AERIUS Monitor 2015

Releasedatum: 07-09-2015

Index

AERIUS Monitor in het kort

[no-lexicon]

AERIUS Monitor geeft op hectareniveau inzicht in:

  • depositietrend: verwachte depositieontwikkeling in de tijd, voor meerdere beleidsscenario’s
  • extra daling door PAS: effect van het PAS-beleid op de emissies en depositie
  • depositieruimte en ontwikkelingsruimte: deel van totale depositie, dat beschikbaar is voor nieuwe ontwikkelingen
  • confrontatie depositieruimte en ontwikkelingsbehoefte: verwachte overschotten of tekorten aan ontwikkelingsruimte.

Aan de berekeningen in Monitor 2015 liggen diverse beleidsmatige uitgangspunten en keuzes ten grondslag:
samenvatting Beleidsuitgangspunten Monitor 2015.

Ontwikkeling stikstofdepositie in Natura2000 gebieden
AERIUS Monitor geeft op hectareniveau inzicht in de stikstofdepositie in Natura2000 gebieden voor de huidige situatie (2014) en de toekomstjaren 2020 en 2030. Voor de toekomstjaren zijn de totale deposities weergegeven voor twee beleidsscenario’s:

  • basisscenario (autonome ontwikkeling: vaststaand en voorgenomen beleid, zonder PAS)
  • basisscenario + PAS beleid van rijk en provincies.

Voor het scenario met PAS beleid geeft Monitor inzicht in de opbouw van de totale stikstofdepositie, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de bijdragen van Nederlandse sectoren, de bijdrage van buitenlandse bronnen en overige bijdragen. Het scenario met aanvullend PAS beleid vormt tevens de basis voor de PAS en de gebiedsanalyses.

Depositieruimte en ontwikkelingsruimte: ruimte voor nieuwe ontwikkelingen
Bij de berekening van de depositiebijdrage van sectoren in toekomstjaren houdt Monitor rekening met een (sectorafhankelijke) economische groei. Zonder deze economische groei, zou de toekomstige depositiebijdrage lager zijn. Het deel van de toekomstige depositiebijdrage dat het gevolg is van de voorziene economische groei binnen alle sectoren, is de totale groeibehoefte. Deze ‘groeibehoefte’ van alle sectoren wordt binnen de PAS beschikbaar gesteld als depositieruimte voor alle nieuwe ontwikkelingen die vanaf het begin van de PAS plaats zullen gaan vinden.

Depositieruimte wordt toegekend op alle relevante hexagonen waar (mogelijk) sprake is van een overbelaste situatie voor stikstofdepositie. De depositieruimte is aangevuld met de helft van het effect van het aanvullende (generieke) PAS rijksbeleid en de helft van het effect van het aanvullende PAS beleid van de provincie Limburg.

Omdat de depositieruimte in zijn geheel onderdeel is van de totale depositie en de totale depositie beschouwd is bij de ecologische beoordelingen (via de gebiedsanalyses), is hiermee ook het uitgeven van alle berekende depositieruimte ecologisch beoordeeld.

Een deel van de berekende depositieruimte wordt gereserveerd voor autonome ontwikkelingen waarop niet gestuurd kan worden (ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit of vergunning nodig is) en voor ontwikkelingen die met de PAS alleen een meldingsplicht hebben omdat ze onder de zogenoemde grenswaarde vallen. Wat overblijft wordt de ontwikkelingsruimte genoemd. Dit is het deel van de depositieruimte dat beschikbaar wordt gesteld als ontwikkelingsruimte die vervolgens via vergunningverlening uitgegeven kan worden. Een deel van deze beschikbare ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd voor zogenoemde ‘prioritaire projecten’. Dit wordt ook wel 'segment 1' genoemd. Het resterende, vrij uitgeefbare deel van de ontwikkelingsruimte wordt ‘segment 2’ genoemd.

Monitor berekent de omvang van de totale depositieruimte en de omvang van de benodigde reserveringen voor autonome ontwikkelingen, ontwikkelingen die onder de grenswaarde vallen en prioritaire projecten in segment 1. Daaruit volgt de omvang van de resterende, vrij beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2.

Ontwikkelingsbehoefte en depositieruimte: mogelijke tekorten
Bij de berekening van de totale depositie is voor iedere sector al rekening gehouden met een bepaalde economische groei. Deze groeibehoefte is automatisch opgenomen in de depositieruimte. Voor sommige sectoren of gebieden is deze groeibehoefte berekend op basis van heel specifieke groeiverwachtingen. Dit worden binnen Monitor de ‘verfijnde sectoren’ genoemd. De groeibehoefte van de verfijnde sectoren kan afwijken van de landelijke groeibehoefte die het RIVM voor de betreffende sectoren voorziet. Voor de niet verfijnde sectoren is de groeibehoefte die is opgenomen in de totale depositie en depositieruimte gemaximaliseerd op de landelijke emissiegroei die voorziet is in het RIVM scenario met hoge economische groei ten opzichte van een scenario zonder economische groei. Deze landelijke emissiegroei is ruimtelijk zoveel mogelijk toebedeeld aan regio’s waar voor de betreffende sectoren ook veel groei voorzien wordt.

Bij het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte wordt bij alle sectoren uitgegaan van een specifieke groeibehoefte, op basis van aangeleverde Prioritaire Projecten. Met name bij de niet verfijnde sectoren kan deze specifieke ontwikkelingsbehoefte lokaal hoger zijn dan de groeibehoefte die is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. In beginsel kunnen dergelijke lokale pieken in ontwikkelingsbehoefte opgevangen worden met de extra depositieruimte door beleid (PAS maatregelen rijk en provincies). Het kan echter voorkomen dat de extra depositieruimte door beleid niet voldoende is om een lokale piek in ontwikkelingsbehoefte op te vangen en dan ontstaat er een (voorzien) tekort aan ontwikkelingsruimte.

Monitor laat per sectorniveau zien wat de totale ontwikkelingsbehoefte is. Tevens is in Monitor terug te vinden of en in hoeverre er lokaal een tekort aan ontwikkelingsruimte wordt voorzien.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
383-2624
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Beleidsscenario's en effect PAS-beleid

[no-lexicon]In het kort
Met Monitor is de totale depositiebijdrage in Natura2000 gebieden voor de volgende situaties berekend:

  1. Huidige situatie (2014), op basis van feitelijke emissies
  2. Toekomstige situatie (2020 en 2030), voor drie beleidsscenario’s:
    - basisscenario (autonome ontwikkeling: vaststaand en voorgenomen beleid, zonder aanvullend PAS beleid)
    - basisscenario + aanvullend PAS beleid rijk
    - basisscenario + aanvullend PAS beleid rijk en provincies.

De totale depositie volgens het scenario met aanvullend PAS beleid van zowel rijk als provincies is het uitgangspunt voor de gebiedsanalyses van de PAS. De deposities in de andere twee toekomstscenario’s zijn alleen berekend om het effect van de landelijke PAS-maatregelen voor de depositiebijdrage van veehouderijen te bepalen. Dit is nodig voor de berekening van de extra depositieruimte (de extra ruimte voor economische ontwikkelingen die vrijkomt ten gevolge van de maatregelen) en voor de vergelijking van de beschikbare ontwikkelingsruimte voor de landbouw met het effect van de generieke maatregelen voor de veehouderij.

Wat is het verschil tussen de beleidsscenario’s?

Basisscenario (autonome ontwikkeling)
De autonome ontwikkeling beschrijft de verwachte depositieontwikkeling voor de situatie zonder PAS. Er wordt rekening gehouden met vaststaand en voorgenomen beleid dat RIVM ook hanteert bij opstellen van de GCN/GDN kaarten, maar dan zonder PAS-maatregelen. Voor de economische groei wordt uitgegaan van dezelfde economische groei als in de scenario’s met PAS, met uitzondering van stallen. Voor stallen is als autonome ontwikkeling uitgegaan van een lagere groei. Uitgangspunt van de PAS is namelijk dat de economische groei bij stallen in een situatie zonder PAS zal stagneren, als gevolg van de huidige Nb-wetgeving.

Basisscenario met aanvullend PAS beleid rijk
Het scenario met alleen aanvullend PAS beleid van het rijk is alleen berekend omdat dit nodig is om de depositieruimte te kunnen berekenen. De resultaten van dit scenario worden niet getoond in Monitor. Dit beleidsscenario beschrijft de verwachte depositieontwikkeling voor een situatie met PAS, maar dan nog zonder provinciaal PAS beleid. De depositieontwikkeling in dit scenario wijkt op twee punten af van de autonome ontwikkeling:

  • In de autonome ontwikkeling is sprake van stagnatie in de economische groei bij stallen. De PAS voorkomt deze stagnatie en zorgt voor hogere groei en daarmee ook hogere stalemissies.
  • Het effect van generiek aanvullend PAS rijksbeleid is meegenomen (generieke PAS-maatregelen veehouderijen). Dit leidt tot een afname van de stal- en mestemissies ten opzichte van de autonome ontwikkeling.

Zolang de afname van stal- en mestbijdragen door het generieke beleid enerzijds groter is dan de toename van de stalbijdrage door het oplossen van de stagnatie anderzijds, is sprake van een netto daling ten opzichte van de autonome ontwikkeling zonder PAS. De helft van deze netto depositiedaling wordt met de PAS beschikbaar gesteld als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. In Monitor wordt de extra depositieruimte berekend en meegenomen bij de totale depositie als bijdrage onder ‘overige depositie’. Dit betekent dat bij de totale depositie altijd al rekening is gehouden met het volledig invullen van de extra depositieruimte.

Basisscenario met aanvullend PAS beleid rijk en provincie
Dit beleidsscenario vormt het uitgangspunt voor de gebiedsanalyses van de PAS. In dit scenario is, naast het generiek aanvullend PAS rijksbeleid, ook uitgegaan van provinciaal landbouwbeleid van de provincies Limburg en Noord-Brabant. Hierdoor dalen de stalemissies in Noord-Brabant en Limburg sneller dan in het scenario met alleen rijksbeleid. Dit scenario leidt ook tot meer depositieruimte, omdat de helft van het berekende effect van het beleid in Limburg eveneens beschikbaar wordt gesteld als extra depositieruimte. Ook deze extra depositieruimte door het beleid van Limburg wordt opgenomen als depositiebijdrage onder ‘overige depositie’ bij de achtergronddepositie. Bij de uiteindelijke depositie die voor dit scenario wordt gepresenteerd, wordt dus wederom rekening gehouden met het volledig invullen van alle (extra) depositieruimte.

Wat houdt het PAS-beleid in?
Bij het PAS beleid wordt onderscheid gemaakt in generieke maatregelen voor veehouderijen en aanvullend provinciaal beleid.

De generieke maatregelen veehouderij (landelijke of generieke rijksbeleid van de PAS) omvat de volgende sporen:

  • aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen
  • voer- en managementmaatregelen bij stallen
  • mestbeleid.

De helft van het berekende depositie-effect van deze maatregelen komt beschikbaar als depositieruimte. Het effect van de aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen en de voer- en managementmaatregelen bij stallen is in Monitor integraal verwerkt in de berekende emissies voor stallen. Bij mest is het effect van het PAS-beleid eenmalig berekend en deze reductie is in beide PAS-scenario’s en beide toekomstjaren toegepast op de sectorbijdrage in de autonome ontwikkeling (Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte mest).

Het aanvullend provinciaal PAS beleid omvat de extra aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen in Limburg en Noord-Brabant. Bij Noord-Brabant komt deze daling ten goede aan de natuur. De extra depositiedaling bij stallen die het aanvullende beleid in Limburg veroorzaakt, komt voor de helft ten goede aan de natuur. De andere helft komt beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
388-2625
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen depositie bijtelling

Er zijn verschillen tussen de gemeten concentraties en natte deposities van ammoniak  en de concentraties en deposities  die worden berekend met het rekenmodel OPS van het RIVM. Op basis van deze verschillen is een correctie op de depositie bepaald: de zogenoemde ‘bijtelling’. Het RIVM past deze bijtelling toe bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

Monitor past deze bijtelling ook toe bij het bepalen van de totale deposities. Deze bijtelling is gelijk aan de bijtelling die RIVM toepast. Een uitgebreide toelichting op de bijtelling is opgenomen in het RIVM rapport over de GCN/GDN kaarten.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
408-2999
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositie en groeibehoefte niet-verfijnde sectoren

In het kort[no-lexicon]
De niet-verfijnde sectoren zijn (delen van) sectoren waarvoor de depositiebijdrage en groeibehoefte is bepaald op basis van de emissiegegevens (NOX en NH3) en de groeiscenario’s die het RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

Op verschillende locaties zijn in AERIUS de emissies van het RIVM ruimtelijk herverdeeld. Bijvoorbeeld het ‘uitplaatsen’ van emissies in N2000 gebieden en het toedelen van scheepvaartemissies aan vaarwegen. Verder zijn de groei-emissies zoals het RIVM die voorziet voor een sector ruimtelijk verdeeld over Nederland op basis van de zogenoemde ‘waterbed-methode’. Dit betekent dat de meeste groei gemodelleerd is daar waar ook de meeste economische ontwikkeling voor die sector wordt voorzien.

Hoe is de depositie bij niet verfijnde (delen van) sectoren bepaald?
Om de niet verfijnde depositiebijdrage per sector te berekenen is de volgende werkwijze aangehouden:

  1. Monitor berekent per sector en stof de depositiebijdrage in de huidige situatie (2014) op basis van emissiegegevens die zijn afgeleid van de emissiegegevens die RIVM heeft aangeleverd en ook worden gebruikt voor de GCN/GDN kaarten. Deze emissiegegevens geven waarden voor de emissies NOX en NH3 in het basisjaar. De berekende depositiebijdragen voor het basisjaar zijn vervolgens geschaald naar 2014, uitgaande van het groeiscenario met hoge economische groei (2,5%) en vaststaand en voorgenomen beleid (ABR). De daarbij toegepaste schaalfactoren zijn afgeleid van de schaalfactoren die RIVM hanteert voor de GCN/GDN kaarten.
  2. Vervolgens berekent Monitor voor iedere sector en stof de depositiebijdrage in 2020 en 2030 voor een scenario zonder economische groei (vanaf de start van de PAS in 2015). Daartoe schaalt Monitor de depositiebijdragen in 2014 naar 2020 en 2030, volgens het ‘0% groeiscenario’ (PAS OnderRaming of POR). Dit leidt tot een depositiebijdrage in 2020 en 2030 voor een (hypothetisch) scenario zonder groei.
  3. Monitor berekent tenslotte voor iedere sector de voorziene groeibehoefte (in depositie) voor 2020 en 2030 en telt deze groeibehoefte op bij de sectorbijdrage zonder groei. Dit levert de totale toekomstige sectorbijdrage op. Dezelfde groeibehoefte is ook opgenomen in de depositieruimte.

