3 %
Friesland 7,3 %
Gelderland 9,2 %
Groningen 7,5 %
Limburg 9,8 %
Noord-Brabant 9,4 %
Noord-Holland 9,3 %
Overijssel 8,7 %
Utrecht 8,3 %
Zeeland 7,8 %
Zuid-Holland 7,8 %

 

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
394-3211
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen stagnatiecorrectie stallen

Versie: 
07-11-2016

In het kort
In het scenario 'autonome ontwikkeling' is aangenomen dat stallen minder kunnen uitbreiden dan gewenst, vanwege de eisen die Nb-wet stelt aan de vergunningverlening. Deze stagnatie in de gewenste groei wordt het ‘stagnatie-effect’ genoemd. De PAS voorkomt deze stagnatie.

De stagnatie in de autonome ontwikkeling is groter naarmate de stallen dichter bij de Natura 2000-gebieden in het PAS liggen. Uitgangspunt is dat zonder PAS de groei bij stallen binnen 5 km van deze gebieden voor 85% zal stagneren en voor stallen buiten 5 km voor 20%.

Het effect van de stagnatie op de depositiebijdrage van stallen is berekend en vervolgens toegepast als een correctie op de berekende depositiebijdrage van stallen in de situatie met PAS.

Hoe is de stagnatiecorrectie berekend?
1. Eerst is de depositiebijdrage van stallen als gevolg van de groei in de autonome ontwikkeling  berekend voor een situatie zonder stagnatie. Dit is gedaan door voor de autonome ontwikkeling een aanvullende berekening te doen voor 2020 en 2030 waarin de dieraantallen in de toekomst gelijk zijn gehouden aan de dieraantallen in 2014.
2. Vervolgens is een zelfde berekening gedaan van de depositiebijdrage van alleen de stallen buiten 5 km van N2000 gebieden.
3. Op basis van deze berekeningen is bepaald wat in de autonome ontwikkeling de groeibehoefte is van bedrijven binnen en buiten 5 km van N2000 gebieden.
4. Vervolgens is 85% van de groeibehoefte van bedrijven binnen 5 km opgeteld bij 20% van de groeibehoefte van bedrijven buiten 5 km, en dit is het stagnatie-effect.

Het berekende stagnatie-effect is afgetrokken van de totale berekende depositie in de autonome ontwikkeling, uitgaande van een hoge economische groei. Het resultaat is de depositiebijdrage van stallen in de autonome ontwikkeling, uitgaande van stagnatie.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
395-3212
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen totale depositie

Versie: 
01-09-2017

In het kort
Monitor toont zowel de totale stikstofdepositie als de opbouw van de depositie in Natura 2000-gebieden, voor de referentiesituatie (2014), het gepasseerde jaar en de toekomstjaren 2020 en 2030. Monitor laat kaartlagen zien, waarbij op het meest gedetailleerde zoomlevel de depositie is weergegeven per hexagoon met een oppervlak van 1 ha. Tevens zijn in Monitor en de bijbehorende rapportages gemiddelde deposities per Natura2000 gebied of per habitattype in een gebied terug te vinden. Daarbij wordt altijd alleen gemiddeld over relevante hexagonen.

Tenzij expliciet aangegeven, is de totale depositie in Monitor altijd de depositie in het scenario met PAS. Het scenario met PAS is op sectorniveau alleen voor de sectoren stallen en mest afwijkend van de autonome ontwikkeling.

Bij de opbouw van de totale deposities in het scenario met PAS maakt Monitor onderscheid tussen:

  • de depositie van Nederlandse sectoren
  • de depositie van buitenlandse bronnen
  • overige depositie

 

Een deel van de extra depositiedaling die ontstaat door PAS maatregelen mag worden gebruikt voor nieuwe ontwikkelingen. Bij het bepalen van de totale depositie in toekomstjaren is hiermee rekening gehouden. Deze extra depositieruimte door beleid is opgenomen onder de ‘overige depositie’.

Hoe is de depositiebijdrage van Nederlandse sectoren berekend?
De depositiebijdrage per sector is gebaseerd op beschikbare gegevens over de feitelijke emissies en de voorziene emissieontwikkeling per sector die rekening houdt met een bepaalde economische groei (nieuwe ontwikkelingen binnen de sector) en met effecten van beleid (bijvoorbeeld stimulering schonere technieken).

Monitor maakt bij het bepalen van de depositiebijdrage per sector onderscheid tussen niet-verfijnde sectoren en verfijnde sectoren.

  • Voor de niet-verfijnde sectoren maakt Monitor direct gebruik van de emissiebestanden en ruimtelijke verdeling van de emissies uit het project Emissieregistratie (ER) van het RIVM. Op basis hiervan wordt de depositiebijdrage berekend voor het jaar 2013 (het basisjaar van de emissies in de ER). Om te komen tot depositiebijdragen in 2014, 2015, 2020 en 2030 vindt schaling plaats van de berekende depositiebijdragen in 2013. De schaalfactoren zijn afgeleid van de emissieontwikkeling per sector op basis van het PBL scenario in de NEV 2015 dat uitgaat een hoge economische groei en de uitvoering van vaststaand en voorgenomen beleid. De emissies en emissieontwikkeling waarvan Monitor uitgaat voor niet-verfijnde sectoren vormen ook de basis voor de GCN/GDN kaarten.
  • Voor de verfijnde sectoren wordt in beginsel uitgegaan van emissiegegevens die zijn aangeleverd door de partijen die verantwoordelijk zijn voor deze gegevens (‘bronhouders’). Dit betekent dat de totale emissies en emissieontwikkeling kunnen afwijken van de emissies uit de Emissieregistratie of de emissiegroei op basis van het landelijke scenario voor deze sectoren. Daarnaast kunnen sectoren deels verfijnd zijn, omdat voor de toekomst (lokaal) extra groei is meegenomen bovenop de niet-verfijnde emissieontwikkeling voor deze sector, om specifieke projecten mogelijk te maken. De sector is dan niet als geheel verfijnd (de emissies uit de Emissieregistratie en de landelijke scenario's vormen nog steeds de basis voor de emissieontwikkeling), maar uiteindelijk wordt hier door de ophogingen wel (beperkt) van afgeweken en is dus wel sprake van een ‘verfijning’ van emissies

 

Onderstaande tabel geeft aan voor welke sectoren in Monitor verfijningen zijn doorgevoerd voor de emissies of emissiegroei. Voor deze sectoren sluiten de emissietotalen in AERIUS dus niet één op één aan bij de emissietotalen waarvan RIVM is uitgegaan bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

Sectoren STOF GEBIED VERFIJNING 2014 VERFIJNING 2015, 2020, 2030
Stallen NH3 Nederland X X
Mest NH3 Nederland   X
ENINA, inclusief mobiele werktuigen NOx Rijnmondgebied X X
ENINA NOx, NH3 Buiten Rijnmondgebied   X
Mobiele werktuigen NOx Buiten Rijnmondgebied X X
Binnenvaart NOx Rijnmondgebied X X
Binnenvaart NOx Buiten Rijnmondgebied   X
Zeescheepvaart NOx Rijnmondgebied   X
Zeescheepvaart NOx Buiten Rijnmondgebied   X
Wegverkeer - HWN NOx, NH3 Nederland X X
Wegverkeer - OWN NOx, NH3 Nederland   X
Railverkeer NOX, NH3 Nederland   X
Luchtvaart NOx Nederland X X
Consumenten NH3 Nederland X X

ENINA staat voor Energie, Industrie en Afvalverwerking. Het Rijnmondgebied omvat het Haven en Industriecomplex Rotterdam (HIC Rotterdam), aangevuld met Maasvlakte 2. Bij luchtvaart gaat het om zowel burger- als militaire luchtvaart.

Hoe is de depositiebijdrage van buitenlandse bronnen berekend?
De bijdrage van buitenlandse emissies is berekend op dezelfde wijze als de bijdrage van Nederlandse sectoren. Er is gebruik gemaakt van de bronbestanden (emissies) die ook worden gebruikt door het RIVM bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

Hoe is de overige depositie berekend?
Monitor houdt bij de berekening van de totale deposities rekening met:

  • de bijdrage van ammoniakemissies uit zee (voorheen de ‘duinencorrectie’)
  • de bijtelling voor onverklaarde depositie
  • de extra depositieruimte die beschikbaar komt door PAS beleid
  • de ophoging om tekorten in ontwikkelingsruimte weg te werken, zolang de totale depositie ook met ophoging minstens 70 mol/ha/jaar onder de KDW blijft.

 

Bijdrage ammoniakemissies uit zee
Monitor berekent de depositiebijdrage als gevolg van ammoniakemissies uit zee (algen) op basis van de bronbestanden uit het project Emissieregistratie. De emissies in deze bronbestanden hebben een resolutie van 1x1 km. Deze depositiebijdrage is in alle jaren en beleidsscenario’s gelijk.

Bijtelling voor onverklaarde depositie
De bijtelling voor onverklaarde depositie is een correctie voor het verschil tussen gemeten en berekende concentratie- en depositiewaarden. Voor de NOX depositiebijdrage gaat Monitor uit van depositiewaarden voor de bijtelling die zijn aangeleverd door het RIVM (deze waarden gelden per 1x1 km en zijn ook gebruikt voor de GCN/GDN kaarten). Voor de NH3 depostiebijdrage is de bijtelling bepaald door de rekenresultaten van Monitor (zonder bijtelling) te vergelijken met RIVM metingen.

Extra depositieruimte door PAS beleid
De PAS maatregelen leiden tot lagere sectorbijdragen van stallen en mest in het scenario met PAS dan in de autonome ontwikkeling. De helft van de extra depositiedaling als gevolg van het generieke Rijksbeleid en de helft van de depositiedaling als gevolg van het beleid van Limburg komt weer beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Deze extra depositieruimte is opgeteld bij de totale berekende depositie in het scenario met PAS. Op die manier is bij de prognoses voor de totale depositie altijd al rekening gehouden met het volledig opvullen van alle beschikbare depositieruimte.

Ophoging tekorten tot een maximale totale depositie van 70 mol/ha/jaar onder de KDW
Voor ieder rekenpunt (hexagoon van 1 hectare) waar tekorten in ontwikkelingsruimte in 2020 en 2030 worden berekend maar de totale depositie meer dan 70 mol onder de KDW ligt, is de depositieruimte en totale depositie opgehoogd met het tekort, tot een maximum van 70 mol onder de KDW.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
384-3206
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Berekening depositiebijdrage bronnen op korte afstand van het rekenpunt

Versie: 
17-03-2017

In het kort
Wanneer een emissiebron op relatief korte afstand ligt van het rekenpunt, kan AERIUS waarden op dit rekenpunt berekenen die niet representatief zijn voor de gemiddelde depositiebijdrage in het hexagoon. In hexagonen waar dit optreedt, berekent AERIUS Monitor de depositiebijdrage op basis van subrekenpunten.

Hoe berekent AERIUS de depositiebijdrage van een bron dichtbij het rekenpunt?
AERIUS berekent de deposities per hexagoon met een oppervlakte van één hectare. Het rekenpunt ligt in het midden van de hexagoon. De berekende depositie op het rekenpunt wordt toegekend aan de gehele hexagoon van één hectare.

Indien de afstand tussen de emissiebron en het rekenpunt relatief kort is, kan de modelberekening een waarde opleveren die niet representatief is voor de depositiebijdrage op dit rekenpunt. Om dit te voorkomen definieert AERIUS, wanneer een bron binnen het hexagoon valt, in het desbetreffende hexagoon 397 subrekenpunten.

AERIUS berekent de depositie op al deze subrekenpunten. De berekende waarden worden vervolgens gemiddeld om te komen tot een realistische waarde voor de depositie in het gehele hexagoon. Bij deze middeling worden de subrekenpunten meegenomen die tenminste 20 meter van de bron zijn gelegen.

 

Factsheet

Factsheet
676-3247
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie
  • 17-03-2017

Dieraantallen per stalsysteem basisjaar

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
GLP
in werking (definitief)
GTP
onbekend
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
2016

Beschrijving gegevensset

De gegevensset omvat per stal gegevens over de locatie, stalsysteem en dieraantallen. Deze gegevens zijn gebruikt om voor de referentiesituatie 2014 de NH3 emissies van stallen te berekenen.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn overgenomen uit de onderstaande bron.

BronEigenaarSinds
Landbouwtelling 2015 (LBT2015)Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)12 mei 2016

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
418-3214
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Emissiegegevens Emissieregistratie

Kenmerken

Thema
Algemeen
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
RIVM
GLP
in voorbereiding
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
2016

Beschrijving gegevensset

Deze gegevens geven voor de verschillende bronsectoren die het RIVM onderscheidt in het project Emissieregistratie een overzicht van de totale emissies stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3) in 2013 en 2014. De gegevens voor 2013 geven ook inzicht in de ruimtelijke verdeling van de totale emissies.

De emissiegegevens vormen de invoer voor de berekening van de depositiebijdrage en groeibehoefte van de (deel)sectoren, met uitzondering van (deel)sectoren waarbij is uitgegaan van verfijnde emissies, zoals stallen, hoofdwegennet, luchthavens en bronnen in het Rijnmondgebied.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende aangeleverde gegevens:

BronEigenaarSinds
Emissies levering EmissieregistratieRIVM23 februari 2016

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe data wordt door de bronhouder gepubliceerd.
  • HarmonisatieDe data wordt omgezet naar een machine-leesbaar-formaat.
  • ValidatieDe gepubliceerde data wordt door een inhoudsdeskundige steekproefsgewijs geverifieerd.
  • TransformatieDe gepubliceerde data wordt door een inhoudsdeskundige steekproefsgewijs geverifieerd.

Factsheet

Factsheet
683-3249
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Factor weidereductie

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
CBS
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
19-05-2014

Beschrijving gegevensset

De factor weidereductie is de gemiddelde emissiereductie die in Monitor wordt toegepast op de emissies van alle weidedieren in een provincie.

De weidereductie is afhankelijk van de mate van beweiden (aantal dagen beweiding en aantal uren beweiding per dag). Deze weidereductie is afgeleid van gegevens die per provincie door het CBS zijn aangeleverd.

Om te komen van de CBS gegevens naar een weidereductiefactor per provincie zijn de volgende stappen genomen 

  1. De gemiddelde mate van beweiden bij alle dieren die beweid worden, bepaalt de omvang van de gemiddelde emissiereductie voor alle weidedieren in een provincie. De gehanteerde reductie is 5% bij een gemiddelde beweiding van 720-1500 uur per jaar, 10% bij een gemiddelde beweiding van 1500-2200 uur per jaar en 15% bij een gemiddelde beweiding van meer dan 2200 uur per jaar.
  2. De gemiddelde weidereductie die onder a. wordt berekend, is alleen van toepassing op de weidedieren binnen een provincie. Echter, in AERIUS wordt de rekenkundige weidereductie automatisch op alle melkvee toegepast, dus ook op de dieren die permanent opgestald worden. Daarom is de berekende weidereductie voor weidedieren naar beneden toe bijgesteld om te corrigeren voor het aandeel dieren dat permanent opgestald wordt in een provincie. Bijvoorbeeld, een provincie met een gemiddelde weidereductie van 10% voor alle weidedieren (gemiddelde beweiding van 1500-2200 uur per jaar) en een aandeel beweiding van 70% (dus 30% permanent opstallen), krijgt een rekenkundige reductie van (0,7 x 10% =) 7% op alle melkkoeien in de provincie.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Gegevens over mate van beweiding (per provincie en landbouwgebied)CBS

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
421-3215
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Groeipercentages dieraantallen

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
PlanBureau voor de Leefomgeving
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2016

Beschrijving gegevensset

Deze gegevens geven een overzicht van de groeipercentages voor de dieraantallen per diertype. De groeipercentages zijn overgenomen uit een groeiscenario (bovenraming) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). De groeipercentages worden toegepast om, op basis van de dieraantallen in de Landbouwtelling (LBT2015), te komen tot dieraantallen in de toekomstjaren 2020 en 2030.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de onderstaande bron. De PBL gegevens omvatten dieraantallen voor de jaren 2013 (op basis van landbouwtellingen), 2020 (scenario NEV2015 dieren hoog) en 2030 (scenario NEV2015 dieren hoog). De dieraantallen zijn uitgesplitst per diercategorie uit de RAV (zowel hoofdcategorieën als subcategorieën). Op basis van de PBL gegevens zijn in AERIUS per hoofdcategorie groeipercentages afgeleid voor de groei in 2020 en 2030 ten opzichte van de referentiesituatie 2014.

BronEigenaarSinds
Bestanden met dieraantallenPlanBureau voor de Leefomgeving27 mei 2016

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
419-3216
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

NEMA correctie

Versie: 
07-11-2016

In het kort
RIVM berekent de ammoniakemissies uit de landbouw met het model NEMA (National Emission Model for Agriculture). Om ervoor te zorgen dat de landelijke ammoniakemissies uit stallen die AERIUS Monitor 2016 berekent voor de referentiesituatie (2014) consistent zijn met de landelijke ammoniakemissies uit stallen op basis van het NEMA-model, is in Monitor 2016 een correctie toegepast op de berekende stalemissies: de NEMA-correctie.

Uitwerking
De NEMA-correctie is een correctie op de ammoniakemissies (NH3) uit stallen zoals die in AERIUS worden berekend voor 2014 op basis van de Landbouwtelling 2015 (LBT2015). De NEMA-correctie wordt toegepast nadat de emissies zijn berekend. Dat betekent dat toepassen van de NEMA correctie niet leidt tot een wijziging in de methodiek en uitgangspunten van AERIUS met betrekking tot het berekenen van de emissie en emissieontwikkeling per stal op basis van LBT2015 (bepalen emissies stallen).

De NEMA-correctie is toegepast in de vorm van een correctiefactor, de NEMA-factor genoemd. De NEMA-factor wordt vermenigvuldigd met de NH3 stalemissies zoals die berekend worden op basis van LBT2015. De NEMA-factor is voor alle jaren en beleidsscenario’s gelijk, maar kan wel verschillen per diertype. Dit is uitgewerkt door de NEMA-factor te bepalen per ‘NEMA-cluster’, waarbij in ieder cluster bepaalde diercategorieën samen zijn gevoegd.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de onderscheiden NEMA-clusters. Per NEMA-cluster is aangegeven welke NEMA-categorieën er binnen vallen: voor deze categorieën zijn door RIVM de NEMA emissies 2014 beschikbaar gesteld ten behoeve van Monitor 2016. De som van de NEMA-emissies van alle vermelde NEMA-categorieën samen, is gelijk aan de landelijke NEMA emissies voor stallen (NH3). Tevens is in de tabel voor ieder cluster aangegeven welke RAV-categorieën onder dit cluster vallen. Alle RAV-categorieën die relevant zijn voor Monitor 2015 zijn in een cluster ondergebracht.

In Monitor 2016 is voor het basisjaar van de LBT2015 per NEMA-cluster bepaald hoe groot het verschil is tussen enerzijds de NEMA-emissies en anderzijds de emissies die worden berekend op basis van de LBT2015. Op basis van dat verschil is per NEMA-cluster de NEMA-factor bepaald. Deze NEMA factor is toegepast op de met LBT2015 berekende stalemissies van alle stallen uit het betreffende cluster.