Hoe is de groeibehoefte bij niet verfijnde (delen van) sectoren bepaald?
De niet-verfijnde groeibehoefte binnen Monitor  is als volgt berekend:

  1. Per sector en stof is de groeibehoefte in emissies bepaald, door te kijken naar het verschil in totale emissieontwikkeling tussen enerzijds het groeiscenario met hoge economische groei (ABR) en anderzijds een groeiscenario zonder economische groei (POR). In het scenario zonder economische groei dalen de emissies sneller dan in het scenario met hoge economische groei. Dat verschil is de landelijke groeibehoefte uitgedrukt in emissie.
  2. Per sector is de in stap 1 bepaalde landelijke emissiegroei vervolgens ruimtelijk verdeeld over Nederland. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de groei zo veel mogelijk wordt toebedeeld aan gebieden waar daadwerkelijk groei verwacht wordt voor de betreffende sector, zonder daarbij de totale landelijke emissiegroei te overschrijden. Deze toedeling is de zogenoemde ‘waterbedmethode’. Bij de bepaling in welke gebieden meer of minder groei wordt verwacht is uitgegaan van de zo volledig mogelijke lijst met voorziene toekomstige projecten. In die gebieden waar de voorziene projecten leiden tot pieken in ontwikkelingsbehoefte, wordt daarmee ook een piek berekend in de depositieruimte en totale depositie.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
390-2654
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage buitenland

[no-lexicon]De depositiebijdrage vanuit het buitenland is door AERIUS berekend als een ‘niet verfijnde sector’, op basis van emissiegegevens NOX en NH3 voor het basisjaar waarvan RIVM is uitgegaan bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten (ronde 2015). 
Voor de locaties van de buitenlandse emissiebronnen gaat RIVM uit van gridcellen met een zodanig grote schaal dat de gridcellen een overlap kennen met het Nederlands grondgebied (zie voorbeeld in figuur 1). Om te voorkomen dat buitenlandse emissies modelmatig worden toebedeeld aan locaties op Nederlands grondgebied, zijn in Monitor de overlappende emissies eerst ‘uitgeplaatst’ en daarmee teruggelegd in Duitsland en België (zie voorbeeld in figuur 2). De totale emissies wijzigen hierdoor niet: Monitor 2015 gaat uit van dezelfde totale emissies door buitenlandse bronnen als de totale emissies die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten 2015.

Op basis van de ruimtelijk herverdeelde emissies voor het basisjaar berekent Monitor de depositiebijdragen in het basisjaar met het rekenmodel OPS van het RIVM. 
De berekende depositiebijdragen zijn vervolgens geschaald naar depositiebijdragen voor 2014 en de toekomstjaren (2020 en 2030). Daarbij is uitgegaan van schaalfactoren voor de bijdrage van buitenlandse bronnen die zijn afgeleid van de buitenlandbijdragen zoals opgenomen in de GDN kaarten voor de beschouwde jaren.[/no-lexicon]

Figuur 1 - Locatie emissies buitenland 'niet-uitgeplaatst' (GCN/GDN 2015)

Figuur 2 - Locatie emissies buitenland 'uitgeplaatst' (Monitor 2015)

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
406-2655
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage door ammoniakemissies uit zee

Versie: 
15-12-2015

In het kort
Ammoniakemissies van onder meer algen in de zee dragen bij aan de stikstofdepositie op N2000 gebieden. AERIUS berekent deze depositiebijdrage voor de huidige en toekomstige situaties op basis van de ammoniakemissies in de RIVM bronbestanden die ook worden gebruikt bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De RIVM bronbestanden met emissies uit zee geven waarden per vak van 2x2 km. Enkele vakken overlappen deels met het vasteland. AERIUS heeft de data uit de RIVM-bronbestanden ruimtelijk herverdeeld om te voorkomen dat de ammoniak emissies van algen en andere ‘bronnen’ in het zeegebied worden toebedeeld aan locaties op het vasteland.

De depositiebijdrage van de emissies uit zee vervangt de zogenoemde duinenbijtelling die in eerdere versies van AERIUS Monitor is verwerkt.

Hoe zijn de emissies ruimtelijk herverdeeld?
De onderstaande figuur illustreert de ruimtelijke verdeling van de emissies uit zee die volgt uit de RIVM bronbestanden (publicatie). Op basis van deze ruimtelijke verdeling komen de emissies deels op land te liggen.

In AERIUS zijn de emissies op land verplaatst naar zee en herverdeeld met behoud van het landelijk totaal aan emissies. Rondom N2000 gebieden zijn de emissies ook ruimtelijk verfijnd. Onderstaande figuur illustreert dit.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
407-3000
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte ENINA buiten Rijnmondgebied

[no-lexicon]Bij de verfijnde berekeningen voor de emissies van de sectoren Energie, Industrie en Afvalverwerking (ENINA) is onderscheid gemaakt in de emissies binnen het Rijnmondgebied (factsheet verfijning Rijnmondgebied) en emissies in de rest van Nederland. In deze factsheet wordt toegelicht op welke wijze de ENINA emissies buiten het Rijnmondgebied zijn verfijnd op basis van aangeleverde projectgegevens.

De berekening van ENINA buiten het Rijnmondgebied is in beginsel een ‘niet-verfijnde’ berekening, waarbij de RIVM emissieontwikkeling wordt aangehouden en de RIVM groei-emissies ruimtelijk over Nederland zijn herverdeeld op basis van de ‘waterbedmethode’. ENINA is hier echter toch een verfijnde sector genoemd, door de beleidskeuze om bepaalde provinciale projecten volledig in de ruimte op te nemen waardoor de totale emissies waarmee gerekend is afwijken van de RIVM emissies. Geredeneerd vanuit de waterbedmethode zou de bijdrage van alle ENINA projecten namelijk ‘afgetopt’ moeten worden bij de berekeningen van de depositieruimte. Omdat gekozen is dit niet voor alle projecten te doen, is effectief met meer emissie gerekend dan waar het RIVM vanuit gaat. Het deel van deze projecten dat eigenlijk afgetopt had moeten worden is extra groei die mogelijk wordt gemaakt. Dit is de ‘verfijning’.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
624-2642
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte ENINA, mobiele werktuigen en scheepvaart binnen Rijnmondgebied

In het kort[no-lexicon]
Bij de verfijnde berekeningen voor de emissies van de sectoren Energie, Industrie en Afvalverwerking (ENINA) en scheepvaart is onderscheid gemaakt in de emissies binnen het Rijnmondgebied  en emissies in de rest van Nederland. Deze factsheet beschrijft op welke wijze de ENINA emissies binnen het Rijnmondgebied zijn verfijnd op basis van aangeleverde projectgegevens. De verfijning van het Rijnmondgebied voor de genoemde sectoren geldt alleen voor NOX.

  • Voor ENINA (inclusief mobiele werktuigen) en binnenvaart zijn voor het Rijnmondgebied zowel de emissies in de huidige (2014) als de toekomstige situatie (2020 en 2030) verfijnd. Dat betekent dat bij het bepalen van de sectorbijdrage voor het Rijnmondgebied (inclusief Maasvlakte 2) in zowel de huidige als toekomstige situaties volledig is uitgegaan van aangeleverde verfijnde emissies. Het verschil tussen de huidige situatie en de toekomst is de verfijnde groeibehoefte voor het Rijnmondgebied voor deze sectoren. Dit is de groeibehoefte die is opgenomen in de depositieruimte en die ook is gereserveerd in segment 1 (als ontwikkelingsbehoefte voor het Rijnmondgebied voor ENINA en binnenvaart).
  • Voor zeescheepvaart is bij het bepalen van de sectorbijdrage voor het Rijnmondgebied uitgegaan van de emissieontwikkeling die het RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. Echter, voor de toekomst (2020 en 2030) is deze RIVM sectorbijdrage aangevuld met de groeibehoefte die specifiek is berekend voor het Rijnmondgebied op basis van aangeleverde verfijnde gegevens. Deze berekende verfijnde groeibehoefte voor het gebied is, net als de niet verfijnde RIVM groei, opgenomen in de depositieruimte. De verfijnde groeibehoefte (de ophoging) is daarnaast gereserveerd in segment 1 als zijnde de groeibehoefte voor zeescheepvaart voor het Rijnmondgebied.

Hoe berekent Monitor de depositiebijdrage en groeibehoefte van ENINA en binnenvaart voor het Rijnmondgebied?
Monitor heeft de Rijnmondbijdrage voor ENINA (inclusief mobiele werktuigen) en binnenvaart in de huidige situatie (2014) berekend door de NOX emissies voor 2012 die de provincie Zuid-Holland heeft aangeleverd met 1% groei per jaar te schalen naar 2014. Op basis van de geschaalde emissies is vervolgens de depositiebijdrage in 2014 berekend.
De zo berekende bijdrage voor 2014 vervangt de bijdrage op basis van de RIVM emissies voor het gebied voor de huidige situatie.

Voor 2020 gaat Monitor uit van de NOX emissies die de provincie Zuid-Holland heeft aangeleverd voor de ‘toekomstige situatie’, die gelden voor 2024 (beleidsuitgangspunt). Voor 2020 is uitgegaan van de aangeleverde emissiewaarden voor 2024. Voor 2030 zijn de aangeleverde emissiewaarden voor 2024 door geschaald naar 2030 door uit te gaan van 1% groei per jaar vanaf 2024.
De groeibehoefte voor deze sectoren in het Rijnmondgebied in 2020 en 2030 volgt uit de vergelijking van de berekende depositiebijdrage in 2020 en 2030 met de depositiebijdrage in 2014.
Deze groeibehoefte van ENINA en binnenvaart is volledig opgenomen in de depositieruimte en komt aan de kant van de ontwikkelingsbehoefte terug als prioritaire ontwikkelingsbehoefte (reservering segment 1).

Hoe berekent Monitor de depositiebijdrage en groeibehoefte van zeescheepvaart?
Monitor berekent de NOX depositiebijdrage van zeescheepvaart in het Rijnmondgebied in de huidige en toekomstige situaties conform de rekenmethode voor niet-verfijnde sectoren, dus op basis van de RIVM-emissieontwikkeling. Alleen voor de toekomstjaren is deze RIVM depositiebijdrage vervolgens opgehoogd met de groeibehoefte voor zeescheepvaart in het Rijnmondgebied. Deze verfijnde groeibehoefte is op dezelfde wijze berekend als de groeibehoefte voor ENINA en binnenvaart, op basis van door de provincie Zuid-Holland aangeleverde emissiegegevens voor zowel de huidige als toekomstige situatie. De verfijnde groeibehoefte van het Rijnmondgebied is evenals de RIVM groei voor zeescheepvaart volledig opgenomen in de depositieruimte. Echter alleen de verfijnde groeibehoefte komt ook terug als reservering in segment 1. Immers de RIVM groeibehoefte is geen prioritaire behoefte.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
623-2641
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte HWN

[no-lexicon]In het kort
De depositiebijdrage van het verkeer op het hoofdwegennet (HWN) in Monitor volgt uit de resultaten van twee typen berekeningen. Beide berekeningen zijn uitgevoerd op basis van HWN emissies die volgen uit de door ministerie van IenM aangeleverde verkeersnetwerken voor het hoofdwegennet. De aangeleverde netwerken zijn in beginsel gelijk aan de verkeersnetwerken die worden gebruikt voor het NSL. Het enige verschil is dat in de PAS-netwerken uitgegaan wordt van een (verdere) uitbreiding van de maximum snelheid van 130 km/uur op alle wegen (behalve op plekken waar het vanuit verkeersveiligheid niet kan).

De totale bijdrage van het HWN is altijd de som van beide berekeningen.

  • Met Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 is de HWN-bijdrage berekend op alle rekenpunten die binnen 3 km van een snelweg liggen. Deze ‘SRM2-bijdrage’ komt in AERIUS dus alléén voor op hexagonen die binnen 3 km van een snelweg liggen. Bij de SRM2 berekening zijn voor ieder rekenpunt de HWN emissies meegenomen tot een afstand van 5 km van het rekenpunt
  • Met het rekenmodel OPS van het RIVM is daarnaast voor ieder rekenpunt berekend wat de bijdrage is van alle HWN emissies die nog niet met de SRM2 berekening zijn meegenomen. Voor rekenpunten die buiten 3 km van enige snelweg liggen, zijn dit dus alle HWN emissies in Nederland. Immers op die rekenpunten is er geen SRM2 bijdrage. Voor rekenpunten binnen 3 km zijn met de OPS berekening alleen de HWN emissies meegenomen die verder dan 5 km van het rekenpunt afliggen. Immers de emissies binnen 5 km zijn voor deze rekenpunten al meegenomen met de SRM2 berekening

De bijdrage van het HWN is berekend voor de huidige situatie en voor de toekomstige situatie zonder groei. Vervolgens is berekend wat de totale groeibehoefte is voor zowel het SRM2 deel als het OPS deel. Deze groeibehoeften zijn opgeteld bij de toekomstige bijdrage zonder groei om de totale sectorbijdrage in de toekomst te bepalen. De berekende totale groeibehoefte van de OPS en SRM2 berekeningen samen is tevens opgenomen in de depositieruimte en is gereserveerd in segment 1 als zijnde de prioritaire behoefte voor het HWN.

Hoe wordt de depositiebijdrage en groeibehoefte berekend? 

Depositiebijdrage huidige situatie (2014)
Voor de huidige situatie zijn de verkeersgegevens in het aangeleverde referentienetwerk 2014 vermenigvuldigd met de emissiefactoren voor 2014. De resultaten zijn zonder verdere correcties gehanteerd als invoer voor de berekening van de ‘huidige depositiebijdrage HWN’ voor zowel de berekening met SRM2 als OPS.

Depositiebijdrage en groeibehoefte toekomstige situaties (2020 en 2030) 
De depositiebijdrage in de toekomst is opgebouwd uit de bijdrage in een scenario zonder groei, en de groeibehoefte. De som van de twee is de sectorbijdrage in de toekomst. 

De depositiebijdrage in 2020 en 2030 voor het scenario zonder groei is zowel met SRM2 als met OPS berekend door het verkeersnetwerk voor de referentiesituatie (2014) door te rekenen met de emissiefactoren voor 2020 en 2030. Op deze wijze is inzichtelijk gemaakt wat de bijdrage in de toekomst wordt als er vanaf het begin van het PAS geen enkele voertuigkilometer bij zou komen (geen economische groei), maar wel rekening wordt gehouden met de verschoning van het wagenpark in de tijd.

Bij het berekenen van de groeibehoefte is onderscheid te maken in de aanpak bij de OPS berekeningen enerzijds en de SRM2 berekeningen anderzijds. 
Bij de OPS berekeningen is de groeibehoefte bepaald door zowel voor 2020 als voor 2030 het netwerk van het betreffende toekomstjaar door te rekenen met emissiefactoren van de toekomst en de depositiebijdrage te verminderen met de bijdrage in het scenario zonder groei voor dat jaar. 