Nr Cluster ID Beschrijving nema cluster NEMA categorieËn RAV categorieën
1 MK Melkkoeien Melkkoeien A1
2 JF Stieren en jongvee fokkerij Jongvee fokkerij A3, A7
3 JM Jongvee mesterij Jongvee mesterij A6
4 ZW Zoog- en weidekoeien Zoog- en weidekoeien A2
5 VK Vleeskalveren Vleeskalveren A4
6 VV Vleesvarkens Vleesvarkens D3.3
7 PV Fokvarkens Fokvarkens D1.1, D1.2, D1,3, D2
8 K Kippen en overig pluimvee Leghennen / vleeskuikens E1, E2, E3, E4, E5, E6, F1, F2, F3, F4, G1, G2, J1, L1, L2, L3
9 S Schapen Schapen B1
10 G Geiten Geiten C1, C2, C3
11 PPE Paarden, pony's en ezels Paarden en pony's / Ezels K1, K2, K3, K4
12 KP Konijnen en pelsdieren Konijnen en pelsdieren I1, I2, H1

 

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
606-3213
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Netwerkgegevens hoofdwegennet

Kenmerken

Thema
Verkeer en vervoer
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu
GLP
in voorbereiding
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
2016

Beschrijving gegevensset

De netwerken voor het hoofdwegennet (HWN) in de PAS omvatten gegevens over de omvang en samenstelling van het verkeer op de wegvakken van het hoofdwegennet. Tevens zijn gegevens opgenomen over de kenmerken van de wegvakken, zoals de maximum snelheid, de hoogteligging en de aanwezigheid van afschermende constructies zoals geluidsschermen. Deze gegevens vormen de basis van de emissie- en verspreidingsberekeningen voor het wegverkeer op het HWN in AERIUS Monitor.
De netwerken zijn aangeleverd door Rijkswaterstaat. De aangeleverde netwerken omvatten:

  • Referentienetwerk 2014
  • Netwerk 2015
  • NSL-netwerk 2020, inclusief eindbeeld verhoging maximumsnelheid
  • NSL-netwerk 2030, inclusief eindbeeld verhoging maximumsnelheid
  • NSL-netwerk 2020, zonder eindbeeld verhoging maximumsnelheid
  • NSL-netwerk 2030, zonder eindbeeld verhoging maximumsnelheid
  • NSL-netwerk 2020, inclusief eindbeeld verhoging maximumsnelheid, met reservering voor tijdelijke netwerkeffecten

In de bovenstaande netwerken voor 2020 en 2030 zijn de infrastructurele projecten meegenomen die zijn opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) en de lijst met prioritaire projecten in de bijlage van de Regeling programmatische aanpak stikstof.

In het kader van een toestemmingsbesluit dient het bevoegd gezag per project ontwikkelingsruimte toe te delen in AERIUS Register. Omdat de optelsom van individuele projecteffecten doorgaans niet gelijk is aan het netwerkeffect van alle projecten samen en bij een afname van verkeersintensiteiten als gevolg een project geen ontwikkelingsruimte kan worden bijgeboekt in AERIUS Register, kunnen tekorten aan ontwikkelings- en depositieruimte ontstaan.  De reservering voor tijdelijke netwerkeffecten in 2020 heeft tot doel tekorten aan ontwikkelings- en depositieruimte als gevolg van tijdelijke toenames in verkeersintensiteiten te voorkomen.

Uitgangspunten tijdelijke netwerkeffecten 
De reservering voor tijdelijke netwerkeffecten bestaat uit een verhoging van de intensiteiten op een wegvak. Er zijn drie klassen onderscheiden: 1.000, 5.000 of 10.000 mvt/etmaal per richting. Deze klassen zijn vastgesteld door EZ en IenM naar aanleiding van een getalsmatige analyse van ruim 20 wegprojecten. Afhankelijk van de ligging van een wegvak en de afstand van het wegvak tot MIRT projecten is een klasse aan een wegvak toegekend.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
csv bestanden met netwerkgegevens 2014Ministerie van Infrastructuur en Milieu22 september 2015
csv bestanden met netwerkgegevens 2015, 2020 en 2030Ministerie van Infrastructuur en Milieu02 september 2016

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
422-3226
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Netwerkgegevens onderliggend wegennet

Kenmerken

Thema
Verkeer en vervoer
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
PAS-bureau
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2016

Beschrijving gegevensset

De netwerken voor het onderliggend wegennet (OWN) in het PAS omvatten gegevens over de omvang en samenstelling van het verkeer op de wegvakken van het OWN die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Tevens zijn gegevens opgenomen over de kenmerken van de wegvakken, zoals de maximum snelheid, de hoogteligging en de aanwezigheid van afschermende constructies zoals geluidsschermen. Op basis van deze gegevens berekent AERIUS Monitor de groeibehoefte van de SRM2 wegen op het OWN.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
CSV bestanden met netwerkgegevens provinciesIPO2016

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
627-3227
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Ruimtelijke verdeling groei-emissies: de ‘waterbedmethode’

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Monitor houdt bij het berekenen van de toekomstige depositie voor iedere sector rekening met een bepaalde, hoge economische groei (PBL scenario). Deze groei is niet gelijkmatig over heel Nederland verspreid, maar zoveel mogelijk gemodelleerd op de plaatsen waar ook veel economische ontwikkelingen voorzien worden voor de betreffende sector. Op andere plaatsen is dan minder groei doorgerekend, omdat daar ook minder ontwikkelingen voorzien worden.
De methode waarmee binnen Monitor de generieke en vaststaande landelijke emissiegroei (PBL emissiegroei) van een sector ruimtelijk verdeeld zijn over Nederland, zodanig dat de groei daar terecht komt waar deze groei wordt verwacht, is de waterbedmethode. 
Wanneer de totale emissies van projecten in een 'waterbedcluster' hoger zijn dan de, volgens het PBL scenario, voorziene groeiemissies in dit cluster, worden de berekende projectbijdragen afgetopt.
Het waterbed is niet van toepassing op sectoren die in hun geheel worden doorgerekend met verfijnde emissies.

Hoe werkt de waterbedmethode?
Uitgangspunt van de waterbedmethode is de landelijke 'PBL emissiegroei' (per GCN sector en stof) die in 2020 en 2030 is voorzien als gevolg van economische ontwikkelingen. Deze landelijke PBL emissiegroei volgt uit de vergelijking van de emissies in het scenario met hoge economische groei (ABR) met de emissies in het (fictieve) scenario met 0% groei vanaf het begin van de PAS (PasOnderRaming, POR). Het verschil levert de emissies op (per sector en stof) als gevolg van de voorziene economische groei.

De PBL emissiegroei is berekend per GCN-sector en stof (NOX en NH3). Op basis hiervan is voor een aantal zogenoemde ‘waterbedclusters’ de PBL emissiegroei per stof bepaald. In een waterbedcluster zijn verschillende GCN sectoren geclusterd (zie overzicht waterbedclusters in tabel onderaan deze factsheet). De totale emissiegroei per waterbedcluster is vervolgens verminderd met de emissies van een totaallijst van voorziene projecten in segment 1 en 2 die binnen hetzelfde waterbedcluster vallen. Dit levert de resterende PBL emissiegroei op voor het betreffende waterbedcluster: de overgebleven voorziene landelijke emissiegroei die nog niet ingevuld is door voorziene projecten.

De resterende PBL emissiegroei per waterbedcluster en stof is vervolgens gedeeld door de totale PBL emissiegroei. Dit levert per waterbedcluster en stof een correctiefactor op. Deze correctiefactor is vervolgens toegepast op de totale PBL groeibijdrage in depositie, die zonder toepassing van het waterbed zou worden berekend. Op die manier is de PBL groei ingeperkt (deze wordt immers vervangen door een lokaal berekende groeibehoefte op basis van projectgegevens).
Bijvoorbeeld, als de PBL emissiegroei voor NOX binnen een waterbedcluster ‘100’ is en de projecten hebben een emissies van ‘60’, dan is de resterende groei in emissies na aftrek van de projectemissies dus 40. De correctiefactor voor de PBL groei wordt dan 40/100=0,4. Dat betekent dat voor iedere GCN-sector in het waterbedcluster de berekende PBL groei voor NOX (uitgedrukt in depositie), vermenigvuldigd is met 0,4.

De aldus bepaalde resterende PBL groei (in depositie) is op sectorniveau weer vermeerderd met de berekende projectbijdragen van de betreffende sector. Deze som vormt de totale groeibehoefte in depositie zoals die wordt opgenomen in de depositieruimte en totale depositie: het ‘waterbed’. Het waterbed is bepaald voor 2020 en 2030.

Wat houdt het aftoppen in?
De totale emissies van alle projecten binnen een waterbedcluster kunnen hoger zijn dan de voorziene totale PBL emissiegroei voor de betreffende sector en stof. Er is dan geen sprake meer van een resterende PBL emissiegroei maar van een tekort in dit cluster: alle voorziene groei is dan al (meer dan) ingevuld door de voorziene projecten. Wanneer de behoefte van de voorziene projecten groter is dan de voorziene groei, worden bij de niet-verfijnde sectoren de berekende projectbijdragen niet volledig in de depositieruimte en totale depositie opgenomen, maar worden deze ‘afgetopt’. Dit wordt gedaan om te voorkomen dat AERIUS meer groei modelleert dan de totale emissiegroei. De aftopping wordt berekend per stof en jaar en waterbedcluster. Dit betekent dat alle projecten in hetzelfde waterbedcluster dezelfde mate van aftopping krijgen.

Bijvoorbeeld, als de PBL emissiegroei voor een waterbedcluster ‘70’ is en de totale emissies van de projecten voor dat waterbedcluster zijn ‘100’, dan past maar 70% van de projectemissies binnen de totale PBL-groei. In dat geval wordt van iedere berekende projectbijdrage in dat waterbedcluster maar 70% opgenomen als groeibehoefte in de depositieruimte en totale depositie. De aftopfactor is dan 0,7. De correctiefactor voor de PBL groei is in deze gevallen altijd nul (geen resterende PBL groei meer).

Het resultaat van het aftoppen is dat voor de ruimtelijke verdeling van de depositieruimte optimaal rekening wordt gehouden met de locatie en omvang van alle nu al voorziene projecten (S1 en S2), terwijl tegelijkertijd geborgd is dat in de totale depositie en depositieruimte niet meer emissiegroei wordt opgenomen dan het PBL landelijk voorziet voor een sector.

Opgemerkt wordt dat aftoppen per definitie alleen een rol speelt bij het bepalen van de groeibehoefte zoals die is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. Bij het bepalen van de ontwikkelingsbehoefte voor segment 1 projecten en de daarbij benodigde reservering in segment 1 wordt altijd gekeken naar de totale, niet afgetopte voorziene behoefte.

Voor welke sectoren en projecten is de waterbedmethode toegepast?
De waterbedmethode is in principe toegepast bij alle sectoren waar binnen AERIUS sprake is van zowel een PBL groei als van (prioritaire) projectgegevens van provincies, Defensie en IenM. Uitzonderingen en bijzonderheden zijn: 

  • Rijnmondgebied voor ENINA (incl mobiele werktuigen) en binnenvaart (NOX). De emissies voor deze sectoren zijn binnen het Rijnmondgebied volledig verfijnd. Dat betekent dat voor deze sectoren het waterbed überhaupt alleen maar geldt voor de PBL groei voor de ‘rest van Nederland’ buiten het Rijnmondgebied.
  • Mobiele werktuigen (buiten Rijnmond). De emissies van deze sector (buiten Rijnmond) in 2014 zijn al verfijnd om rekening te houden met de HWS projecten van IenM en ENCI. Dat betekent dat bij het waterbed de HWS projecten van IenM en ENCI geen rol meer spelen bij de beperking van de voorziene PBL emissiegroei. De (resterende) PBL groei is binnen het waterbed nog wel beperkt op basis van provinciale projecten en HVWN projecten van IenM met mobiele werktuigen.
  • Wegverkeer OWN. Er is sprake van een niet verfijnde PBL emissiegroei voor het OWN. Echter, de projectemissies voor OWN zijn doorgerekend en meegenomen in de depositieruimte en totale depositie zonder de PBL groei voor het OWN hierop aan te passen.
  • Luchtvaart. Voor luchtvaart zijn projecten van Defensie aangeleverd en is ook sprake van een niet verfijnde PBL groei, die echter hoort bij andere (burger)luchthavens. De defensieprojecten voor luchtvaart zijn daarom doorgerekend en opgenomen in de depositieruimte en totale depositie zonder dat de PBL groei voor (andere) luchthavens hierop is aangepast. Zie ook factsheet Verfijning luchthavens.

Daarnaast geldt dat het waterbed überhaupt niet van toepassing is op sectoren die in hun geheel worden gerekend met verfijnde emissies:

  • Stallen. De groei voor stallen is ruimtelijk al verdeeld op basis van de gegevens uit de Landbouwtelling 2015 (LBT2015). De aangeleverde provinciale projecten binnen deze sector zijn niet van invloed op deze verdeling van de depositieruimte (maar krijgen uiteraard wel een reservering in segment 1).
  • Hoofdwegennet. Deze sector is volledig verfijnd. Voor deze sector is de PBL emissegroei niet aan de orde en is ook geen sprake van apart aangeleverde projecten.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de waterbedclusters in Monitor (clusters van GCN sectoren waarbinnen projecten zijn voorzien). Per waterbedcluster zijn ook de voorziene (S1 en S2) projecten aangegeven die binnen het waterbedcluster vallen.

Waterbedcluster Projecten (S1 en S2) binnen cluster
ENINA - buiten Rijnmondgebied Projecten provincies; projecten IenM (HVWN)
Mobiele werktuigen (muv landbouw) - buiten Rijnmondgebied en gecorrigeerd voor HWS projecten Projecten Ministerie van IenM (alleen HVWN) en provincies
Rail Projecten provincies
Glastuinbouw Projecten provincies
Zeescheepvaart, zeeroute Projecten Ministerie van IenM (HWS en HVWN)
Zeescheepvaart, stilliggen Projecten Ministerie van IenM (HWS en HVWN)
Zeescheepvaart, binnengaatse route Projecten Ministerie van IenM (HVWN)
Binnenvaart - buiten Rijnmondgebied Projecten Ministerie van IenM (HVWN), provincies
Consumenten Projecten Ministerie van Defensie en provincies
Handel, Dienst en Overheid Projecten Ministerie van Defensie

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
412-3248
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Schaalfactoren groei

Kenmerken

Thema
Algemeen
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
RIVM
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2016

Beschrijving gegevensset

Bij het bepalen van de depositiebijdrage en groeibehoefte van (deel)sectoren in 2014, 2015, 2020 en 2030 vindt per sector en stof (NH3 en NOX) een schaling plaats van de deposities die zijn berekend voor het basisjaar 2013 van de emissies in de Emissieregistratie. De schaalfactoren zijn afgeleid van de (toekomstige) totale emissies op basis van de PBL scenario’s die het RIVM ook hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De schaalfactoren worden toegepast bij (deel)sectoren waarvoor in de beschouwde (toekomst)jaren geen verfijnde emissies zijn gebruikt.

Monitor past de schaalfactoren toe bij de berekening van:
a. de depositiebijdrage in 2014 en 2015
b. de depositiebijdrage in 2020 en 2030 in situatie zonder economische groei
c. 
de groeibehoefte in 2020 en 2030.

Hoe zijn de schaalfactoren bepaald?
Uitgangspunten vormen de aangeleverde totale emissies per sector en stof voor de jaren:

  • 2013 en 2014, op basis van de emissies uit het project Emissieregistratie
  • 2020 en 2030 op basis van het scenario ABR (Beleid Bovenraming) dat uitgaat van een relatief hoge economische groei
  • 2020 en 2030 op basis van het scenario BOR (Beleid Onderraming) dat uitgaat van relatief lage economische groei.

Schaalfactoren 2014
De schaalfactoren voor 2014 zijn bepaald door de totale emissies voor 2014 uit het project Emissieregistratie te delen door de totale emissies voor 2013 uit het project Emissieregistratie.

Schaalfactoren 2015
De schaalfactoren voor 2015 zijn bepaald op basis van interpolatie van de schaalfactoren voor 2020, op basis van het scenario ABR.

Schaalfactoren 2020 en 2030 voor situatie zonder economische groei
Uit de vergelijking van de totale emissies in 2020 en 2030 (voor zowel het scenario ABR als het scenario BOR) met de emissies voor het basisjaar 2013 van de Emissieregistratie, volgen schaalfactoren voor de groei in 2020 en 2030 (ten opzichte van 2013) op basis van zowel het scenario ABR als het scenario BOR.

Voor het bepalen van de schaalfactoren in een situatie zonder economische groei gaat Monitor uit van het scenario POR (PAS OnderRaming). Dit scenario gaat uit van 0% groei. De schaalfactoren POR voor 2020 en 2030 (ten opzichte van 2013) zijn bepaald op basis van extrapolatie van de RIVM schaalfactoren voor ABR (op basis van de NEV2015 is dit 2,5% groei) en BOR (0,9%).

Schaalfactoren 2020 en 2030 voor groei
Om te komen tot schaalfactoren in 2020 en 2030 voor de groeibehoefte (schaalfactoren groei) zijn de volgende stappen doorlopen:

  • Eerst is de schaalfactor in 2020 en 2030 voor de POR afgetrokken van de schaalfactor voor de ABR in datzelfde jaar. Dit leidt tot schaalfactoren voor de groei in 2020 en 2030 ten opzichte van 2013.
  • Vervolgens zijn de schaalfactoren voor de groei in 2020 en 2030 ten opzichte van 2013 gecorrigeerd voor de groei die plaatsvindt in 2014 ten opzichte van de situatie zonder economische groei in 2014. Bij het bepalen van de situatie zonder economische groei in 2014 is uitgegaan van een schaalfactor die is bepaald door interpolatie van de schaalfactor voor de situatie zonder economische groei in 2020. Dit levert schaalfactoren groei op voor 2020 en 2030 ten opzichte van de referentiesituatie 2014.

De schaalfactoren voor groei kunnen 'negatief' zijn. Dit betekent dat de landelijke sectoremissies in het groeiscenario met hoge economische groei minder toenemen (of harder dalen) dan in het 0% groeiscenario. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als de economische groei schonere technieken stimuleert, waardoor de uiteindelijke emissies lager uitkomen dan zonder groei, ondanks een toename in activiteiten. Met dit gunstige effect is rekening gehouden bij het berekenen van de totale depositie in Monitor. Bij het berekenen van de ontwikkelingsruimte en ontwikkelingsbehoefte wordt negatieve groei niet meegenomen.

Verantwoording gegevensset

De schaalfactoren die Monitor toepast zijn afgeleid van de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
Emissies levering Emissieregistratie: 2013 en 2014RIVM23 februari 2016
Emissies scenario ABR (BeleidBovenRaming zonder PAS): 2020 en 2030RIVM07 maart 2016
Emissies scenario BOR (BeleidOnderRaming): 2020 en 2030RIVM07 maart 2016

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
417-3246
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Stalsystemen - emissiefactoren

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu
GLP
in voorbereiding
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
23-06-2015

Beschrijving gegevensset

De emissiefactoren stalsystemen zijn emissiefactoren voor de emissie vanuit dierenverblijven, inclusief de emissie van de mest die in het dierenverblijf is opgeslagen. De emissiefactoren geven voor verschillende combinaties van stalsystemen en dierverblijven waarden voor de emissie ammoniak (NH3) in kilogram per dierplaats per jaar. De gehanteerde emissiefactoren worden gepubliceerd in de Regeling ammoniak en veehouderij.

Verantwoording gegevensset

De gegevensset is gebaseerd op de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
Regeling ammoniak en veehouderijMinisterie van Infrastructuur en Milieu01 augustus 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe gegevens worden beschikbaar gesteld via een webpublicatie.
  • HarmonisatieDe gegevens worden overgenomen en opgeslagen in een machine-leesbaar formaat.
  • ValidatieDe gegevens worden door een inhoudsdeskundige gevalideerd.
  • TransformatieDe gegevens worden automatisch getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

farm_lodging_type_emission_factors

VeldTypeEenheidOmschrijving
farm_lodging_type_idint4.PRIKEY
substance_idint2n.v.tUnieke identificatie van de stof
emission_factorfloat4Emissie (kg per dierplaats per jaar)

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
358-3217
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Toepassing rekenmodel wegverkeer (SRM2)

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Monitor 2016 berekent de verspreiding van de emissies door wegverkeer met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
SRM2 berekent de concentratiebijdragen op een rekenpunt op basis van

  • brongegevens (emissies wegverkeer, locatie wegvakken, weghoogte, kenmerken afschermende constructies)
  • brononafhankelijke gegevens (meteorologische condities, terreinruwheid en brondepletie).  

Monitor bepaalt vervolgens de depositiebijdrage door de berekende concentraties te vermenigvuldigen met de effectieve droge depositiesnelheid. De waarden voor de depositiesnelheid zijn afgeleid met het rekenmodel OPS van het RIVM.