Bij de SRM2 berekeningen bestaat de groeibehoefte uit drie delen:

  • De groeibehoefte voor de eerste PAS-periode. Deze behoefte is berekend door het verschil te nemen tussen de bijdrage van het NSL-netwerk 2020 (inclusief 130 km/uur), doorgerekend met emissiefactoren 2017, met de bijdrage van het referentienetwerk 2014, ook doorgerekend met emissiefactoren van 2017
  • De groeibehoefte voor de tweede PAS-periode. Deze behoefte is berekend door het verschil te nemen tussen de bijdrage van het NSL-netwerk 2030 (inclusief 130 km/uur), doorgerekend met emissiefactoren 2020, met de bijdrage van het NSL-netwerk 2020 (inclusief 130 km/uur), ook doorgerekend met emissiefactoren van 2020
  • Een groeibehoefte ten behoeve van het opvangen van tijdelijke projecteffecten. Deze behoefte is berekend door het verschil te nemen tussen de bijdrage van NSL-netwerk 2020 (inclusief 130 km/uur) inclusief een ophoging voor de tijdelijke projecteffecten, doorgerekend met emissiefactoren 2017, te verminderen met de bijdrage van het gewone NSL-netwerk 2020 (inclusief 130 km/uur), eveneens doorgerekend met emissiefactoren 2017.

Voor 2020 is voor de totale SRM2 groeibehoefte uitgegaan van de som van deze drie groeibehoeftes. Voor 2030 is uitgegaan van de som van de groei van de eerste en tweede PAS-periode, maar is de groeibehoefte voor de tijdelijke projecteffecten niet meer meegenomen.

Bijdrage uitbreiding 130 km/uur
Bij het bepalen van de ontwikkeling van de stikstofdepositie door het wegverkeer op het hoofdwegennet is een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur als uitgangspunt gehanteerd. Dit is gebaseerd op het beleidsuitgangspunt dat waar mogelijk de maximumsnelheid op autosnelwegen naar 130 kilometer per uur wordt gebracht (kamerstuk). De bijdrage aan de stikstofdepositie van een eventuele snelheidsverhoging naar 130 km/uur is opgenomen als autonome groeibehoefte binnen de totale groeibehoefte van het HWN.
Om te bepalen welk deel van de totale SRM2-groeibehoefte in de periode 2014-2020 en 2020-2030 veroorzaakt wordt door de uitbreiding van 130 km/uur, is ook berekend wat de groeibehoefte zou zijn zonder die uitbreiding. Het verschil tussen deze berekeningen bepaalt welk deel van de totale groeibehoefte veroorzaakt wordt door de uitbreiding van 130 km/uur.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
397-2646
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Luchthavens

In het kort[no-lexicon]
Monitor berekent de verfijnde bijdrage en groeibehoefte van Nederlandse luchthavens voor de huidige situatie (2014) en toekomstige situaties (2020 en 2030). Bij luchthavens wordt onderscheid worden gemaakt tussen de volgende emissiebronnen:

  • vliegverkeer van en naar de luchthaven
  • bronnen op het luchthaventerrein, zoals hulpmotoren van vliegtuigen (Auxiliary Power Units, APU), platformverkeer en brandstofoverslag.

Bij de berekening van de depositiebijdrage en de groeibehoefte is onderscheid gemaakt tussen:

  • vliegverkeer op luchthavens waarvoor het Ministerie van IenM emissiegegevens heeft aangeleverd.
  • vliegverkeer op overige luchthavens en bronnen op luchthaventerreinen
  • projecten van het Ministerie van Defensie.

Hoe is de depositiebijdrage en groeibehoefte voor luchthavens berekend?
Voor een aantal luchthavens is bij de berekening van de depositiebijdrage van het vliegverkeer voor de huidige en toekomstige situaties uitgegaan van emissiegegevens NOX die zijn aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Deze emissiegegevens hebben betrekking op omvang en de locatie (inclusief hoogte) van de emissies van vliegtuigen bij het landen en opstijgen.

De depositiebijdrage NOX is berekend met het rekenmodel OPS van het RIVM. Voor de overige bronkenmerken die als invoer dienen voor OPS berekeningen (zoals warmteoutput) is uitgegaan van de bronkenmerken voor deze sector die RIVM toepast bij de berekeningen voor de GCN/GDN kaarten.
Het verschil in depositie tussen de toekomstige situaties en de huidige situatie is de groeibehoefte voor de desbetreffende luchthaven (voor vliegemissies). Aan de behoeftekant wordt deze verfijnde groeibehoefte beschouwd als prioritaire behoefte. De volledige verfijnde groeibehoefte is tevens opgenomen in de depositieruimte.

De depositiebijdrage van vliegverkeer op overige luchthavens en van bronnen op luchthaventerreinen zijn bepaald conform de methodiek voor niet-verfijnde sectoren. De groeibehoefte die hieruit volgt, wordt beschouwd als autonome ontwikkeling waar geen toestemmingsbesluit of vergunning voor nodig is (segment NTVP).

Aanvullend op het bovenstaande heeft het Ministerie van Defensie emissies en bronkenmerken aangeleverd voor een aantal projecten met betrekking tot militaire luchtvaart. Deze projecten worden beschouwd als ‘prioritaire projecten’. Voor deze defensieprojecten is met OPS de depositiebijdrage en groeibehoefte berekend voor 2020 en 2030. De volledige ontwikkelingsbehoefte van deze projecten is opgenomen in de depositieruimte en de totale depositie; de projecten van defensie zijn beschouwd als aanvulling op de RIVM groei-emissies voor luchtvaart.

Voor welke luchthavens zijn verfijnde berekeningen uitgevoerd?
Voor de volgende luchthavens zijn verfijnde emissiegegevens NOX aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu:

  • Groningen Airport Eelde
  • Eindhoven Airport
  • Lelystad Airport
  • Maastricht Aachen Airport
  • Rotterdam The Hague Airport
  • Luchthaven Schiphol.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
405-2652
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte mest

[no-lexicon]In het kort
Bij de aanwending van mest komt ammoniak vrij. Bij de berekening van de depositiebijdrage van deze ammoniakemissie in 2014 hanteert Monitor dezelfde aanpak als bij de niet-verfijnde sectoren. Dat betekent dat is uitgegaan van de emissies en schaalfactoren die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.
Voor de autonome ontwikkeling in 2020 en 2030 gaat Monitor uit van een depositiebijdrage van mest die gelijk is aan de depositiebijdrage in 2014 (beleidsuitgangspunt). Daarnaast is aangenomen is dat er geen groeibehoefte is voor mest (de mate van economische ontwikkeling heeft geen effect op de omvang van de mestemissies). Voor de scenario’s met PAS is aangenomen dat zowel in 2020 als 2030 de emissie per jaar 2 kiloton lager is dan in de autonome ontwikkeling. Deze 2 kiloton is het effect van het PAS-beleid.

Hoe is het effect van het PAS-beleid op de depositiebijdrage mest bepaald?
Uitgangspunt is dat het mestbeleid van de PAS zorgt voor een emissiereductie van 2 kton:

  • 1,5 kiloton emissiereductie per jaar vanaf 2017 door verbod op gebruik van de sleepvoet bij het uitrijden van mest op klei- en veengrond, en
  • 0,5 kiloton emissiereductie per jaar vanaf 2015 door direct onderwerken van dierlijke mest (mest in de grond brengen) op bouwland.

De ruimtelijke verdeling van dit effect op de emissies is als volgt berekend:

  • Uitgangspunten vormen de emissies door mestaanwending per km-vak voor het basisjaar in de RIVM bronbestanden die ook worden gebruikt bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.
  • De emissie door mestaanwending per km-vak is naar rato verdeeld over de oppervlakken grasland (klei/veen) en bouwland binnen dat km-vak. Hierbij wordt gebruik gemaakt van landgebruikgegevens van Alterra (LGN6).
  • Vervolgens is voor de totale landelijke emissie op grasland (klei/veen) en bouwland bepaald wat de procentuele emissiereductie moet zijn respectievelijk 1,5 en 0,5 kiloton emissiereductie te behalen.
  • Deze procentuele emissiereductie is omgezet in een aangepaste emissie per km-vak, waarbij de afname per km-vak dus afhangt van het oppervlak grasland (klei/veen) en bouwland binnen dat km-vak. Voor heel Nederland is de totale afname precies 2 kiloton.

Vervolgens is de depositiebijdrage van mestaanwending berekend voor de situatie met aangepaste emissies, en voor de situatie zonder aangepaste emissies (autonome ontwikkeling). Het verschil tussen beide situaties geeft inzicht in het absolute (ruimtelijke) effect van de 2 kiloton emissiereductie op de stikstofdepositie. Dit absolute reductie-effect in stikstofdepositie is in alle toekomstjaren en alle beleidsscenario’s met PAS toegepast.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
393-2631
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte mobiele werktuigen buiten Rijnmondgebied

[no-lexicon]In het kort
Bij de verfijnde berekeningen voor mobiele werktuigen (alleen NOX) is onderscheid gemaakt in de emissies binnen het Rijnmondgebied (verfijning Rijnmondgebied) en emissies in de rest van Nederland.
In deze factsheet wordt alleen ingegaan op de wijze waarop de NOX emissies voor mobiele werktuigen buiten het Rijnmondgebied zijn verfijnd op basis van projectgegevens van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) voor het hoofdvaarwegennet (HVWN) en hoofdwatersysteem (HWS). Bij beide typen projecten kunnen namelijk mobiele werktuigen ingezet worden. De verfijning voor HWS verschilt wel van de verfijning voor HVWN.

Hoe bepaalt Monitor de depositiebijdrage en groeibehoefte voor mobiele werktuigen buiten het Rijnmondgebied?
De bepaling van de verfijnde depositiebijdrage (alleen NOX) voor mobiele werktuigen buiten het Rijnmondgebied is tweeledig. 

Enerzijds zijn de RIVM emissies zoals die voor het basisjaar gelden ingeperkt, om zo rekening te houden met het feit dat naast de RIVM emissies zowel in 2014 als in de toekomst ook emissies vanwege HWS projecten voor mobiele werktuigen worden meegenomen in AERIUS. Dit is dus een daadwerkelijke verfijning die de emissies van het RIVM aanpast en vervolgens aanvult met de projectemissies van de HWS projecten voor 2014 en 2020. De projecten in 2020 zijn dan ook direct de groeibehoefte voor HWS voor de sector mobiele werktuigen. Deze groeibehoefte wordt opgenomen in de depositieruimte en gereserveerd als prioritaire behoefte in segment 1. 

Anderzijds zijn er de HVWN projecten van IenM waarbij mobiele werktuigen worden ingezet. Voor deze projecten is dezelfde aanpak gehanteerd als bij de scheepvaartemissies voor HWS en HVWN projecten. Dat betekent dat in beginsel de niet-verfijnde werkwijze is gevolgd, waarbij de groei-emissies ruimtelijk (her)verdeeld worden over Nederland op basis van aangeleverde projectgegevens (in dit geval dus de mobiele werktuigen binnen alleen de HVWN projecten van IenM). De verfijning zit hier in het aanvullende uitgangspunt dat indien de emissies van de HVWN projecten méér bedragen dan de (voor HWS reeds geknipte) landelijke groei-emissies van het RIVM voor mobiele werktuigen, toch de volledige ontwikkelingsbehoefte van de IenM projecten wordt opgenomen in de depositieruimte. In dat geval wordt dus afgeweken van de landelijke RIVM emissies. Dat is een afwijking van de werkwijze voor de niet-verfijnde sectoren, waarbij de landelijke RIVM groei als plafond voor de emissiegroei wordt aangehouden. 

Voor beide typen projecten (HWS en HVWN) geldt voor mobiele werktuigen dezelfde aanpak als bij de scheepvaartemissies met betrekking tot de berekening van de groeibehoefte en het rekening houden met de tijdelijkheid van bepaalde projecten (berekenen depositiebijdrage tijdelijke projecten).[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
626-2645
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte OWN

In het kort[no-lexicon]
Voor het Onderliggend wegennet (OWN) is de depositiebijdrage en de groeibehoefte die is opgenomen in de depositieruimte opgebouwd uit twee delen:

  • Niet-verfijnde depositiebijdrage en groeibehoefte op basis van emissies en emissieontwikkeling zoals RIVM hanteert bij GCN/GDN ronde 2015.
  • Ophoging van depositiebijdrage en groeibehoefte, als dat nodig is om alle groeibehoefte voor SRM2 wegen van het OWN die volgt uit aangeleverde gegevens van provincies mogelijk te maken in de ruimte.

Hoe bepaalt Monitor de niet-verfijnde depositiebijdrage en groeibehoefte?
Bij de berekening van de niet-verfijnde depositiebijdrage in 2014 en de toekomstjaren en de groeibehoefte van het onderliggende wegennet is dezelfde aanpak gehanteerd als bij de niet-verfijnde sectoren. Dat betekent dat is uitgegaan van de emissies en schaalfactoren die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De niet-verfijnde depositiebijdrage is berekend met het OPS model van het RIVM.

Hoe bepaalt Monitor de eventuele ophoging voor de OWN groei? 
Voor de toekomstjaren (2020 en 2030) is op basis van door de provincies aangeleverde netwerken voor het OWN voor 2014, 2020 en 2030 berekend wat de groeibehoefte is voor alle wegen van het OWN die vallen binnen het toepassingsbereik van Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007: 

  • Om te komen tot de groeibehoefte in 2020 (ten opzichte van 2014) is het netwerk voor 2014 doorgerekend met emissiefactoren wegverkeer voor 2020. De berekende depositiebijdrage is vervolgens afgetrokken van de depositiebijdrage die wordt berekend op basis van het netwerk voor 2020 doorgerekend met emissiefactoren wegverkeer voor 2020. 
  • Om te komen tot de groeibehoefte in 2030 (ten opzichte van 2014) is het netwerk voor 2014 doorgerekend met emissiefactoren wegverkeer voor 2030. De berekende depositiebijdrage is vervolgens afgetrokken van de depositiebijdrage die wordt berekend op basis van het netwerk voor 2030 doorgerekend met emissiefactoren wegverkeer voor 2030. 

De depositiebijdragen van het verkeer op de aangeleverde OWN wegen zijn berekend met SRM2.

De groeibehoefte in depositie is per hexagoon vergeleken met de groei voor het OWN zoals die uit de niet-verfijnde groeiberekening volgt. Op hexagonen waar de niet-verfijnde groeibehoefte niet voldoende is voor de groeibehoefte op basis van de verfijnde gegevens, is de depositieruimte en totale depositie opgehoogd met het verschil. Op die manier is altijd minimaal voldoende ruimte voor de groeibehoefte voor de SRM2 wegen in de door de provincies aangeleverde netwerken.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
399-2648
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Railverkeer

In het kort[no-lexicon]
Monitor berekent de depositiebijdrage en groeibehoefte van railverkeer in de huidige (2014) en toekomstige situaties (2020 en 2030) conform de methodiek die wordt toegepast bij niet-verfijnde sectoren.

De groeibehoefte in 2020 (uitgedrukt in depositie) is vervolgens structureel opgehoogd. Deze ophoging betreft een extra reservering voor rail-infraprojecten, en is verwerkt in zowel de totale depositie als de depositieruimte. Vanwege deze ophoging wordt de sector ‘railverkeer’ beschouwd als een verfijnde sector.