Hoe berekent AERIUS Monitor de depositiebijdrage door wegverkeer?
AERIUS berekent voor wegverkeer de verspreiding van verontreinigende stoffen in de lucht met SRM2 (concentraties). Vervolgens berekent AERIUS hoeveel van die stoffen per hectare op bodem of gewas terechtkomt (depositie). 

De volgende gegevens vormen de invoer voor AERIUS:
A.    kenmerken emissiebronnen
B.    brononafhankelijke gegevens.
Op basis hiervan berekent AERIUS de depositiebijdrage op de rekenpunten (hexagonen).

A.    Kenmerken emissiebronnen
De volgende gegevens vormen de invoer voor de verspreidingsberekening met SRM2:

  • de locatie van de wegsegmenten, in x,y-rijksdriehoekcoördinaten (m)
  • de bronemissies NOX, NO2 en NH3 per wegsegment (g/s)
  • de verticale verspreidingscoëfficiënt σz,0.

In Monitor zijn deze gegevens bepaald op basis van emissiefactoren voor wegverkeer en netwerkgegevens die door wegbeheerders zijn aangeleverd.
De waarde voor σz,0 is afhankelijk van:

  • het type omgeving (binnen bebouwde kom/buiten bebouwde kom)
  • de hoogte van de weg ten opzichte van het maaiveld en het type verhoging of verdieping
  • de aanwezigheid en hoogte van afschermende constructies langs de weg.

B.    Brononafhankelijke gegevens
AERIUS maakt bij de concentratieberekening met SRM2 gebruik van de volgende brononafhankelijke gegevens:

  • meteorologische condities
  • terreinruwheid (ruwheidlengte)

De gebruikte gegevens voor meteorologische condities en de terreinruwheid zijn in maart 2016 gepubliceerd door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (publicatie). Om de gepubliceerde gegevens geschikt te maken voor invoer in SRM2, vindt een voorbewerking plaats met de methode preSRM.

Voor de depositieberekening maakt AERIUS gebruik van de volgende brononafhankelijke gegevens:

  • depletiefactoren
  • depositiesnelheden.

brondepletie
Bij de berekening van de concentraties ammoniak en stikstofdioxide op een rekenpunt, houdt AERIUS rekening met de neerslag (depletie) van een deel van de ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOX) in het gebied tussen de bron en het rekenpunt. Het RIVM heeft met OPS versie 4.4.4 depletiefactoren bepaald voor zowel NOX als NH3. Deze waarden zijn afhankelijk van:

  • de afstand tussen de bron en het rekenpunt
  • de ruwheid ter hoogte van het rekenpunt
  • de achtergrondconcentratie NO2 en NH3 ter hoogte van het rekenpunt.

De resultaten van het RIVM zijn omgezet naar functies die, op basis van de x,y coördinaten van het rekenpunt en de afstand tot het wegsegment, de depletiefactor bepaalt die van toepassing is. Deze functies worden toegepast in Monitor 2016.

depositiesnelheden
Bij de berekening van de depositie gaat Monitor 2016 uit van gegevens over de effectieve depositiesnelheden voor NOX en NH3 per hexagoon die zijn bepaald met OPS versie 4.4.4. Een nadere toelichting op de depositiesnelheden is te vinden in de factsheet Wegverkeer – bepalen depositiesnelheid.

Een gedetailleerde modelbeschrijving is te vinden in de notitie SRM2 implementatie in AERIUS Calculator.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
400-3222
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Verfijnde emissiegegevens vliegtuigen

Kenmerken

Thema
Luchtvaart
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

De verfijnde emissiegegevens van vliegtuigen zijn gegevens over de locatie (inclusief hoogte) en de omvang van de NOX emissies door vliegverkeer in de referentiesituatie (2014) en toekomstige situaties (2020 en 2030). De gegevens zijn te beschouwen als een driedimensionaal grid (250x250x250 meter) waarbij de totale emissies van alle vliegbewegingen binnen het desbetreffende grid zijn toegekend aan het zwaartepunt van het grid. Voor dit zwaartepunt is de grondlocatie aangegeven (x,y) en de hoogte (z).

De beschouwde gridcellen hebben betrekking op de vliegbewegingen bij landen en opstijgen (de Landing and Take-Off cyclus, LTO) die horen bij de volgende luchthavens:

  • Groningen Airport Eelde
  • Eindhoven Airport
  • Lelystad Airport
  • Maastricht Aachen Airport
  • Rotterdam The Hague Airport
  • Luchthaven Schiphol.

De gegevens zijn afgeleid van bestanden met brongegevens voor vliegtuigen die zijn aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en zijn opgesteld door het Nationaal Lucht- en ruimtevaartlaboratorium (NLR).

De gegevens vormen de invoer voor het bepalen van de depositiebijdrage en groeibehoefte van luchthavens in AERIUS Monitor.

Welke bewerkingen zijn uitgevoerd op de aangeleverde gegevens?
De bronbestanden vliegverkeer die zijn aangeleverd door het Ministerie van IenM omvatten gegevens over meerdere bronkenmerken en eigenschappen van het vliegverkeer. De bewerkingen in AERIUS betreffen het selecteren van gegevens die voor de berekeningen in AERIUS relevant zijn en het transformeren van deze gegevens naar bestanden die geschikt zijn als invoer voor de berekeningen in AERIUS. 

De gegevens van het NLR hebben betrekking op de situatie in 2012 en de situatie met benutting van de maximale operationele capaciteit uit de voorgenomen luchthavenbesluiten voor de desbetreffende luchthavens. AERIUS Monitor gaat bij de berekening van de depositiebijdrage en groeibehoefte in de referentiesituatie (2014) uit van de emissiegegevens voor 2012. Voor de toekomstige situatie in zowel 2020 en 2030 gaat AERIUS uit van de maximale capaciteit.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Bestand luchthavenemissiesMinisterie van Infrastructuur en Milieu02 mei 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
424-3241
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Vervangingspercentage stallen

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
13-06-2014

Beschrijving gegevensset

In 2020 en 2030 is een deel van de stallen in de referentiesituatie (2014) vervangen door nieuwere stallen. Inzicht in het aandeel van de stallen dat in 2020 en 2030 zal zijn vervangen is relevant voor het berekenen van het effect van het Besluit emissiearme huisvesting.

Deze gegevensset omvat waarden voor het aandeel van de stallen in 2014 dat naar verwachting zal zijn vervangen in 2020 en 2030. Daarbij is onderscheid gemaakt naar diercategorie.

Diercategorie (RAV) Vervangingspercentage 2020 (tov 2014) Vervangingspercentage 2030 (tov 2014)
RAV-code A 19% 50%
RAV-code overig 28% 75%

 

Verantwoording gegevensset

De gegevensset is gebaseerd op de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Vervangings-percentages stallenMinisterie van Economische Zaken2013

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
621-3218
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Wegverkeer - emissiefactoren standaard

Kenmerken

Thema
Verkeer en vervoer
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu, RIVM
GLP
niet van toepassing
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
2016

Beschrijving gegevensset

AERIUS berekent de totale verkeersemissies van stikstofoxiden (NOX), stikstofdioxide (NO2) en ammoniak (NH3) op basis van emissiefactoren die representatief zijn voor de gemiddelde emissies van het wagenpark op Nederlandse wegen. Hierbij wordt rekening gehouden met het wegtype, de voertuigcategorie, snelheidstypering, mate van doorstroming en het zichtjaar.

Verantwoording gegevensset

De emissiefactoren NOx en NO2 zijn overgenomen uit de bestanden met emissiefactoren wegverkeer die in maart 2016 zijn gepubliceerd door de staatssecretaris van IenM. De publicatie van deze emissiefactoren door IenM volgt uit de bepalingen in artikel 66 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. De emissiefactoren NH3 voor verkeer zijn overgenomen uit een publicatie van het RIVM. Zowel de NOx/NO2 emissiefactoren als de NH3 emissiefactoren zijn in lijn met de emissiefactoren waarvan is uitgegaan in de GCN/GDN ronde 2016.

BronEigenaarSinds
Emissiefactoren voor snelwegenMinisterie van Infrastructuur en Milieu15 maart 2016
Emissiefactoren voor niet-snelwegenMinisterie van Infrastructuur en Milieu15 maart 2016
NH3 emissiefactoren GCN/GDN ronde 2016RIVM07 maart 2016

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe data wordt door de bronhouders gepubliceerd.
  • HarmonisatieDe gepubliceerde data is omgezet naar een machine-leesbaar-formaat.
  • ValidatieDe gepubliceerde en omgezette data wordt door een inhoudsdeskundige steekproefsgewijs geverifieerd.
  • TransformatieDe gepubliceerde data wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de database. Er worden geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Alleen voor de emissiefactoren voor lichtverkeer wordt een bewerking (aggregatie) toegepast om te komen tot een gemiddeld gewogen emissiefactor per wegtype.

Velden databasetabel

road_category_emission_factors

VeldTypeEenheidOmschrijving
road_category_idint4.PRIKEYnvtUnieke identificatie van de weg-voertuig-categorie
road_speed_profile_idint4nvtUnieke identificatie van het snelheidsprofiel
substance_idint2nvtUnieke identificatie van de stof
yearint2jaarJaar waarop de emissiefactor betrekking heeft
emission_factorfloat8g/kmEmissiefactor
stagnated_emission_factorfloat8g/kmEmissiefactor voor stagnerend verkeer

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
376-3228
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data

Wegverkeer – bepalen depositiesnelheden

Versie: 
17-03-2017

In het kort
AERIUS berekent de concentratiebijdrage NO2 en NH3 van verkeersbronnen met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Om te komen tot een waarde voor de depositiebijdrage wordt de berekende concentratiebijdragen vermenigvuldigd met de ‘depositiesnelheid’.
De depositiesnelheid is een maat voor de snelheid waarmee gassen of deeltjes via afzetting of adsorptie aan het oppervlak uit de atmosfeer worden verwijderd.
AERIUS gaat uit van depositiesnelheden voor NOX en NH3 die per hexagoon van één hectare zijn bepaald op basis van berekeningen met het OPS model van het RIVM.