Uitgangspunt voor de ophoging van de groeibehoefte is de aanname dat de extra reservering voor rail-infraprojecten een omvang dient te hebben van 5 mol/ha/jaar direct langs het spoor (trajecten voor dieseltreinen), afnemend met de afstand tot het spoor uitgaande van een verspreidingsprofiel dat representatief is voor railverkeer. Monitor is hierbij uitgegaan van een zogenoemde bron-rekenpunt-matrix (source-receptor matrix, SRMatrix).

De ontwikkelingsbehoefte van rail-infraprojecten (som van de niet-verfijnde groei en de ophoging) is gelijk aan de totale groeibehoefte. Omdat het prioritaire projecten betreft, is er voor deze projecten ontwikkelingruimte gereserveerd in segment 1.

Bepalen autonome depositiebijdrage en groeibehoefte
De depositiebijdrage en groeibehoefte van railverkeer in de huidige (2014) en toekomstige situaties (2020 en 2030) is bepaald conform de methodiek die wordt toegepast bij niet-verfijnde sectoren. Deze depositiebijdrage en groeibehoefte is in deze factsheet gedefinieerd als autonome depositiebijdrage en groeibehoefte.

De autonome depositiebijdrage van het spoor is berekend op basis van de emissies NOX en NH3 op het spoor waarvan het RIVM uitgaat in de GCN/GDN ronde 2015 (GCN sector 3700).

De totalen en ruimtelijke verdeling van de RIVM emissies in het jaar 2012 vormen hierbij de basis. In onderstaande tabel zijn de totale emissies NOX en NH3 in 2012 weergegeven.

Stof Sectoremissie 2012 Verschil tov 2011
NOX 1.49 kton/jaar - 20%
NH3 0.27 ton/jaar - 16%

De emissies voor 2014, 2020 en 2030 zijn bepaald aan de hand van RIVM schaalfactoren (BBR, hoge economische groei). In deze schaalfactoren zijn twee ontwikkelingen verwerkt. Ten eerste de ontwikkeling van de emissie per activiteit (bijvoorbeeld de omvang van de emissie per gereden kilometer), en ten tweede de ontwikkeling van het aantal activiteiten (bijvoorbeeld het gereden aantal kilometers). De gehanteerde schaalfactoren per stof en zichtjaar zijn aangegeven in onderstaande tabel.

Stof Schaalfactor 2014 Schaalfactor 2020 Schaalfactor 2030
NOX 1.18 1.33 1.40
NH3 1.11 1.16 1.23

Onder het regime van de PAS is alleen ontwikkelingsruimte nodig voor uitbreiding van een bestaande of nieuwe activiteit. Om een inschatting te maken van de autonome groeibehoefte in 2020 en 2030 is uitgegaan van de toename van stikstofdepositie als gevolg van economische ontwikkeling, zoals ingeschat door het RIVM. Hiertoe is het verschil bepaald tussen de schaalfactoren met hoge economische groei (ABR, 2.5%) en de schaalfactoren zonder economische groei (POR, 0%). Het resultaat (de zogenoemde groeifactor) is weergegeven in onderstaande tabel.

Stof Groeifactor 2020 Groeifactor 2030
NOX 0.16 0.45
NH3 0.14 0.40

Bepalen reservering voor rail-infra projecten met source-receptor-matrix
Monitor berekent de extra reservering voor rail-infraprojecten (in mol/hectare/jaar) per hexagoon in 2020 met de volgende formule:



Reserveringi = Reservering depositie op rekenpunt i (mol/hectare/jaar)
Reservering= Maximale reservering depositie (5 mol/hectare/jaar) op minimale afstand tot het spoor (20 meter) 
Depositiei = Berekende depositie in source-receptor-matrix (SRMatrix) op rekenpunt i, afhankelijk van xi, z0i en Mi
x= Kortste afstand van locatie rekenpunt (i) loodrecht naar spoorweg (m)
z0,i = Ruwheidslengte van locatie rekenpunt i (m)
Mi = Meteorologische condities op locatie rekenpunt (i)
Depositie0 = Berekende depositie in source-receptor-matrix (SRMatrix) op minimale afstand van het spoor (20 meter), afhankelijk van z0,0 en Mi
z0,0 = Ruwheidslengte ter hoogte van emissiepunt op spoorweg op kortste afstand van het rekenpunt i (m)

Om voor elk hexagoon in Nederland te kunnen bepalen welke depositiewaarden (depositiei en depositie0) van toepassing zijn bij het bepalen van de correctiefactor, is een zogenoemde source-receptor-matrix (SRMatrix) opgesteld. Deze matrix geeft waarden voor de depositiebijdrage op verschillende afstanden tot het spoor (verspreidingsprofielen) voor verschillende combinaties van:

  • de oriëntatie van het rekenpunt ten opzichte van het spoor (36 windsectoren)
  • meteorologische condities (6 meteorologische regio’s)
  • de lokale terreinruwheid (5 representatieve ruwheidwaarden, z0 waarden, die zijn afgeleid van de procentuele verdeling van de ruwheidklassen over alle hectares in N2000-gebied binnen 10 km van een spoorlijn: zie onderstaande tabel).
z0 waarden Verdeling
8 mm 20.2 %
40 mm 20.1 %
130 mm 19.8 %
406 mm 20.1 %
983 mm 19.9 %

Bij het opstellen van de SRMatrix is uitgegaan van een gesimuleerde spoorlijn met een lengte van 10 km (voldoende lengte om ‘randeffecten’ te voorkomen). De gesimuleerde spoorlijn is opgebouwd uit een reeks puntbronnen die op voldoende korte afstand van elkaar geplaatst zijn om voor het model als een aaneengesloten bron te worden beschouwd. Tot een afstand van 250 meter ten opzichte van het middelpunt van de spoorlijn is de afstand tussen de puntbonnen 10 meter. Na 250 meter loopt de afstand tussen de puntbronnen geleidelijk op tot 100 meter.
De rekenpunten liggen loodrecht op het middelpunt van de spoorweg. De afstand tussen de rekenpunten is 10 meter (binnen 500 meter van de spoorweg). Vanaf 500 meter van de spoorweg is de afstand tussen de rekenpunten 100 meter.
Onderstaande figuur illustreert de gesimuleerde spoorlijn (rood) en de receptor punten (zwart).

Aan de doorgerekende spoorlijn zijn worst case bronkenmerken gekoppeld (zie onderstaande tabel):

  • Er is uitgegaan van een spoorweg met de hoogste emissies, op basis van de emissiebestanden (emissies in 2020 per gridcel van 1x1 km) waar RIVM vanuit is gegaan in de GCN/GDN ronde 2015.
  • Voor de overige bronkenmerken (warmte-inhoud, uitstoothoogte, spreiding, temporele variatie) is uitgegaan van de waarden die RIVM hanteert in de GCN/GDN ronde 2015.
Variabele Eenheid Waarde
Emissie NOX kg/jaar/km 475.757
Emissie NH3 kg/jaar/km 0.085
Warmte-inhoud MW 0.200
Emissiehoogte m 5.000
Spreiding m 2.500
Temporele variatie - 1

De depositieberekeningen zijn uitgevoerd met OPS versie 4.4.4.

Toepassing source-receptor-matrix
Voor alle hectares (hexagonen) in AERIUS binnen 10 km van het spoorwegennet is op basis van de SRMatrix de extra reservering bepaald. Hiertoe is eerst voor het bestaande spoorwegennet de kortste afstand tot het midden van een hexagoon bepaald. Vervolgens is in de SRMatrix opgezocht welke meteorologische regio het meest van toepassing is en ook welke van de zes onderscheiden ruwheidswaarden het meest representatief is (de ruwheidswaarde waarvoor geldt dat het verschil met de werkelijke waarde op het rekenpunt of het emissiepunt op de spoorweg het kleinst is).
Op basis van de waarden in de SRMatrix is de reservering berekend met de eerder genoemde formule. 

Onderstaande figuur geeft het resultaat van toepassing van de SRMatrix voor Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer (de hexagonen hebben een oppervlak van 1 ha). De bijdrage direct naast het spoor is dus altijd 5 mol/ha/jaar en vervolgens neemt deze af onder invloed van de afstand, meteorologische condities en ruwheidslengte (z0).

Wanneer deze reserveringen worden opgeteld bij de autonome depositiebehoefte van railverkeer verkeer, ontstaat het onderstaande (complete) beeld.

Voorbeelden verspreidingsprofielen
Onderstaande figuren illustreren de resultaten van verspreidingsberekeningen ten behoeve van de SRMatrix voor enkele combinaties van meteorologische regio’s (1 en 4) en ruwheidswaarden  (8mm en 983mm). De resultaten laten zien dat de ruwheid en de meteorologie een aanzienlijke invloed hebben op het verspreidingsprofiel.

[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
404-2651
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte scheepvaart buiten Rijnmondgebied

[no-lexicon]In het kort
Bij de verfijnde berekeningen voor de scheepvaartemissies (alleen NOX) maakt Monitor onderscheid in emissies binnen het Rijnmondgebied (verfijning Rijnmondgebied) en emissies in de rest van Nederland. Deze factsheet beschrijft de wijze waarop de NOX scheepvaartemissies buiten het Rijnmondgebied zijn verfijnd op basis van projectgegevens van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) voor het hoofdvaarwegennet (HVWN) en het hoofdwatersysteem (HWS). Het gaat om zowel zeescheepvaartemissies (NCP en binnengaats) als om binnenvaartemissies.

Bij de verfijning van de scheepvaartemissies buiten het Rijnmondgebied op basis van de IenM projecten is uitgegaan van de werkwijze die is toegepast bij niet-verfijnde sectoren. Dat betekent dat wordt uitgegaan van de RIVM emissieontwikkeling, waarbij de groei-emissies ruimtelijk (her)verdeeld worden over Nederland op basis van aangeleverde projectgegevens (in dit geval dus projecten van IenM). De verfijning zit in het aanvullende uitgangspunt dat indien de emissies van de IenM projecten meer bedragen dan de landelijke groei-emissies van het RIVM voor de betreffende sectoren, toch de volledige ontwikkelingsbehoefte van de IenM projecten wordt opgenomen in de depositieruimte. In dat geval wordt dus afgeweken van de landelijke RIVM emissies. Dat is een afwijking van de werkwijze voor de niet-verfijnde sectoren, waarbij de landelijke RIVM groei als plafond voor de emissiegroei wordt aangehouden. 

Hoe wordt de groeibehoefte van de IenM projecten bepaald?
De groeibehoefte voor scheepvaart binnen HVWN en HWS projecten van IenM is berekend met het RIVM-rekenmodel OPS op basis van door IenM aangeleverde bronbestanden. De volledige groeibehoefte is per definitie opgenomen in de depositieruimte en gereserveerd als prioritaire behoefte in segment 1. Bij het berekenen van de groeibehoefte per project is er onderscheid te maken in ruwweg drie soorten projecten:

  • Tijdelijke projecten. Deze projecten zijn in hun aard tijdelijk en hebben altijd een bepaalde duur die is aangeleverd, bijvoorbeeld 2 jaar. Voor deze projecten is de bijdrage berekend op basis van de aangeleverde emissies, en vervolgens is deze bijdrage vermenigvuldigd met [duur/6]. Daarbij is in de berekening de duur gemaximaliseerd op 6 jaar. De aldus bepaalde bijdrage is alleen in 2020 opgenomen als groeibehoefte. Factsheet Berekenen depositiebijdrage tijdelijke projecten. Bij de emissiebepaling (nodig voor waterbed) zijn de emissies op gelijke wijze bepaald.
  • Nieuwe projecten met alleen een planeffect. Voor deze projecten is 1 bronbestand aangeleverd en doorgerekend. De behoefte is opgenomen als groeibehoefte in zowel 2020 als 2030
  • Projecten met een aanlegfase, een autonome ontwikkeling en een plansituatie. Voor deze projecten zijn alle drie de fasen doorgerekend. Vervolgens is het planeffect in de benuttingfase per sector berekend door per hexagoon de bijdrage in de plansituatie te verminderen met de bijdrage in de autonome situatie en dit te vergelijken met de bijdrage in de aanlegfase voor dezelfde sector. Per hexagoon en sector is vervolgens de hoogste bijdrage aangehouden als groeibehoefte voor zowel 2020 als 2030 (planeffect in de benuttingsfase, of bijdrage in aanlegfase). Bij de emissiebepaling (nodig voor waterbed) is per sector gekeken wat de hoogste emissies zijn (aanlegfase, of plan minus autonoom).[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
625-2643
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte stallen

[no-lexicon]In het kort
AERIUS Monitor berekent de depositiebijdrage van stalemissies (ammoniak) op Natura 2000 gebieden voor de huidige en toekomstige situaties (voor verschillende scenario’s).
Daarbij gaat Monitor uit van de ammoniakemissies van stallen die zijn berekend in Monitor en die zijn gecorrigeerd om aan te sluiten bij de NEMA emissies (factsheet NEMA-correctie). Op basis van de berekende depositiebijdragen in de verschillende scenario’s bepaalt Monitor de groeibehoefte van de stallen in het scenario met PAS. Deze groeibehoefte is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen een netto groeibehoefte en een ‘stoppersruimte’.

Hoe is de depositiebijdrage van stallen bepaald?
De depositiebijdrage van stallen is berekend voor de huidige situatie en de toekomstjaren 2020 en 2030. Voor de toekomstjaren onderscheidt Monitor drie scenario’s bij stallen:

  • basisscenario (autonome ontwikkeling: vaststaand en voorgenomen beleid, zonder aanvullend PAS beleid en stagnatie van stalgroei)
  • basisscenario + aanvullend PAS beleid rijk
  • basisscenario + aanvullend PAS beleid en provinciaal beleid in Limburg en Noord-Brabant.

Daarnaast is een aanvullende berekening gedaan zonder beleid in Noord-Brabant maar met generiek beleid en met beleid in Limburg. Dit scenario is gebruikt om het extra effect van alleen het beleid in Limburg te bepalen. Dat is nodig omdat de helft van dit extra effect beschikbaar wordt gesteld als depositieruimte.

De verspreidings- en depositieberekeningen voor alle jaren en scenario’s zijn uitgevoerd met het OPS model. Voor de emissies is uitgegaan van de emissies voor stallen zoals berekend in de AERIUS database en gecorrigeerd voor NEMA-emissies (bepalen emissies stallen). In de emissieberekening is rekening gehouden met de (netto) groei van stallen. Voor de overige bronkenmerken die relevant zijn voor een OPS berekening (uitstoothoogte, spreiding, warmte-output en etmaalvariatie) is uitgegaan van de bronkenmerken die RIVM voor deze broncategorie toepast in de OPS berekeningen ten behoeve van de GCN/GDN kaarten.