Hoe worden de depositiesnelheden per hexagoon bepaald?
Per rekenpunt in het midden van een hexagoon is met het rekenmodel OPS een waarde berekend voor de depositiesnelheid NOX en NH3:

1. Er is uitgegaan van de zoomlevel 2 hexagonen (zie onderstaande figuur). Het oppervlak van een zoomlevel 2 hexagoon heeft een oppervlak van ongeveer 4 hectare. Dat sluit het meeste aan bij een gridgrootte van 250x250 meter, die beschouwd wordt als de minimale rekenresolutie behorende bij de depositiesnelheid (RIVM notitie).

2. De concentraties en deposities op het rekenpunt in het midden van de hexagoon zijn berekend op basis van de gemiddelde verkeersemissies NOX en NH3 op het hoofdwegennet per grid van 1x1 km, zoals gebruikt in het basisjaar van de GCN2014.

3. Deze verkeersemissies zijn toebedeeld aan drie cirkels rondom het rekenpunt, op 1, 2 en 3 km van het receptorpunt. De keuze om emissies tot een afstand van 3 km aan te houden is ingegeven door de methode voor dubbeltellingcorrectie HWN waarbij de correctie in een km vak is bepaald op basis van de emissiebijdragen in de omringende km vakken tot 3 km. Per cirkel zijn de emissies van die cirkel vervolgens verdeeld over 36 punten op die cirkel (hoek tussen 2 punten: 10°). Zie onderstaande figuur.

4. De depositiesnelheid (Vd) is berekend door de berekende concentratie op de receptor te delen door de berekende droge depositie. Deze waarde geldt dus voor de receptoren op zoomlevel 2. Hierbij is de volgende formule gebruikt:

met:
Vd  = effectieve depositiesnelheid (m/s)
Φ = flux (=effectieve depositiesnelheid, berekend met OPS)
m = molmassa NH3 = 17 (g/mol) en NO2 = 46 (g/mol)
t  = omrekenfactor voor de tijd (s)
= omrekenfactor voor oppervlak (m2)
C  = concentratie (µg/m3)

5. De rekenpunten op zoomlevel 2 vallen samen met een deel van de rekenpunten op zoomlevel 1. De waarden voor de depositiesnelheid voor de overige hexagonen op zoomlevel 1 zijn bepaald door middel van interpolatie.

Resultaat is een tabel met depositiesnelheden NOX en NH3 per hexagoon van 1 hectare.

Hoe vindt schaling plaats van de depositiesnelheden?
Er is een relatie tussen de afstand van de weg en de depositiesnelheid. Er is daarom voor gekozen om de depositiesnelheid voor een hexagoon te schalen wanneer de hexagoon zich op korte afstand (<1000m) van de bron bevindt.

Deze schaling vindt plaats aan de hand van onderstaande functies, en zijn van toepassing op situaties met afstanden tussen het wegsegment en het middelpunt van de hexagoon tot en met 1000 meter. De ondergrens is 25 meter: bij afstanden korter dan 25 meter gaat onderstaande functie uit van 25 meter. Bij afstanden groter dan 1000 meter vindt geen schaling plaats en gaat AERIUS uit van de depositiesnelheid van de desbetreffende hexagoon.

met:
Vd,stof  = effectieve depositie snelheid (m/s)
X = afstand van de hexagoon tot het wegsegment (m)

De bovenstaande functies zijn afgeleid van gemiddelde waarden van de depositiesnelheden voor een selectie van bijna 1000 hexagonen. Bij de selectie van de hexagonen is ervoor gezorgd dat de verschillende windsectoren en klassen van landgebruik evenredig vertegenwoordigd zijn. Onderstaande figuren geven inzicht in de gemiddelde waarden voor de effectieve depositiesnelheden voor NOX en NH3, en de schaalfactoren die hieruit volgen.

 

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
577-3225
Voor
  • Calculator
Type
Methodiek
Versie

Algemene beleidsuitgangspunten

De beleidsuitgangspunten die ten grondslag liggen aan AERIUS Monitor 2016 zijn vastgesteld door de Regiegroep Natura 2000 en PAS.
De volgende categorieën beleidsuitgangspunten worden onderscheiden:

De algemene beleidsuitgangspunten zijn:

1. AERIUS Monitor geeft inzicht in:

  • de trend van de stikstofdepositie (hoe ontwikkelt de stikstofdepositie zich tussen 2014 en 2020/2030)
  • de mate van overschrijding van de Kritische DepositieWaarde (KDW) per opgenomen stikstofgevoelig habitattype en stikstofgevoelig leefgebied (mate van overbelasting)
  • de beschikbare depositie- en ontwikkelingsruimte voor economische ontwikkeling
  • de confrontatie tussen de beschikbare depositieruimte en de voorziene ontwikkelingsbehoefte, zodat duidelijk wordt of en zo ja, waar tekorten in depositieruimte worden voorzien (inschatting)

2. Naast depositiegegevens geeft AERIUS Monitor ook inzicht in natuurgegevens. Het gaat onder andere om de Natura 2000 habitattypekaarten en kaarten met stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.

3. Met het PAS wordt de depositie binnen Natura 2000 gebieden getoetst op hectareniveau. Depositieberekeningen voor Natura 2000 gebieden zijn daartoe in Monitor uitgevoerd en beschikbaar op het niveau van hectares (in de vorm van hexagonen). Er wordt gerekend voor alle Natura 2000 gebieden, behalve voor Doggersbank (164), Klaverbank (165) en Friese Front (166) dit zijn gebieden op zee, zonder instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen of soorten met stikstofgevoelig leefgebied.

4. Berekeningen buiten Natura 2000 gebieden (niet van belang voor toetsing van het PAS, maar voor bijvoorbeeld landsdekkende berekeningen) zijn niet beschikbaar op hectareniveau, maar worden op een hoger zoomniveau uitgevoerd (grovere berekening). Dit geldt ook voor het rekenen in het buitenland.

5. Monitor bepaalt op basis van beleidsmatig vastgestelde criteria, de habitattype- en leefgebiedenkaarten en de instandhoudingsdoelstellingen - welke hectaren binnen Natura 2000 gebieden relevant zijn voor het PAS. Uitgangspunt is dat hectaren binnen een habitatrichtlijn gebied relevant zijn als binnen het hectare sprake is van aanwezigheid van een stikstofgevoelig habitat of leefgebied dat 1) is aangewezen in een aanwijzingsbesluit, of 2) gekarteerd is als H9999 (habitattype onbekend), of 3) gekoppeld is aan een (in aanwijzingsbesluit) aangewezen soort. Binnen een vogelrichtlijn gebied is een hectare alleen relevant als er sprake is van aanwezigheid van een stikstofgevoelig habitat of leefgebied op de hectare die gekoppeld is aan een aangewezen vogelsoort. Bij het genereren van overzichten of depositiegemiddelden binnen Monitor, worden alleen rekenresultaten op voor het PAS relevante hectaren meegenomen.

6. Monitor is gebaseerd op de best beschikbare gegevens en kennis die op het moment van actualisatie beschikbaar is.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
672-3202
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Beleidsuitgangspunten bij berekenen depositieruimte

De beleidsuitgangspunten die ten grondslag liggen aan AERIUS Monitor 2016 zijn vastgesteld door de Regiegroep Natura 2000 en PAS.
De volgende categorieën beleidsuitgangspunten worden onderscheiden:

De beleidsuitgangspunten bij het berekenen van de depositieruimte zijn:

1. Monitor berekent de omvang van de depositieruimte die beschikbaar is voor alle nieuwe ontwikkelingen (milieugebruikersruimte, uitgedrukt in depositie). Uitgangspunt is dat in de depositietrend naar de toekomst rekening wordt gehouden met het volledig uitgeven van alle berekende depositieruimte. Op die manier is namelijk geborgd dat het daadwerkelijk uitgeven van alle depositieruimte ecologisch is beoordeeld in de gebiedsanalyses.

2. De basis voor de depositieruimte die beschikbaar is voor nieuwe ontwikkelingen, is de totale groei van alle sectoren samen, waar in de depositietrend rekening mee wordt gehouden. Het gaat dus om

  • de ‘PBL-groei’ uit het gekozen PBL-beleidsscenario, die ruimtelijk over Nederland is verdeeld via het waterbed en lokaal is opgehoogd voor de projecten waarvan de behoefte volledig is opgenomen volgens het principe “behoefte = ruimte” (zie onderdeel 11 in de factsheet beleidsuitgangspunten berekenen depositietrend),  en
  • de specifiek bepaalde groei voor de ‘verfijnde sectoren.

In de opbouw van de totale depositie is deze voorziene groei per sector opgenomen in de individuele sectorbijdragen in de zichtjaren.

3. De depositieruimte door groei wordt aangevuld met de helft van het depositiedalings-effect door de generieke landbouwmaatregelen zoals afgesproken in het PAS.  

4. Het depositiedalings-effect van de landbouwmaatregelen, waarvan dus de helft weer als depositieruimte beschikbaar wordt gesteld, wordt berekend door het verschil in depositie te nemen tussen een ‘autonoom’ scenario waarin geen PAS beleid zit en ook geen aangescherpt provinciaal beleid, en waarin er sprake is van stagnatie van stalgroei, en een scenario zonder stagnatie en met PAS-beleid (maar nog steeds zonder de provinciale aanscherpingen).

5. De extra depositieruimte door de landbouwmaatregelen is niet vooraf toegekend aan een voorziene groei voor een bepaalde sector, en wordt daarom ook niet opgenomen in de berekende sectorbijdragen in de zichtjaren. Deze extra depositieruimte is bij de opbouw van de depositie in de zichtjaren opgenomen onder het kopje ‘overige depositie´. Op die manier wordt bij het bepalen van de totale depositie in de zichtjaren rekening gehouden met het uitgeven van de volledige depositieruimte

6. De helft van de extra daling die ten opzichte van het scenario met alleen generiek PAS-beleid wordt veroorzaakt door de verdere aanscherping van het generieke beleid in Limburg, wordt beschikbaar gesteld als extra depositieruimte. Ook deze extra depositieruimte komt terug als ‘overige depositie’ bij de totale depositieopbouw. De provincie Noord-Brabant heeft hier niet voor gekozen.

7. In AERIUS Monitor wordt de berekende depositieruimte in segmenten verdeeld. Een deel van de depositieruimte wordt gereserveerd voor autonome ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit nodig is (NTVP). De omvang daarvan is gebaseerd op de verwachte groei in dit segment. Daarnaast is er een deel gereserveerd voor ontwikkelingen met een depositiebijdrage onder de grenswaarde (GWR). Hiervan is de omvang bepaald door 30% te nemen van de totaal berekende ontwikkelingsbehoefte voor segment 2 (zie hieronder). De rest van de depositieruimte wordt beschikbaar gesteld als ontwikkelingsruimte voor segment 1 (prioritaire projecten) en segment 2 (vrije ontwikkelingsruimte). Voor segment 1 geldt dat de beschikbare ruimte gelijk is aan de totale (niet afgetopte) behoefte voor segment 1. De resterende ontwikkelingsruimte komt terecht in segment 2.

8. Depositieruimte wordt alleen berekend op relevante hexagonen. Monitor toont de depositieruimte op relevante hexagonen waar tevens sprake is van een (mogelijke of naderende) overbelasting van stikstofdepositie. Deze set van hexagonen (‘OR-set’) is rekenkundig bepaald met Monitor 2016. Hexagonen waar de totale depositie ook na het realiseren van alle voorziene ontwikkelingsbehoefte nog steeds tenminste 70 mol/ha/jaar onder meest kritische KDW blijft, zijn niet opgenomen in deze OR-set en worden daarom niet getoond in Monitor.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
678-3259
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Beleidsuitgangspunten bij berekenen depositietrend

Versie: 
07-11-2016

De beleidsuitgangspunten die ten grondslag liggen aan AERIUS Monitor 2016 zijn vastgesteld door de Regiegroep Natura 2000 en PAS.
De volgende categorieën beleidsuitgangspunten worden onderscheiden:

 

De beleidsuitgangspunten bij het berekenen van de depositietrend zijn:

1. Om de te verwachten depositiedaling te kunnen volgen, wordt de depositieontwikkeling berekend voor het referentiejaar 2014 (T0, start PAS), de huidige situatie (weergegeven als depositie in het gepasserde kalenderjaar, T-1) en voor de toekomstige jaren 2020 en 2030. Dit levert een (voorziene) depositietrend op die voor ieder gebied - in samenhang met de herstelmaatregelen – ecologisch wordt beoordeeld in de gebiedsanalyses.

2. Voor de depositieberekening voor het jaar 2014, het referentiejaar, wordt in principe uitgegaan van de omvang en ruimtelijke verdeling van feitelijke emissies per sector zoals de Emissieregistratie (ER) die vaststelt. Voor enkele sectoren wordt gebruik gemaakt van afwijkende gegevens voor het referentiejaar. Het gaat om:

  • landbouwstallen (NH3): ruimtelijke verdeling emissies op basis van het stallenbestand in AERIUS, dat op stalniveau is en gebaseerd op gegevens uit de Landbouwtelling. Emissies worden bepaald op basis van dieraantallen uit de landbouwtelling en RAV-emissiefactor van de stal. Op landelijk niveau wordt voor de emissies in 2014 aangesloten bij de NEMA emissies
  • Hoofdwegennet: berekening op basis van netwerkgegevens voor 2014 aangeleverd door RWS, in combinatie met emissiefactoren voor wegverkeer
  • Luchthavens NOx: berekening op basis van specifiek aangeleverde emissies door IenM
  • Rijnmondgebied NOx (alleen binnenvaart en industrie inclusief mobiele bronnen): berekening op basis van specifiek aangeleverde emissies over deze bronnen in het Rijnmondgebied door Provincie Zuid-Holland
  • Mobiele werktuigen: deel van de landelijke ER emissies wordt ruimtelijk toegekend op plaatsen waar bekend is dat in 2014 veel mobiele werktuigen gebruikt werden. Dit levert een gedeeltelijke verfijning op. De totale emissies veranderen hier niet door.

3. Indien emissies in de ruimtelijke verdeling van de ER op een plek zijn gelokaliseerd waar deze emissies aantoonbaar niet kunnen plaatsvinden, worden deze emissies verplaatst. Concreet wordt dit gebruikt voor:

  1. Buitenland: waar Duitse en Belgische emissies overlappen met Nederland, zijn deze naar de grens teruggeplaatst.
  2. De emissie vanuit de ER voor het onderwerp ‘mestafzet bij particulieren’, wordt ruimtelijk verdeeld naar bevolkingsdichtheid, exclusief stedelijke centra.
  3. De emissie vanuit de ER voor het onderwerp ‘mestafzet op natuurterreinen’ wordt ruimtelijke verdeeld over natuurgraslanden uit de Land Gebruikskaart Nederland.

4. Voor de depositieberekening in het meest recente afgeronde kalenderjaar (T-1, 2015) wordt uitgegaan van de meest recente depositiegegevens van de ER (in M16 is dat 2014), geschaald naar 2015 op basis van schaalfactoren behorende bij het PBL-scenario op basis van de Nationale Energieverkenning (NEV2015) met hoge economische groei en met vaststaand en voorgenomen beleid zonder PAS (BeleidBovenRaming zonder PAS). Dit is het PBL-scenario dat ook de basis vormt voor de GCN/GDN kaarten.

  • Voor 2015 wordt de depositiebijdrage van de gedeeltelijke verfijning van de mobiele werktuigen uit de referentiesituatie (2014) overgenomen.
  • Bij stallen (NH3) worden de deposities voor berekening van 2015 geïnterpoleerd tussen 2014 en 2020 voor het PAS-scenario.

5. De depositieberekeningen voor de toekomst bestaan uit twee delen: de depositie in het (hypothetische) scenario zonder groei (wanneer er wel emissiereducerend beleid zou zijn en dus daling van de emissies, maar geen economische groei) en de depositie veroorzaakt door de voorziene/gewenste groei (waarvoor depositieruimte beschikbaar komt). De som van deze twee deposities vormt de totale voorziene depositie in de toekomst (inclusief depositie door nieuwe ontwikkelingen). Deze totale depositie wordt ecologisch beoordeeld (en daarmee wordt automatisch (het uitgeven van) alle depositieruimte beoordeeld, omdat de depositieruimte onderdeel is van de totale depositie)

6. Negatieve groei kan voorkomen, als lokaal de depositie in het scenario met groei kleiner is dan in het scenario zonder groei. Bij het berekenen van de depositietrend wordt met dit effect rekening gehouden. De depositieruimte is nul in het geval van een negatieve groei.

7. Basis voor de totale depositieberekeningen voor de toekomstjaren is het PBL-scenario (Nationale Energieverkenning 2015) met hoge economische groei en met vaststaand en voorgenomen beleid zonder PAS (BeleidBovenRaming zonder PAS), dat ook de basis vormt voor de GCN en GDN-kaarten. Dit wordt ook wel het ABR-scenario genoemd. Voor dit scenario met hoge groei als basis is gekozen om te borgen dat  voldoende ruimte kan worden geboden aan (nieuwe) economische ontwikkelingen en als buffer voor onzekerheden in de ontwikkeling van de stikstofdepositie. Ook met dit scenario als uitgangspunt, neemt de depositie in Nederland door vaststaand beleid nog steeds af. Indien de groei minder is, daalt de depositie sterker dan berekend door AERIUS.

8. Het gekozen PBL-scenario wordt aangevuld met de apart doorgerekende generieke landbouwmaatregelen uit het PAS en met het aangescherpte beleid (verdere aanscherping emissiegrenswaarden) van Noord-Brabant en Limburg voor de veehouderij. Dit samen vormt het PAS-scenario. Uitgangspunt van het PAS is dat in het gekozen PAS-scenario sprake moet zijn van een ambitieuze, realistische daling van de depositie in de tijd als gevolg van het beleid, ondanks de hoge economische groei waarmee ook rekening wordt gehouden.

9. De generieke landbouwmaatregelen in het PAS zoals opgenomen in het PAS-scenario omvatten:

  1. Aanscherping emissiegrenswaarden in het Besluit huisvesting. Het effect hiervan in de zichtjaren wordt in AERIUS berekend, op basis van een vaste vervangingsgraad voor stallen in de tijd (jaarlijks wordt een deel van de stallen vervangen) en de gegevens uit het stallenbestand van AERIUS (voldoet een stal wel of niet al aan nieuwe grenswaarden en zo nee, wat is dan reductiepotentieel bij vervanging)
  2. Voer- en managementmaatregelen (zoals afgesproken in de Overeenkomst generieke maatregelen van het PAS). Het effect hiervan wordt in AERIUS berekend via een vast ingeboekte emissiereductie van 3 kton NH3/jaar in de zichtjaren, te behalen bij melkkoeien (RAV code A1) en vrouwelijk jongvee (RAV code A3), en bezien ten opzichte van het scenario zonder generieke maatregelen en zonder verdere aanscherping grenswaarden via provinciaal beleid
  3. Mestbeleid. Het effect hiervan wordt berekend via een vast ingeboekte emissiereductie van 2 kton NH3/jaar in de zichtjaren

10. De ‘groei-emissies’ voor iedere sector waar in het gekozen PBL-scenario rekening mee wordt gehouden, worden in AERIUS Monitor via de zogenoemde ‘waterbedmethode’ ruimtelijk over Nederland verdeeld. Via deze methode wordt de PBL-groei van iedere sector ruimtelijk gemodelleerd op de plekken waar hij in de toekomst verwacht wordt. Dit betekent dat op plekken waar meer (prioritaire) projecten worden voorzien, ook een groter deel van de totale sectorgroei zal worden gemodelleerd in de trendberekening. Het gaat bij het waterbed om een herverdeling van de PBL-groei; in principe (zie uitzondering onder 11) wordt de totale landelijke PBL-groei in het PAS-scenario niet overschreden. Als er meer vraag binnen een sector is dan er volgens PBL voor 2020 beschikbaar is, dan wordt deze groei voor alle projecten naar rato beperkt, zodat deze precies gelijk is aan de door PBL voorspelde groei (het zogenaamde aftoppen). Voor provinciale prioritaire projecten wordt de resterende behoefte vervolgens in mindering gebracht op de overige ontwikkelingsruimte (S2).