Het effect van de stagnatie van stalgroei in de autonome ontwikkeling is niet meegenomen in de berekening van de stalemissies die input vormen voor de depositieberekeningen voor het scenario zonder PAS, maar door middel van een correctie achteraf op de berekende deposities voor de autonome ontwikkeling.

Door het toepassen van de stagnatiecorrectie is rekening gehouden met de beleidsaanname dat zonder PAS de groei bij stallen stagneert. Uitgangspunt is dat in de autonome ontwikkeling nog maar 15% van de voorziene gewenste groei van stallen binnen 5 km van Natura2000 gebieden gerealiseerd kan worden (stagnatie van 85%). Voor stallen buiten 5 km van Natura2000 gebieden is uitgangspunt dat nog maar 80% van de voorziene groei gerealiseerd kan worden (stagnatie van 20%).

Hoe is de groeibehoefte van stallen bepaald?
Voor het scenario met PAS (generiek Rijksbeleid plus provinciaal beleid Noord-Brabant en Limburg) zijn voor 2020 en 2030 alternatieve scenario’s doorgerekend waarin voor alle stallen de dieraantallen uit 2014 zijn gebruikt. De depositiebijdrage die hieruit volgt is afgetrokken van de berekende sectorbijdrage in de toekomst met wel (netto) groei in dieraantallen. Het resultaat is de netto groeibehoefte van stallen, uitgedrukt in depositie. Met deze netto groeibehoefte is rekening gehouden in de totale depositie en daarom is deze behoefte ook opgenomen in de depositieruimte.

Aanvullend is berekend welk deel van de totale berekende depositie naar verwachting gaat ‘schuiven’ van eigenaar omdat er bedrijven stoppen en de bedrijfsmiddelen/dierrechten overgenomen worden door andere bedrijven. Deze ‘stoppersdepositie’ heeft geen effect op de totale berekende depositie (de depositie was er immers al), maar is wel relevant voor de berekening van depositieruimte. De bedrijven die de dierrechten van de stoppers overnemen hebben namelijk ontwikkelingsruimte nodig, ook al gaat het om reeds bestaande depositie. Daarom is in Monitor berekend wat naar verwachting de benodigde ontwikkelingsruimte vanwege ‘stoppers’ is. Deze ‘stoppersbehoefte’ is toegevoegd aan de ontwikkelingsbehoefte van de landbouw en daarmee ook aan de depositieruimte.

Let op: De bovenstaande groeibehoefte is de groei zoals opgenomen in de totale depositie en depositieruimte. De uiteindelijke totale ontwikkelingsbehoefte van stallen zoals Monitor die berekent kan hier (lokaal) van afwijken, door de aanlevering van Prioritaire Projecten voor stallen (bepalen ontwikkelingsbehoefte). De prioritaire projecten voor stallen zijn namelijk alleen relevant bij de behoefteberekening en voor de benodigde reservering van ruimte in segment 1. Ze hebben dus geen invloed op de berekening van de omvang van de depositieruimte en de totale depositie.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
392-2629
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositieruimte

In het kort
Depositieruimte is de ruimte (uitgedrukt in stikstofdepositie) die met de inwerkingtreding van de PAS beschikbaar komt voor alle nieuwe ontwikkelingen die vanaf het begin van de PAS plaats zullen gaan vinden. Bij het berekenen van de toekomstige totale deposities is al rekening gehouden met het volledig uitgeven van de depositieruimte. De totale toekomstige depositie inclusief de depositieruimte is ecologisch beoordeeld in de gebiedsanalyses, in combinatie met de herstelmaatregelen die in het kader van de PAS worden genomen. Daarmee is het uitgeven van de berekende depositieruimte ecologisch ook beoordeeld.

Monitor berekent voor de beschouwde toekomstjaren (2020 en 2030) per relevant hexagoon de totale beschikbare depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Monitor berekent ten behoeve van AERIUS Register ook de verdeling van de depositieruimte over vier segmenten:

  • autonome ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit nodig is (NTVP)
  • projecten met een depositiebijdrage lager dan de grenswaarde van 1 mol/ha/jaar (GWR)
  • Prioritaire Projecten (PP): segment 1
  • overige projecten (ontwikkelingen) die boven de grenswaarde uitkomen: segment 2.

De verdeling van de depositieruimte in de vier segmenten is niet zichtbaar in de gebruikersapplicatie van Monitor. Wel is deze indeling op gebiedsniveau terug te vinden in de gebiedssamenvattingen behorende bij Monitor.

Monitor toont de depositieruimte op relevante hexagonen waar tevens sprake is van een (mogelijke of naderende) overbelasting van stikstofdepositie. Dit zijn hexagonen die voor uitgifte van ontwikkelingsruimte (OR) in aanmerking komen. Deze set van hexagonen (OR-set) is rekenkundig bepaald met Monitor 2015. Hexagonen waar de totale depositie ook na het realiseren van alle voorziene ontwikkelingsbehoefte nog steeds tenminste 70 mol/ha/jaar onder meest kritische KDW blijft, zijn niet opgenomen in deze OR-set en worden daarom ook niet getoond in Monitor.
Voortouwnemer heeft de mogelijkheid om aanpassingen door te voeren in de OR-set: individuele relevante hexagonen waarvoor ecologisch of beleidsmatig kan worden onderbouwd dat ze onterecht zijn opgenomen of ontbreken in de set die met Monitor is bepaald, kunnen handmatig worden verwijderd of toegevoegd. Dit gebeurt in AERIUS Register.
De OR-set waarin deze aanpassingen zijn verwerkt, is de definitieve set met hexagonen die voor uitgifte van ontwikkelingsruimte in aanmerking komen.

Hoe is in Monitor de totale depositieruimte berekend?
De totale depositieruimte wordt uitgedrukt in stikstofdepositie per hexagoon (mol/ ha/jaar) en bestaat uit drie delen:

  1. de groeibehoefte voor alle nieuwe ontwikkelingen in Nederland, waarmee al rekening is gehouden bij het berekenen van de toekomstige totale depositie
  2. de helft van het berekende depositie-effect als gevolg van het aanvullend PAS beleid van het rijk
  3. de helft van het berekende depositie-effect als gevolg van het aanvullend provinciaal PAS beleid in Limburg

1. Groeibehoefte per sector zoals ook opgenomen in de totale depositie
Monitor houdt rekening met een (sectorafhankelijke) economische groei. Zonder deze economische groei, zou de toekomstige depositiebijdrage lager zijn. Het deel van de toekomstige depositiebijdrage dat het gevolg is van de voorziene economische groei binnen alle sectoren, is de totale groeibehoefte. 

De groeibehoefte is op sectorniveau bepaald. Voor de meeste sectoren is de groeibehoefte gebaseerd op de emissiegroei in het groeiscenario ‘hoge economische groei inclusief vaststaand en voorgenomen beleid’ dat RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten (de RIVM emissiegroei). De RIVM emissiegroei is in Monitor ruimtelijk verdeeld over Nederland volgens de ‘waterbedmethode’. Deze methode houdt in dat de groei binnen een sector zoveel mogelijk toebedeeld is aan plaatsen waar ook veel economische ontwikkelingen worden voorzien voor de desbetreffende sector. Aan andere plaatsen is dan minder groei toebedeeld omdat daar ook minder ontwikkelingen worden voorzien.
Bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten verdeelt RIVM de emissiegroei naar rato van de omvang van de bestaande emissies, en dit betekent dat in de GCN/GDN kaarten meer groei wordt toebedeeld aan locaties waar de bestaande emissies hoger zijn. De waterbedmethode in Monitor deelt de emissiegroei toe aan locaties waar ontwikkelingen zijn gepland. 

Voor een aantal sectoren is in Monitor niet van de RIVM-groei in emissies uitgegaan, maar van een ‘verfijnde’ groeibehoefte op basis van (emissie)gegevens die zijn aangeleverd door partijen die verantwoordelijk zijn voor deze gegevens (bronhouders). Ook zijn er sectoren waar in principe wel is uitgegaan van de RIVM emissieontwikkeling, maar waar lokaal een (beperkte) ophoging voor de groei heeft plaatsgevonden door het mogelijk maken van specifieke projecten bovenop het ‘waterbed’. Ook deze sectoren hebben een ‘verfijnde’ emissie (waterbedmethode).

2. Extra depositieruimte door aanvullend rijksbeleid
Het generieke Rijksbeleid (de PAS-maatregelen voor de veehouderij) zorgt voor een afname in emissies bij de sectoren ‘mest’ en ‘stalemissies’ ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Daardoor is de depositiebijdrage van deze sectoren in het scenario met aanvullend rijksbeleid lager dan in de autonome ontwikkeling. De helft van dit berekende depositie-effect is beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen. Bij de totale depositie in de beleidsscenario’s met PAS wordt hiermee rekening gehouden. Deze extra depositieruimte is niet terug te vinden in de sectorbijdragen, maar is opgenomen onder ‘overige depositie’.

3. Extra depositieruimte door aanvullend beleid provincies
Met monitor is het effect van het aanvullend beleid van de provincie Limburg en Noord-Brabant op de depositie in 2020 en 2030 berekend. Voor Limburg is de helft van dit depositie-effect opgeteld bij de depositieruimte. In de totale depositie voor het scenario met aanvullend PAS beleid van rijk en provincies is hiermee rekening gehouden. Daarbij is aangenomen dat alle beschikbare depositieruimte volledig wordt opgevuld. De extra depositieruimte door het beleid van Limburg is ook opgenomen onder ‘overige depositie’ en niet bij de sectorbijdrage van stallen.

Depositieruimte in AERIUS Register
Op een beperkt aantal hexagonen neemt bij volledige uitgifte van de depositieruimte de depositie in 2020 (en 2030) toe ten opzichte van de huidige situatie. Voor die hexagonen is de depositieruimte in AERIUS Register begrensd zodat de totale berekende depositie in 2020 op het niveau van de huidige situatie blijft. De depositieruimte is begrensd door de hoeveelheid beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2 te verkleinen.
Er zijn daarnaast hexagonen met een depositiestijging ten opzichte van de huidige situatie die wordt veroorzaakt door projecten die al eerder zijn beoordeeld op grond van de Nb-wet en waarvoor een ADC-toets (Alternatieven, Dwingende redenen van groot openbaar belang en Compenserende maatregelen) is doorlopen en een Nb-wet vergunning is verleend. De effecten van de toename van depositie op die hexagonen zijn reeds gecompenseerd. Voor die hexagonen wordt de totale depositieruimte om die reden onder de PAS niet ingeperkt. Tot slot is in Register de zogenoemde stoppersruimte voor stallen zoals die berekend is met Monitor over de eerste PAS-periode verdeeld. In Register 2015 komt 40% van de voor de hele periode berekende stoppersruimte beschikbaar.

Hoe verdeelt Monitor de depositieruimte in segmenten?
Monitor onderscheidt ten behoeve van Register vier segmenten van nieuwe ontwikkelingen:

  • Autonome ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit of vergunning nodig is (NTVP).
  • Projecten met een depositiebijdrage die lager is dan de grenswaarde (1 mol/ha/jaar). Na inwerkingtreding van het PAS, geldt voor deze ontwikkelingen in bepaalde gevallen alleen nog een meldingsplicht. Het deel van de depositieruimte voor deze projecten is de zogenoemde GrensWaardeReservering (GWR).
  • Prioritaire projecten (PP). Deze worden aangeduid als ‘segment 1’ projecten
  • Overige projecten waarvan de depositiebijdrage in het desbetreffende Natura2000 gebied boven de grenswaarde uitkomt. Deze overige projecten worden aangeduid als ‘segment 2’ projecten. Overige projecten met een depositiebijdrage onder de grenswaarde vallen onder de GWR voor dat gebied.

Het verdelen van de depositieruimte in segmenten gebeurt in een aantal stappen:

  1. Eerst wordt depositieruimte gereserveerd voor NVTP en GWR, uitgaande van de voorziene ontwikkelingsbehoefte voor NVTP en GWR.
  2. Vervolgens wordt depositieruimte gereserveerd voor Prioritaire Projecten in segment 1, uitgaande van de berekende ontwikkelingsbehoefte voor deze projecten.
  3. De resterende depositieruimte is de beschikbare depositieruimte voor projecten in segment 2.

Lokaal kan het voorkomen dat er niet genoeg ontwikkelingsruimte is om te voorzien in de totale behoefte van alle projecten, ook niet na een eventuele ophoging van de totale depositie en depositieruimte tot een maximum van 70 mol/ha/jaar onder de KDW. Op deze hexagonen berekent Monitor dan een (voorzien) tekort in ontwikkelingsruimte.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
385-2627
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen effecten voermaatregelen

[no-lexicon]In het kort
Monitor houdt bij de berekening van de toekomstige emissies van stallen rekening met de effecten van voer- en managementmaatregelen. Dit effect wordt in rekening gebracht door middel van een correctiefactor. De factor wordt alleen toegepast op de emissies van melkkoeien (RAV code A1) en vrouwelijk jongvee (RAV code A3).

Hoe is de correctiefactor voor het effect van voerbeleid bepaald?
Om te komen tot deze correctiefactor zijn de volgende stappen doorlopen:

  • Er is berekend met welke factor de som van de emissies van melkkoeien (A1) en vrouwelijk jongvee (A3) moet worden vermenigvuldigd om een absolute reductie van 3 kton te behalen in 2020 en 2030. Dit gebeurt met de volgende formule:
    \[
    Correctiefactor=\frac{Som\ emissies-3\ kton}{Som\ emissies}
    \]
    Voor de emissies wordt hierbij uitgegaan van de emissies in het scenario met generieke Rijksbeleid PAS (maar zonder provinciaal beleid).
     
  • De correctiefactor wordt toegepast die op alle berekende emissies van melkkoeien (A1) en vrouwelijk jongvee (A3) in de scenario’s met generiek Rijksbeleid PAS zonder provinciaal beleid en generiek Rijksbeleid PAS met provinciaal beleid.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
396-2632
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen emissies stallen

In het kort[no-lexicon]
De emissies ammoniak (NH3) uit stallen zijn berekend in de database van AERIUS, op basis van onder meer dieraantallen, emissiefactoren en beleidsregels. De emissies zijn bepaald per jaar en beleidsscenario. Op basis van de in AERIUS berekende emissies zijn de depositiebijdrage van stallen en de groeibehoefte berekend. Deze factsheet beschrijft de werkwijze bij het bepalen van de stalemissies.
Voor de emissies stikstofoxiden (NOX) uit stallen gaat Monitor uit van de NOX emissies die RIVM hanteert bij de GCN/GDN kaarten. Deze NOX emissies worden in Monitor wel ruimtelijk herverdeeld.

Hoe zijn in Monitor de emissies van stallen berekend?
De emissieberekening voor stallen doorloopt de volgende stappen:

  1. Uitgangspunt is een eigen AERIUS stallenbestand (GIAB2013++), waarin voor alle stallen in Nederland voor 2012 is aangegeven: locatie, stalsysteem en dieraantallen. Locatie en dieraantallen volgen direct uit GIAB2013+. Het staltype is waar mogelijk gebaseerd op gegevens uit het web-BVB en anders ook op GIAB.
     
  2. De basisemissie per stal per dier is direct afhankelijk van het staltype. Monitor gaat uit de emissiefactoren per staltype uit de Regeling ammoniak veehouderijen die gepubliceerd is op 24 juni 2015 en in werking is getreden op 1 augustus 2015. Op basis van de dieraantallen en de emissie per staltype is de basisemissie per stal berekend voor het jaar 2013. Voor alle melkvee is vervolgens een provincieafhankelijke weidereductie toegepast.
     
  3. Voor de varkens- en pluimveebedrijven die volgens de emissieberekening op bedrijfsniveau in 2013 nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarden in het toen geldende Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting), zijn de emissies van alle stallen in 2013 op het emissieplafond gezet. Daarmee voldoen de bedrijven rekenkundig alsnog aan het Besluit huisvesting. Het gaat hier om veehouderijbedrijven die onder het Actieprogramma Ammoniak Veehouderij (de ‘stoppersregeling’) vallen. Dat betekent dat ze op een andere manier dan via het technische stalsysteem mogen (en zullen) voldoen aan de wettelijke emissie-eisen (op bedrijfsniveau).
     
  4. De berekende emissies voor 2013 zijn per ‘NEMA-categorie’ opgeteld en vergeleken met de NEMA-emissies voor 2013. Dit levert per ‘NEMA-categorie’ een factor op die wordt opgeslagen om aan het einde toe te passen op de berekende emissies in alle scenario’s en jaren (NEMA-correctie).
     
  5. Voor 2014 is uitgegaan van de dieraantallen en emissies zoals berekend voor het basisjaar 2013 (inclusief omlaag zetten van de emissie van bepaalde veehouderijen bij stap 3).
     
  6. Voor 2020 en 2030 is uitgegaan van aangepaste dieraantallen (groei). De dieraantallen in de toekomst zijn gebaseerd op de dieraantallen in het basisbestand 2013 en een netto groei zoals die volgt uit gegevens van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL): groeipercentages dieraantallen. Voor alle beleidsscenario’s is bij de emissieberekening uitgegaan van een zelfde groei. Het effect van stagnerende groei bij de autonome ontwikkeling is niet op emissieniveau bepaald, maar via een correctie achteraf op de berekende depositie (bepalen stagnatiecorrectie stallen). In de volgende situaties zijn de dieraantallen in de toekomstjaren per definitie gelijkgesteld aan de dieraantallen in 2013/2014 (geen groei meegenomen):
    - Bij diercategorieën waar sprake is van gelijkblijvende dieraantallen of van netto krimp tussen 2013 en de toekomstjaren (geen netto groei aanwezig).
    - Bij bedrijven die in 2013 rekenkundig omlaag zijn gezet in emissie (stap 3).
    - Bij zogenoemde hobbyboeren. Een bedrijf is aangemerkt als hobbyboer wanneer de totale emissie NH3 in 2013, na toepassing van een provincieafhankelijke emissiereductie voor dieren die beweid worden (de zogenoemde ‘weidereductie’), kleiner is dan 100 kg/jaar.
     
  7. Voor 2020 en 2030 is daarnaast in alle scenario’s uitgegaan van aangepaste (lagere) emissiefactoren voor alle stallen die in de huidige situatie op stalniveau nog niet voldoen aan de geldende emissiegrenswaarden. Die geldende emissiegrenswaarden hangen af van het beleidsscenario: in het scenario met PAS is uitgegaan van het aangescherpte Besluit huisvesting (Besluit emissiearme huisvesting, dat in 2015 in werking treedt) dus van lagere emissiegrenswaarden dan in het scenario zonder PAS. Eerst is per beleidsscenario berekend wat in een toekomstjaar het totale reductiepotentieel is van alle stallen die nu nog niet voldoen (maar die op het moment dat ze vervangen worden wel zullen gaan voldoen). Dat theoretisch reductiepotentieel is vermenigvuldigd met het vervangingspercentage van het betreffende jaar (factsheet vervangingspercentage stallen), om zo de reële voorziene reductie in het toekomstjaar te berekenen. Bijvoorbeeld als in een bepaald jaar 50% van alle stallen vervangen zal zijn, is de potentiële reductie maal 0,5 gedaan. Vervolgens is de aldus berekende voorziene emissiereductie verdeeld over alle stallen die nog niet voldoen op dat moment. Deze verdeling gebeurt door het bepalen van een ‘rekenkundig’ plafond (dat dus nog wel hoger is dan de daadwerkelijke emissiegrenswaarde, maar wel al lager dan de gemiddelde uitstoot van een stal die niet voldoet), en daaraan zijn dan alle stallen getoetst (en indien nodig omlaag gezet). Op die manier is gerekend met lagere emissies ten gevolge van het beleid, dat ervoor zorgt dat de beschouwde stallen steeds schoner wordt.
     
  8. De emissies in 2020 en 2030 zijn vervolgens berekend op dezelfde wijze als de emissies in 2013, met als enige verschil dus de reeds genoemde dieraantallen (effect groei) en schonere emissiefactoren (effect beleid).
     
  9. De stalemissies zoals ze zijn berekend in stap 1 t/m 8 zijn vervolgens vermenigvuldigd met de eerder berekende NEMA-factor. Dit leidt ertoe dat in 2013 de emissies aansluiten bij de NEMA emissies voor dat jaar.
     
  10. Tot slot is in beide beleidsscenario’s met generiek Rijksbeleid van de PAS, de emissie van melkkoeien en vrouwelijk jongvee zodanig percentueel verlaagd, dat zowel in 2020 als in 2030 een extra emissiereductie van 3 kiloton wordt behaald. Dit is het voorziene effect van de voer- en managementmaatregelen die in het kader van de PAS worden genomen. Dit effect treedt niet op in de autonome ontwikkeling en is daarom alleen relevant in de scenario’s met PAS

Hoe zijn in Monitor de groei-emissies berekend?
De netto groei van stallen is berekend door voor het scenario met PAS een aanvullend scenario te modelleren voor zowel 2020 als 2030, waarbij de dieraantallen gelijk zijn gehouden aan de dieraantallen in 2014. Hiermee is een scenario zonder groei gesimuleerd dat aanvullend is doorgerekend. De emissies en deposities zijn in dit scenario lager dan in het gewone scenario met groei en het verschil is de netto groei zoals die in de depositieruimte is opgenomen.

Voor het berekenen van de stoppersruimte is ook een extra scenario gemodelleerd voor zowel 2020 als 2030, waarbij de emissies verminderd zijn met de ‘stoppersemissie’. Dit aanvullende scenario is ook doorgerekend en het verschil met het gewone scenario is de stoppersruimte. Deze ruimte is ook opgenomen in de depositieruimte (bepalen ontwikkelingsruimte stoppers).

Hoe zijn de emissies stikstofoxiden (NOX) ruimtelijk herverdeeld?
Monitor 2015 gaat uit van de NOX emissies van stallen die RIVM hanteert voor de GCN/GDN kaarten. De NOX emissies van het RIVM hebben betrekking op (GCN) kilometervakken van 1x1 km. In AERIUS Monitor zijn de NOX emissies van stallen ruimtelijk herverdeeld. Daarbij is uitgegaan van de stallocaties in het GCN km vak waarvoor de RIVM emissiegegevens zijn geleverd. Wanneer er bijvoorbeeld 3 bronlocaties liggen in het GCN km vak dat deels overlapt met een N2000 gebied, zijn de totale NOX emissies binnen dit km vak gelijk verdeeld over deze 3 bronlocaties.
Met deze herverdeling wordt tevens voorkomen dat de NOX emissies van stallen overlappen met N2000 gebieden (uitplaatsing emissies).[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
391-2633
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen ontwikkelingsbehoefte

[no-lexicon]In het kort
Monitor berekent voor de beschouwde toekomstjaren (2020 en 2030) op hectareniveau de ontwikkelingsbehoefte per sector. Uit de vergelijking van de berekende ontwikkelingsbehoefte met de berekende depositieruimte, blijkt waar sprake is van een (mogelijk) tekort aan of overschot van ontwikkelingsruimte.

Bij het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte maakt Monitor onderscheid tussen:

  • De ontwikkelingsbehoefte van Prioritaire Projecten (segment 1).
  • De ‘overige’ ontwikkelingsbehoefte van projecten en ontwikkelingen die op dit moment nog niet concreet zijn.

Afhankelijk van de sector valt deze behoefte:

  • volledig onder ‘ontwikkelingen die niet toestemmings- of vergunningsplichtig zijn’ (segment NTVP), of
  • voor 30% onder de ‘ontwikkelingen onder de grenswaarde’ (segment GWR) en voor de overige 70% onder ‘overige voorziene groei’ (segment 2).

Hoe berekent Monitor de ontwikkelingsbehoefte van Prioritaire Projecten?
Monitor berekent de ontwikkelingsbehoefte van de prioritaire projecten (segment 1 behoefte) in beginsel per project, op basis van aangeleverde projectgegevens. Bij enkele sectoren is de behoefte van de prioritaire projecten (deels) op een afwijkende wijze bepaald en/of verdeeld over de segmenten:

  • Bij het hoofdwegennet (HWN) gaat Monitor uit van de totale, cumulatieve ontwikkelingsbehoefte voor autonome ontwikkelingen, MIRT projecten en uitbreiding van 130 km/uur zoals die ook is opgenomen in de totale depositie. Het resultaat is de cumulatieve behoefte voor autonome ontwikkelingen, MIRT projecten en uitbreiding van 130 km/uur. Deze totale behoefte is als geheel beschouwd als ‘Prioritair Project HWN’ (segment 1). Er is geen sprake van ‘overige behoefte’ voor het HWN
  • Bij het onderliggend wegennet (OWN) gaat Monitor uit van de cumulatieve RIVM ontwikkelingsbehoefte voor autonome ontwikkelingen, eventueel lokaal opgehoogd om voldoende ruimte te bieden voor alle locatiespecifieke (NSL) projecten op SRM2 wegen zoals die volgen uit de aangeleverde provinciale netwerken. Deze cumulatieve ontwikkelingsbehoefte inclusief lokale ophogingen is de totale behoefte voor het OWN en deze behoefte is als geheel opgenomen als ‘prioritaire behoefte’ (segment 1). Er is ook voor het OWN dus geen sprake van ‘overige behoefte’
  • Bij railverkeer is de totale ontwikkelingsbehoefte zoals opgenomen in de depositieruimte en totale depositie volledig beschouwd als prioritaire behoefte (segment 1). Voor railverkeer is daarom eveneens geen sprake van een overige ontwikkelingsbehoefte
  • Voor het Rijnmondgebied is de totale berekende ontwikkelingsbehoefte beschouwd als prioritaire behoefte. Het gaat om behoefte voor binnenvaart, zeescheepvaart en ENINA (inclusief mobiele bronnen). Er is voor het Rijnmondgebied geen sprake van overige behoefte voor deze sectoren. De totale ontwikkelingsbehoefte is geplaatst in segment 1
  • Voor luchtvaart geldt dat de ontwikkelingsbehoefte van de verfijnde luchthavens en de luchtvaartprojecten van het ministerie van Defensie beschouwd worden als prioritaire behoefte. Deze behoefte is opgenomen in segment 1. De behoefte van de overige (niet verfijnde) luchthavenemissies is beschouwd als ‘overige ontwikkelingen’ binnen de sector luchtvaart.

Hoe berekent Monitor de ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen?
Naast het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte voor de prioritaire projecten berekent Monitor voor iedere sector ook ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen. Alleen voor de sectoren Rijnmondgebied, Hoofdwegennet, Onderliggend wegennet en Railverkeer is geen ontwikkelingsbehoefte voor overige ontwikkelingen berekend, omdat alle berekende ontwikkelingsbehoefte voor deze sectoren per definitie als prioritair wordt beschouwd.

De totale ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen is berekend door de totale groeibehoefte van een sector (uitgedrukt in depositie) te verminderen met de totale ontwikkelingsbehoefte voor de Prioritaire Projecten in die sector. Afhankelijk van de sector is de ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen vervolgens verdeeld over de segmenten NTVP, GWR en segment 2:

In NTVP is de overige ontwikkelingsbehoefte van de volgende sectoren opgenomen:

  • Consumenten
  • Handel, Dienst en Overheid (HDO)
  • Luchtvaart (niet verfijnde gedeelte)
  • Zeescheepvaart NCP
  • Scheepvaart overig
  • Landbouwemissies, met uitzondering van de glastuinbouw en stallen (NH3).

In segment 2 en GWR is de overige ontwikkelingsbehoefte van de overige sectoren opgenomen. Daarbij is 30% van de ontwikkelingsbehoefte van een sector in GWR is geplaatst en 70% in segment 2. Het gaat om de volgende sectoren:

  • Energie, Industrie en Afvalverwijdering (ENINA)
  • Mobiele werktuigen
  • Binnenvaart
  • Zeescheepvaart
  • Stallen (NH3)
  • Glastuinbouw

Voor enkele sectoren kan de hierboven beschreven aanpak betekenen dat er geen ontwikkelingsbehoefte berekend wordt voor overige ontwikkelingen, omdat de totale ontwikkelingsbehoefte van de prioritaire projecten al 100% (of meer) inneemt van de totale groeibehoefte die voor die sector is opgenomen in de depositieruimte. Voor enkele sectoren vormt dit geen belemmering, omdat er geen ontwikkelingsbehoefte als gevolg van overige ontwikkelingen verwacht wordt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de sectoren hoofdwegennet, railverkeer, mobiele werktuigen (projecten hoofdwatersystemen) of luchtvaart. Voor bepaalde sectoren is het echter niet reëel om aan te nemen dat er naast de prioritaire projecten geen andere ontwikkelingen in Nederland zullen plaatsvinden. Voor die sectoren berekent Monitor alsnog een ontwikkelingsbehoefte als gevolg van overige ontwikkelingen:

  • Voor stallen geldt dat als meer dan 70% van de totale berekende groeibehoefte zoals opgenomen in de depositieruimte al wordt ingevuld door een reservering voor prioritaire projecten, de overige behoefte op die plek is opgehoogd zodat deze altijd minimaal 30% blijft van de oorspronkelijk berekende groeibehoefte
  • Voor de sectoren ENINA, glastuinbouw, consumenten, zeevaart (buiten NCP), HDO en binnenvaart geldt dat altijd een minimale overige behoefte is aangehouden van 20% van de groeibehoefte in depositie die je voor de sector zou hebben berekend als alle RIVM groei evenredig over de bestaande emissiebronnen in Nederland was gemodelleerd (waarbij iedere bestaande emissiebron dezelfde percentuele groei krijgt)

Let op:  Het gaat hier om een ophoging van de voorziene ontwikkelingsbehoefte. Het is een beleidsmatig gekozen rekenregel die moet voorkomen dat de voorziene totale ontwikkelingsbehoefte onderschat wordt. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat een te optimistisch beeld wordt geschetst van de te verwachte tekorten. Het ophogen van de ontwikkelingsbehoefte heeft géén gevolgen voor de totale depositie of de depositieruimte.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
387-2628
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen ontwikkelingsruimte stoppers

[no-lexicon]In het kort
In Monitor is ontwikkelingsruimte berekend die vrijkomt door de zogenoemde stoppers in de landbouw. Deze ontwikkelingsruimte is nodig voor die situaties waar een veehouderij stopt en een ander bedrijf de dierrechten/bedrijfsmiddelen overneemt. In dit geval heeft het bedrijf dat de rechten overneemt ontwikkelingsruimte nodig, maar omdat er geen sprake is van een netto groei in dieren wordt hier in principe geen ontwikkelingsruimte voor berekend. De apart berekende ‘stoppersruimte’ die is berekend in Monitor is opgenomen in de depositieruimte en voorziene ontwikkelingsbehoefte voor de landbouw. De stoppersruimte heeft geen gevolgen voor de totale depositie per hexagoon, omdat het niet gaat om ‘nieuwe’ depositie maar om ‘bestaande’ depositie die vrijkomt voor nieuwe ontwikkelingen.