11. In aanvulling op het vorige punt wordt voor bepaalde projecten de toekomstige depositiebijdrage (de behoefte) altijd volledig opgenomen in de depositieberekening van de toekomst, ook als dat betekent dat de PBL-groei voor de betreffende sector overschreden wordt. Voor deze specifiek aangewezen projecten geldt ‘behoefte = ruimte’. De groei die de PBL-raming overschrijdt komt voor deze projecten ten laste van de depositiedaling (minder snelle daling). Voor de uiteindelijke reservering in S1 (de depositieruimte die wordt gereserveerd voor prioritaire projecten) is voor deze projecten geen ruimte nodig uit S2. De keuze voor behoefte = ruimte bij bepaalde projecten kan er wel toe leiden dat er op landelijk niveau méér groei wordt gemodelleerd dan het PBL voor de sector voorziet. Ook is er een grotere kans op lokale pieken in depositie. Voor de volgende projecten geldt ‘behoefte = ruimte’:

  • Projecten voor het Hoofdvaarwegennet en Hoofdwatersysteem (HVWN en HWS) (IenM)
  • Projecten Defensie
  • Provinciale wegprojecten (alleen SRM2)
  • Enkele individueel aangewezen provinciale projecten
  • Cranendonck – industriepark DIC – Provincie Noord-Brabant
  • Bedrijventerrein Westpoort – Provincie Noord-Holland
  • Bedrijventerrein Hoogtij - Provincie Noord-Holland
  • Bedrijventerrein Grote Hout - Provincie Noord-Holland
  • Bedrijventerrein IJmond - Provincie Noord-Holland
  • Uitbreiding Tata Steel - Provincie Noord-Holland
  • Haven en industriecomplex Rotterdam – Provincie Zuid-Holland
  • Containerisatie haven Vlissingen – Provincie Zeeland
  • Zeehaven Kanaalzone – Provincie Zeeland
  • Yara – Provincie Zeeland
  • Gebiedsontwikkeling Venray – Provincie Limburg

12. Voor enkele sectoren wordt bij het berekenen van de depositietrend afgeweken van de algemene werkwijze. Voor deze sectoren wordt geen of slechts gedeeltelijk gebruik gemaakt van de PBL-groei en de waterbedmethode (en van het al dan niet ‘aftoppen’ van projecten in dat waterbed), en zijn eigen gegevens voor de groei en trend leidend. Dit worden ook wel de ’verfijnde sectoren’ genoemd. De volgende ‘verfijningen’ zijn opgenomen in de depositie van de toekomst:

  • landbouw stallen (NH3): groei in dieraantallen wordt per stal gemodelleerd met behulp van groeifactoren per diercategorie, gebaseerd op aantallen diergroei die PBL voorziet. Uitgangspunt is het stallenbestand dat ook de basis vormt voor de berekening voor 2014
  • Hoofdwegennet: groeiberekening op basis van verkeersnetwerkgegevens RWS. De berekende groei wordt opgeteld bij de depositie in het scenario zonder groei. De depositie zonder groei wordt berekend door het verkeersnetwerk van 2014 door te rekenen met de (steeds schoner wordende) emissiefactoren van het betreffende zichtjaar
  • Onderliggend wegennet: op basis van verkeersnetwerken aangeleverd door de provincies wordt de gewenste/voorziene ‘netwerkgroei’ voor het OWN berekend. Deze netwerkgroei wordt op depositieniveau per hexagoon vergeleken met de berekende PBL-groei voor het OWN. Als de PBL-groei kleiner blijkt dan de voorziene netwerkgroei, worden de PBL-groei en daarmee ook de depositietrend met het verschil opgehoogd
  • Luchthavens NOx: berekening op basis van specifiek aangeleverde emissies door IenM. Voor zowel de situatie in 2014 als voor de toekomstige situatie worden gegevens aangeleverd. Voor het scenario zonder groei wordt aangenomen dat de emissies uit 2014 constant blijven. De groei wordt berekend door het verschil te nemen tussen de emissies in 2014 en de emissies in de toekomstige situatie
  • Rijnmondgebied NOx (binnenvaart, zeevaart en industrie inclusief mobiele bronnen): groeiberekening op basis van specifiek aangeleverde emissies door Provincie Zuid-Holland. Net als bij de verfijnde luchthavens wordt de groei berekend door het verschil te nemen in emissies tussen 2014-toekomst. Voor het scenario zonder groei wordt voor binnenvaart en industrie uitgegaan van gelijkblijvende emissies 2014. Voor zeevaart geldt een andere aanpak. Daar wordt de berekende Rijnmond-groei in de zichtjaren opgeteld bij de PBL-trend waar ook groei in zit
  • Railverkeer: ophoging van PBL-groei op relevante plekken nabij het spoor (en daarmee ophoging van de totale depositie in de zichtjaren)
  • Sector consumenten (NH3):  
    • Uitgangspunt bij de afzet van dierlijke mest op natuurterreinen en bij particulieren, is dat er geen groei is in de ammoniakemissie. Dit geldt ook voor de ammoniakuitstoot bij paarden en pony’s van particulieren.
    • Er is gebruik gemaakt van de recent beschikbare emissiefactor voor ammoniak van de sector consumenten (gekoppeld aan woningbouw)

13. Op de NH3-depositie die is berekend binnen AERIUS met het OPS-model, vindt een correctie plaats om het verschil tussen de gemeten en berekende ammoniakconcentratie in de lucht en de natte depositie van ammoniak te corrigeren. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de methodiek van het RIVM, waarbij zo goed mogelijk regionaal wordt afgestemd met metingen. Binnen AERIUS wordt de depositie voor bijtelling vertaald naar het schaalniveau van het PAS (hectareniveau).

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
677-3254
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie
  • 07-11-2016

Beleidsuitgangspunten bij berekenen ontwikkelingsbehoefte

Versie: 
07-11-2016

De beleidsuitgangspunten die ten grondslag liggen aan AERIUS Monitor 2016 zijn vastgesteld door de Regiegroep Natura 2000 en PAS.
De volgende categorieën beleidsuitgangspunten worden onderscheiden:

De beleidsuitgangspunten bij het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte zijn:

1. Monitor maakt een inschatting van de voorziene ontwikkelingsbehoefte per sector, en vergelijkt vervolgens de totale ontwikkelingsbehoefte met de totale depositieruimte, waarmee voorziene tekorten of overschotten aan ontwikkelingsruimte ingeschat worden.

2. De totaal berekende ontwikkelingsbehoefte wordt gebruikt om de indeling in segmenten van de depositieruimte te bepalen. Per sector wordt daarvoor onderscheid gemaakt in een behoefte voor Prioritaire Projecten (PP) en een overige behoefte.

3. De omvang van de prioritaire behoefte volgt uit de aangeleverde gegevens door PAS-partijen. Het gaat om de gewenste reservering van de prioritaire projecten in S1. De omvang van de overige behoefte voor een sector wordt berekend door de totale groeibehoefte zoals die ook is opgenomen in de depositieruimte, te verminderen met het deel dat reeds door de prioritaire behoefte voor die sector wordt ingevuld (met een minimum van nul). Daarbij wordt wel een minimumwaarde gehanteerd voor de overige behoefte, voor die sectoren waarvan het onrealistisch is om aan te nemen dat er naast de Prioritaire Projecten geen enkele ontwikkeling zal plaatsvinden. Dit om een zo goed mogelijke inschatting van de voorziene ontwikkelingsbehoefte te kunnen maken (en daarmee een zo goed mogelijke inschatting van voorziene tekorten):

  • Voor stallen geldt dat als meer dan 70% van de totale berekende groeibehoefte zoals opgenomen in de depositieruimte al wordt ingevuld door een reservering voor prioritaire projecten, de overige behoefte op die plek wordt opgehoogd zodat deze altijd minimaal 30% blijft van de oorspronkelijk berekende netto groeibehoefte
  • Voor de ‘waterbedsectoren’ (ENINA, glastuinbouw, consumenten, zeescheepvaart en binnenvaart) geldt dat altijd een minimale overige behoefte is aangehouden van 20% van de groeibehoefte in depositie die je voor de sector zou hebben berekend als alle PBL groei als een deken over de bestaande emissiebronnen in Nederland was gemodelleerd (waarbij iedere bestaande emissiebron dezelfde percentuele groei krijgt).

4. De ontwikkelingsbehoefte van de Prioritaire Projecten bepaalt de omvang van segment 1.

5. De overige (niet prioritaire) ontwikkelingsbehoefte van een sector wordt, afhankelijk van de sector, gezien als S2-behoefte of als NTVP-behoefte. Hierbij wordt de volgende indeling gehanteerd:

Sector NTVP Segment 2
Consumenten X  
Handel, Diensten en Overheid X  
ENINA   X
Mobiele bronnen   X
Luchtvaart X  
Zeescheepvaart   X
Zeescheepvaart NCP X  
Binnenvaart   X
Overige scheepvaart X  
Stallen   X
Bemesting X  
Kassen   X
Landbouw overig X  

* Hoofdwegennet, Onderliggend wegennet en railverkeer zijn niet opgenomen in de tabel omdat hier geen groeibehoefte resteert.  De groeibehoefte van deze sectoren is geheel opgenomen als prioritair.

6. De ontwikkelingsbehoefte voor de NTVP sectoren bepaalt direct de omvang van de reservering in NTVP.

7. De omvang van de GWR is gelijk aan 30% van de berekende voorziene ontwikkelingsbehoefte voor Segment 2.

8. De omvang van Segment 2 is altijd de totale berekende depositieruimte (inclusief extra ruimte door beleid), minus de benodigde reservering op basis van voorziene behoefte voor NTVP, GWR en Segment 1.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
679-3260
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie
  • 07-11-2016

Nadere beleidskeuzes

Versie: 
07-11-2016

De beleidsuitgangspunten die ten grondslag liggen aan AERIUS Monitor 2016 zijn vastgesteld door de Regiegroep Natura 2000 en PAS.
De volgende categorieën beleidsuitgangspunten worden onderscheiden:

De aanvullende beleidsuitgangspunten (nadere beleidskeuzes) hebben betrekking op de volgende onderdelen:

  • natuurgegevens
  • rekenmodellen
  • prioritaire projecten
  • hoofdwegennet (HWN)
  • landbouw.

Deze aanvullende beleidsuitgangspunten zijn beschreven in een aparte notitie.

Factsheet

Factsheet
681-3262
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie
  • 07-11-2016