Hoe is de ontwikkelingsruimte voor stoppers berekend?
De ontwikkelingsruimte voor stoppers is berekend door in 2020 en 2030 alle veehouderijen die geen hobbyboer zijn (bedrijfsemissies van meer dan 100 kg/jaar) en die tevens buiten 1 km van Natura2000 gebieden liggen, te laten krimpen met de helft van het percentage van het aantal landbouwbedrijven dat in de betreffende provincie stopt. De depositieruimte die dit oplevert is de stoppersruimte. De percentages per provincie zijn in juli 2014 aangeleverd door de provincies en aangegeven in onderstaande tabel.

[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
394-2634
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen stagnatiecorrectie stallen

[no-lexicon]In het kort
In het scenario 'autonome ontwikkeling' is aangenomen dat stallen minder kunnen uitbreiden dan gewenst, vanwege de eisen die Nb-wet stelt aan de vergunningverlening. Deze stagnatie in de gewenste groei wordt het ‘stagnatie-effect’ genoemd. De PAS voorkomt deze stagnatie.

De stagnatie in de autonome ontwikkeling is groter naarmate de stallen dichter bij N2000 gebieden liggen. Uitgangspunt is dat zonder PAS de groei bij stallen binnen 5 km van Natura2000 gebieden voor 85% zal stagneren en voor stallen buiten 5 km voor 20%.

Het effect van de stagnatie op de depositiebijdrage van stallen is berekend en vervolgens toegepast als een correctie op de berekende depositiebijdrage van stallen in de situatie met PAS.

Hoe is de stagnatiecorrectie berekend?

  1. Eerst is de depositiebijdrage van stallen als gevolg van de groei in de autonome ontwikkeling  berekend voor een situatie zonder stagnatie. Dit is gedaan door voor de autonome ontwikkeling een aanvullende berekening te doen voor 2020 en 2030 waarin de dieraantallen in de toekomst gelijk zijn gehouden aan de dieraantallen in 2014.
  2. Vervolgens is een zelfde berekening gedaan van de depositiebijdrage van alleen de stallen buiten 5 km van N2000 gebieden.
  3. Op basis van deze berekeningen is bepaald wat in de autonome ontwikkeling de groeibehoefte is van bedrijven binnen en buiten 5 km van N2000 gebieden.
  4. Vervolgens is 85% van de groeibehoefte van bedrijven binnen 5 km opgeteld bij 20% van de groeibehoefte van bedrijven buiten 5 km, en dit is het stagnatie-effect.

Het berekende stagnatie-effect is afgetrokken van de totale berekende depositie in de autonome ontwikkeling, uitgaande van een hoge economische groei. Het resultaat is de depositiebijdrage van stallen in de autonome ontwikkeling, uitgaande van stagnatie.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
395-2635
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen totale depositie

[no-lexicon]In het kort
Monitor toont zowel de totale stikstofdepositie als de opbouw van de depositie in Natura2000 gebieden, voor de huidige situatie (2014) en de toekomstjaren 2020 en 2030. Monitor laat kaartlagen zien, waarbij op het meest gedetailleerde zoomlevel de depositie is weergegeven per hexagoon met een oppervlak van 1 ha. Tevens zijn in Monitor en de bijbehorende rapportages gemiddelde deposities per Natura2000 gebied of per habitattype in een gebied terug te vinden. Daarbij wordt altijd alleen gemiddeld over relevante hexagonen.

Tenzij expliciet aangegeven, is de totale depositie in Monitor altijd de depositie in het scenario met PAS. Het scenario met PAS is op sectorniveau alleen voor de sectoren stallen en mest afwijkend van de autonome ontwikkeling.

Bij de opbouw van de totale deposities in het scenario met PAS maakt Monitor onderscheid tussen:

  • de depositie van Nederlandse sectoren
  • de depositie van buitenlandse bronnen
  • overige depositie.

Een deel van de extra depositiedaling die ontstaat door PAS maatregelen mag worden gebruikt voor nieuwe ontwikkelingen. Bij het bepalen van de totale depositie in toekomstjaren is hiermee rekening gehouden. Deze extra depositieruimte door beleid is opgenomen onder de ‘overige depositie’.

Hoe is de depositiebijdrage van Nederlandse sectoren berekend?
De huidige depositiebijdrage per sector is gebaseerd op beschikbare gegevens over de feitelijke emissies. De toekomstige depositiebijdrage is gebaseerd op een voorziene emissieontwikkeling per sector die rekening houdt met een bepaalde economische groei (nieuwe ontwikkelingen binnen de sector) en met effecten van beleid (bijvoorbeeld stimulering schonere technieken).

Monitor maakt bij het bepalen van de depositiebijdrage per sector onderscheid tussen niet-verfijnde sectoren en verfijnde sectoren.

  • Voor de niet-verfijnde sectoren is uitgegaan van de emissies en emissiegroei die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten (ronde 2015). Een voorbeeld is de sector consumenten. In sommige gevallen zijn de emissies ruimtelijk herverdeeld (bijvoorbeeld om de emissies toe te delen aan regio’s waar voor de betreffende sectoren ook veel economische ontwikkelingen wordt voorzien).
  • Voor de verfijnde sectoren wordt in beginsel uitgegaan van emissiegegevens die zijn aangeleverd door de partijen die verantwoordelijk zijn voor deze gegevens (‘bronhouders’). Dit betekent dat de totale emissies en/of emissiegroei kan afwijken van de emissies waarvan RIVM voor deze sectoren is uitgegaan bij de GCN/GDN kaarten. Daarnaast kunnen sectoren deels verfijnd zijn, omdat voor de toekomst (lokaal) extra groei is meegenomen bovenop de ‘gewone’ RIVM emissieontwikkeling, om specifieke projecten mogelijk te maken. De sector is dan niet als geheel verfijnd (de basis is nog steeds de RIVM emissieontwikkeling), maar uiteindelijk wordt door de ophogingen wel (beperkt) afgeweken van de RIVM emissies en is dus wel sprake van een ‘verfijning’ van emissies

Onderstaande tabel geeft aan voor welke sectoren in Monitor verfijningen zijn doorgevoerd voor de emissies of emissiegroei. Voor deze sectoren sluiten de emissietotalen in AERIUS dus niet één op één aan bij de emissietotalen waarvan RIVM is uitgegaan bij de GCN/GDN ronde 2015.

ENINA staat voor Energie, Industrie en Afvalverwerking. Het Rijnmondgebied omvat het Haven en Industriecomplex Rotterdam (HIC Rotterdam), aangevuld met Maasvlakte 2. Bij luchtvaart gaat het om zowel burger- als militaire luchtvaart.

Hoe is de depositiebijdrage van buitenlandse bronnen berekend?
De bijdrage van buitenlandse emissies is berekend op dezelfde wijze als de bijdrage van Nederlandse sectoren. Er is gebruik gemaakt van de bronbestanden (emissies) die ook worden gebruikt door het RIVM bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

Hoe is de overige depositie berekend?
Monitor houdt bij de berekening van de totale deposities rekening met:

  • de bijdrage van ammoniakemissies uit zee (voorheen de ‘duinencorrectie’)
  • de bijtelling voor onverklaarde depositie
  • de extra depositieruimte die beschikbaar komt door PAS beleid
  • de ophoging om tekorten in ontwikkelingsruimte weg te werken, zolang de totale depositie ook met ophoging minstens 70 mol/ha/jaar onder de KDW blijft.

Bijdrage ammoniakemissies uit zee
Monitor berekent de depositiebijdrage als gevolg van ammoniakemissies uit zee (algen) op basis van de RIVM bronbestanden voor emissies die ook zijn gebruikt voor de GCN/GDN kaarten. De RIVM emissies hebben een resolutie van 2x2 km en overlappen deels met het vasteland. In Monitor worden de emissies ruimtelijk herverdeeld om te voorkomen dat de emissies aan land worden toebedeeld.
De depositiebijdrage als gevolg van emissies uit zee vervangt de duinencorrectie die in eerdere versies van AERIUS Monitor is verwerkt. Deze depositiebijdrage is in alle jaren en scenario’s gelijk.

Bijtelling voor onverklaarde depositie
De bijtelling voor onverklaarde depositie is een correctie voor het verschil tussen gemeten en berekende depositiewaarden. Monitor gaat uit van depositiewaarden voor de bijtelling die zijn aangeleverd door het RIVM. De waarden gelden per 1x1 km en zijn gebruikt voor de GCN/GDN kaarten.

Extra depositieruimte door PAS beleid
De PAS maatregelen leiden tot lagere sectorbijdragen van stallen en mest in het scenario met PAS dan in de autonome ontwikkeling. De helft van de extra depositiedaling als gevolg van het generieke Rijksbeleid en de helft van de depositiedaling als gevolg van het beleid van Limburg komt weer beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Deze extra depositieruimte is opgeteld bij de totale berekende depositie in het scenario met PAS. Op die manier is bij de prognoses voor de totale depositie altijd al rekening gehouden met het volledig opvullen van alle beschikbare depositieruimte.

Ophoging tekorten tot een maximale totale depositie van 70 mol/ha/jaar onder de KDW
Voor ieder rekenpunt (hexagoon van 1 hectare) waar tekorten in ontwikkelingsruimte worden berekend maar de totale depositie meer dan 70 mol onder de KDW ligt, is de depositieruimte en totale depositie opgehoogd met het tekort, tot een maximum van 70 mol onder de KDW.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
384-2626
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen totale depositie

In het kort
Monitor toont de totale stikstofdepositie in Natura2000 gebieden per hexagoon met een oppervlakte van één hectare, voor de huidige situatie (2014) en de toekomstjaren 2020 en 2030.
Bij de berekening van de totale deposities houdt Monitor rekening met de bijdrage van Nederlandse sectoren, met de NH3 emissies uit de zee (vervanging van de voormalige ‘duinencorrectie’) en met de bijdrage vanuit het buitenland. Ook vindt een zogeheten bijtelling plaats op basis van het verschil tussen berekende en gemeten depositiewaarden. Tenslotte is bij het bepalen van de totale depositie in toekomstjaren rekening gehouden met het feit dat een deel van de extra depositiedaling die ontstaat door PAS maatregelen, weer gebruikt mag worden voor nieuwe ontwikkelingen.

Hoe is in Monitor de bijdrage van Nederlandse sectoren bepaald?
De totale stikstofdepositie in zowel de huidige als de toekomstige situaties is de som van:

  1. de bijdrage van Nederlandse sectoren
  2. de bijdrage van NH3 emissies uit zee (voormalige ‘duinencorrectie’)
  3. de bijdrage vanuit het buitenland
  4. de bijtelling voor onverklaarde depositie
  5. de extra depositieruimte die in de situatie met PAS beschikbaar wordt gesteld voor nieuwe ontwikkelingen
  6. de eventuele ophoging van de depositieruimte tot 70 mol onder de KDW (alleen in toekomstjaren, in scenario met PAS inclusief provinciaal beleid, en uiteraard alleen op plekken waar de KDW niet wordt overschreden).

a. Hoe zijn de bijdragen van de Nederlandse sectoren berekend?
De bijdrage van Nederlandse sectoren is in Monitor berekend op basis van emissiebestanden. De depositiebijdrage van de Nederlandse sectoren in de huidige situatie (2014) is gebaseerd op feitelijke emissies. De depositie in de toekomst is gebaseerd op een voorziene emissieontwikkeling per sector die rekening houdt met een bepaalde economische groei (nieuwe ontwikkelingen binnen de sector) en met effecten van beleid (bijvoorbeeld stimulering schonere technieken).

Bij de depositiebepaling voor toekomstjaren is dus altijd rekening gehouden met een bepaalde (sectorafhankelijke) economische groei. Zonder deze economische groei zou de depositie in de toekomst lager uitkomen. Het deel van de toekomstige depositie dat veroorzaakt wordt door de voorziene groei binnen alle sectoren, is de totale groeibehoefte zoals die ook is opgenomen in de depositieruimte. Deze groeibehoefte is dus op sectorniveau bepaald.

Monitor maakt bij het bepalen van de totale depositiebijdrage onderscheid tussen niet-verfijnde sectoren en verfijnde sectoren.

  • Voor de niet-verfijnde  sectoren is uitgegaan van de emissies en emissiegroei die RIVM hanteert in het GCN/GDN proces. Voorbeelden zijn de sectoren industrie (buiten het Rijnmondgebied) en consumenten. In sommige gevallen zijn de emissies ruimtelijke herverdeeld (zie betreffende factsheet ‘ruimtelijke herverdeling RIVM emissies: uitplaatsing’ en ‘ruimtelijke herverdeling scheepvaartemissies: plaatsing op de vaarwegen’
  • Voor de verfijnde sectoren is (grotendeels) uitgegaan van gegevens over de bronnen in de sectoren die zijn aangeleverd door de partijen die verantwoordelijk zijn voor deze gegevens (‘bronhouders’). Dit betekent dat de totale emissies en/of emissiegroei kan afwijken van hetgeen door het RIVM wordt aangehouden in het GCN/GDN proces.

Onderstaande tabel geeft aan voor welke sectoren in Monitor verfijningen zijn doorgevoerd voor de emissies en/of emissiegroei in de huidige en/of toekomstige situaties.

Sectoren Stof Gebied Verfijning huidige situatie verfijning toekomstige situaties
Stallen NH3 Nederland x x
Mest NH3 Nederland   x
Energie, industrie, raffinaderijen en afvalverwerking (inclusief mobiele werktuigen) NOX Rijnmondgebied x x
Binnenvaart NOX Rijnmondgebied x x
Zeescheepvaart NOX Rijnmondgebied   x
Wegverkeer - hoofdwegennet NOX, NH3 Nederland x x
Wegverkeer - onderliggend wegennet NOX, NH3 Nederland   x
Mobiele werktuigen - hoofdwatersystemen NOX Buiten Rijnmondgebied   x
Binnenvaart en zeescheepvaart - hoofdvaarwegennet NOX Buiten Rijnmondgebied   x
Railverkeer NOX, NH3 Nederland   x
Luchtverkeer NOX Nederland   x

Voor stallen en mest is de toekomstige depositie berekend vooxr de drie verschillende beleidsscenario’s:

  1. autonome ontwikkeling (alleen vaststaand en voorgenomen beleid zonder PAS)
  2. generiek Rijksbeleid PAS
  3. generiek Rijksbeleid PAS plus provinciaal beleid in Limburg en Noord-Brabant.

Het laatste scenario (c) vormt de basis voor de PAS en de gebiedssamenvattingen.
Voor de overige sectoren is er geen verschil tussen de beleidsscenario’s.

b. bijdrage NH3 emissies uit zee
Monitor berekent de bijdrage van NH3 emissies uit zee op basis van bronbestanden voor emissies zoals aangeleverd door het RIVM (GCN/GDN proces 2014). Daarbij wordt gezorgd dat er geen emissiebronnen op land liggen (zie factsheet ‘ruimtelijke herverdeling RIVM emissies: emissies uit zee’. De bijdrage van de emissies uit zee vervangt de duinencorrectie die in eerdere versies van AERIUS was verwerkt. De bijdrage is in alle jaren en scenario’s gelijk.

c. bijdrage uit buitenland
Monitor gaat uit van depositiewaarden voor de buitenlandse bijdrage die zijn aangeleverd door het RIVM op een resolutie van 1x1 km (GCN/GDN proces 2014). In Monitor zijn de waarden voor de kilometervakken omgezet naar waarden voor hectares (hexagonen). Zie factsheet ‘bijdrage buitenland’
    
d. bijtelling voor onverklaarde depositie
De bijtelling voor onverklaarde depositie is een correctie voor het verschil tussen gemeten en berekende depositiewaarden. Monitor gaat uit van depositiewaarden voor de bijtelling die zijn aangeleverd door het RIVM op een resolutie van 1x1 km (GCN/GDN proces 2014). Zie factsheet ‘bijtelling’

e. extra depositieruimte door beleid
De PAS maatregelen leiden ertoe dat de sectorbijdrage van stallen en mest in de scenario’s met PAS lager zal zijn dan in de autonome ontwikkeling. De helft van de extra depositiedaling als gevolg van het generieke Rijksbeleid en de helft van de depositiedaling als gevolg van het beleid van Limburg komt beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Deze extra depositieruimte is opgeteld bij de totale berekende depositie in de scenario’s met PAS (bij het bepalen van de totale depositie is uitgegaan van het volledig opvullen van alle beschikbare depositieruimte.

f. Ophoging depositieruimte tot 70 mol/ha/jaar onder de KDW
Voor ieder rekenpunt waar de totale depositie met PAS meer dan 70 mol onder de KDW ligt, is de depositieruimte en totale depositie opgehoogd tot 70 mol onder de KDW.

Gerelateerde factsheets en documenten:

  • Bepalen depositieruimte
  • Bepalen ontwikkelingsbehoefte
  • Bepalen depositie en groeibehoefte stallen.
  • Bepalen depositie en groeibehoefte mest.
  • Bepalen depositie en groeibehoefte HWN.
  • Bepalen depositie en groeibehoefte OWN.
  • Bepalen depositie en groeibehoefte Rijnmondgebied
  • Bepalen depositie en groeibehoefte HWS.
  • Bepalen depositie en groeibehoefte HVWN.
  • Bepalen depositie en groeibehoefte Railverkeer.
  • Bepalen depositie en groeibehoefte Luchtverkeer.
  • Bepalen depositie buitenland
  • Bepalen depositie emissies uit zee (vervanging duinencorrectie).
  • Bepalen depositie bijtelling ‘onverklaarde depositie’
  • Gebruik schaalfactoren
  • Beleidscenario’s en effect PAS beleid
  • Ruimtelijke verdeling RIVM emissies niet verfijnde sectoren (uiplaatsing)
  • Ruimtelijke verdeling scheepvaartemissies
  • M25 - Gebruik hexagonen in AERIUS
  • Document beleidsuitgangspunten
  • Technische beschrijving “Growth – groei zoals opgenomen in depositieruimte en totale depositie
  • Technische beschrijving “Berekenen Nederlandse sectorbijdragen in de database”

Factsheet

Factsheet
351-1766
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek

Berekening depositiebijdrage bronnen op korte afstand van het rekenpunt (Monitor 2015)

Versie: 
15-12-2015

In het kort
Wanneer een emissiebron op relatief korte afstand ligt van het rekenpunt, kan AERIUS waarden op dit rekenpunt berekenen die niet representatief zijn voor de gemiddelde depositiebijdrage in het hexagoon. In hexagonen waar dit optreedt, berekent AERIUS Monitor de depositiebijdrage op basis van subrekenpunten.

Hoe berekent AERIUS de depositiebijdrage van een bron dichtbij het rekenpunt?
AERIUS berekent de deposities per hexagoon met een oppervlakte van één hectare. Het rekenpunt ligt in het midden van de hexagoon. De berekende depositie op het rekenpunt wordt toegekend aan de gehele hexagoon van één hectare.

Indien de afstand tussen de emissiebron en het rekenpunt relatief kort is, kan de modelberekening een waarde opleveren die niet representatief is voor de depositiebijdrage op dit rekenpunt. Om dit te voorkomen definieert AERIUS, wanneer de afstand tussen de bron en het rekenpunt kleiner is dan 20 meter (25 meter bij wegverkeer), in het desbetreffende hexagoon 18 subrekenpunten, die allen tenminste 20 meter van de emissiebron liggen.

AERIUS berekent de depositie op al deze subrekenpunten. De berekende waarden worden vervolgens gemiddeld om te komen tot een realistische waarde voor de depositie in het gehele hexagoon.

Voor enkele relevante hexagonen met wegtracés op korte afstand van het middelpunt, blijft, ook wanneer wordt uitgegaan van subrekenpunten, sprake van exceptioneel hoge wegbijdragen die niet representatief zijn voor de gemiddelde depositiebijdrage in het hexagoon. Het gaat om 69 hexagonen, met name in gebieden met hoge ruwheden (bosachtig terrein). Deze hoge wegbijdragen leiden ertoe dat de totale berekende deposities in deze hexagonen stijgen.

Dit is aanleiding geweest om in Monitor 2015 voor de hexagonen met een stijging van de totale deposities een correctie achteraf toe te passen, waarbij de berekende depositiebijdragen NOX en NH3 van het wegverkeer zijn vermenigvuldigd met een correctiefactor.

Hoe is de correctiefactor voor hexagonen met wegtracés bepaald?
De verspreiding van emissies en de uiteindelijke deposities zijn in sterke mate afhankelijk van de meteorologische condities en de lokale terreinruwheid. Bij het afleiden van de correctiefactoren is daarom rekening gehouden met deze bepalende variabelen.

AERIUS onderscheidt daarbij 6 verschillende meteorologische regio’s en 5 klassen van ruwheid. De meteorologische regio’s zijn te vinden in het RIVM rapport met de modelbeschrijving van OPS (figuur 2.1). De ruwheidklassen zijn bepaald op basis van de mate waarin verschillende ruwheden vertegenwoordigd zijn in Natura 2000 gebieden.
De klassen zijn zodanig gekozen dat elke ruwheidklasse gemiddelde even vaak voorkomt in N2000 gebieden.

ruwheidklasse afbakening ruwheidklasse aandeel N2000 gebieden
8 mm tot 8 mm 20,2 %
40 mm 9 mm tot 40 mm 20,1 %
130 mm 41 mm tot 130 mm 19,8 %
406 mm 131 mm tot 406 mm 20,1 %
983 mm meer dan 406 mm 19,9 %

Voor elke combinatie van meteorologische regio en ruwheidklasse is de depositiebijdrage van zowel NOX als NH3 berekend in twee situaties:

  1. Situatie waarin de depositiebijdrage van een emissiebron wordt berekend op 18 subrekenpunten (blauwe punten), waarbij de emissiebron gedefinieerd is als een verzameling puntbronnen in een cirkel met een straal van 11 meter rondom het middelpunt van de hexagoon (blauwe cirkel). De depositiebijdrage voor dit hexagoon is het gemiddelde van de depositiebijdragen op de 18 subrekenpunten.
  2. Situatie waarin de depositiebijdrage van een emissiebron wordt berekend op het rekenpunt in het middelpunt van de hexagoon (rode punt), waarbij de emissiebron gedefinieerd is als een verzameling puntbronnen in een cirkel met een straal van 21 meter rondom het middelpunt van de hexagoon (rode cirkel).

De berekening van de depositiebijdragen is uitgevoerd met het rekenmodel OPS, versie 4.4.4 (RIVM, 2015). In beide situaties is uitgegaan van dezelfde emissiekenmerken. Daarbij is aangesloten bij de standaard kenmerken (warmte inhoud, spreiding en temporele variatie) voor wegverkeer die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten (ronde 2015). Voor de emissies NOX en NH3 is uitgegaan van hoogste waarden in het bestand met emissiegegevens wegverkeer in 2015 (gridcel van 1x1 km) dat RIVM gebruikt voor de GCN/GDN kaarten (ronde 2015).

De correctiefactor per combinatie van meteorologisch regio en ruwheidklasse volgt uit het quotiënt van de berekende depositiebijdrage in beide situaties (situatie A gedeeld door situatie B). Dit levert zowel voor NOX als voor NH3 een correctiefactor.

Op basis hiervan is een gewogen emissiefactor bepaald, op basis van de verhouding depositiebijdragen NOX en NH3 door wegverkeer in de desbetreffende hexagoon. Bij het bepalen van deze verhouding is uitgegaan van de berekenende depositiebijdragen NOX en NH3 in het zichtjaar 2020. De gewogen correctiefactor is vervolgens vermenigvuldigd met de totale berekende depositiebijdrage door wegverkeer.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
649-2839
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie
  • 15-12-2015

Dieraantallen per stalsysteem basisjaar

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
RIVM, Noord-Brabant, Gelderland, Limburg, Overijssel en provincie Utrecht
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2015

Beschrijving gegevensset

De gegevens in dit bestand zijn overgenomen uit ‘GIAB2013++’.
GIAB2013++ is een bestand met stalgegevens dat is opgesteld door AERIUS. Hierin zitten alle stallen in Nederland met locatie en dieraantallen uit GIAB2013+. Het staltype in dit bestand is waar mogelijk gebaseerd op de milieuvergunningen (voornamelijk web-bvb), en anders op het stalsysteem zoals opgenomen in het Geografische Informatiesysteem Agrarische Bedrijven (GIAB).

Welke bewerkingen zijn uitgevoerd op de aangeleverde gegevens?
Er is een koppeling gemaakt tussen de werkelijke dieraantallen uit GIAB+ en de staltypen (vergunningen) die in het BVB zijn geregistreerd.
De wijze waarop dit is gebeurd, is beschreven in het rapport Koppeling tussen GIAB en BVB (Grontmij. 2015).

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de onderstaande bronnen. NB: Het ‘GIAB voor ER eindbestand’ bevat LBT (landbouwtellingen) rubrieken met de getelde dieraantallen. Het ‘GIAB voor ER staltype’ bestand bevat een verdeling over staltypes voor een aantal diergroepen.

BronEigenaarSinds
GIAB voor ER – eindbestand 2013V2RIVM22 april 2015
GIAB voor ER – staltype LBT13 v2RIVM22 april 2015
BVB Brabant staltypenNoord-Brabant17 april 2014
Gelderland_BVBGelderland15 april 2014
Limburg_BVBLimburg16 april 2014
Overijssel_BVBOverijssel15 mei 2014
Utrecht_BVBProvincie Utrecht15 mei 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
418-2637
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Emissiegegevens sectoren basisjaar GCN/GDN

Kenmerken

Thema
Algemeen
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
RIVM
GLP
in voorbereiding
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
2015

Beschrijving gegevensset

Deze gegevens geven voor de verschillende bronsectoren die het RIVM onderscheidt bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten een overzicht van de emissies stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3) in het basisjaar 2012.

De emissiegegevens vormen de invoer voor de berekening van de depositiebijdrage en groeibehoefte van de (deel)sectoren, met uitzondering van (deel)sectoren waarbij is uitgegaan van verfijnde emissies, zoals stallen, hoofdwegennet, luchthavens en bronnen in het Rijnmondgebied.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende aangeleverde gegevens:

BronEigenaarSinds
Bronbestanden GCN/GDN kaartenRIVMapril 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe data wordt door de bronhouder gepubliceerd.
  • HarmonisatieDe data wordt omgezet naar een machine-leesbaar-formaat.
  • ValidatieDe gepubliceerde data wordt door een inhoudsdeskundige steekproefsgewijs geverifieerd.
  • TransformatieDe gepubliceerde data wordt door een inhoudsdeskundige steekproefsgewijs geverifieerd.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
415-2658
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Factor weidereductie

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
CBS
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
19-05-2014

Beschrijving gegevensset

De factor weidereductie is de gemiddelde emissiereductie die in Monitor wordt toegepast op de emissies van alle weidedieren in een provincie.

De weidereductie is afhankelijk van de mate van beweiden (aantal dagen beweiding en aantal uren beweiding per dag). Deze weidereductie is afgeleid van gegevens die per provincie door het CBS zijn aangeleverd.

Om te komen van de CBS gegevens naar een weidereductiefactor per provincie zijn de volgende stappen genomen 

  1. De gemiddelde mate van beweiden bij alle dieren die beweid worden, bepaalt de omvang van de gemiddelde emissiereductie voor alle weidedieren in een provincie. De gehanteerde reductie is 5% bij een gemiddelde beweiding van 720-1500 uur per jaar, 10% bij een gemiddelde beweiding van 1500-2200 uur per jaar en 15% bij een gemiddelde beweiding van meer dan 2200 uur per jaar.
  2. De gemiddelde weidereductie die onder a. wordt berekend, is alleen van toepassing op de weidedieren binnen een provincie. Echter, in AERIUS wordt de rekenkundige weidereductie automatisch op alle melkvee toegepast, dus ook op de dieren die permanent opgestald worden. Daarom is de berekende weidereductie voor weidedieren naar beneden toe bijgesteld om te corrigeren voor het aandeel dieren dat permanent opgestald wordt in een provincie. Bijvoorbeeld, een provincie met een gemiddelde weidereductie van 10% voor alle weidedieren (gemiddelde beweiding van 1500-2200 uur per jaar) en een aandeel beweiding van 70% (dus 30% permanent opstallen), krijgt een rekenkundige reductie van (0,7 x 10% =) 7% op alle melkkoeien in de provincie.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Gegevens over mate van beweiding (per provincie en landbouwgebied)CBSapril 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
421-2638
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Gebruik schaalfactoren

Versie: 
15-12-2015

In het kort
Bij het bepalen van de depositiebijdrage en groeibehoefte van (deel)sectoren vindt per sector en stof (NH3 en NOX) een schaling plaats van de emissies of deposities. De schaling wordt toegepast bij (deel)sectoren waarvoor in de beschouwde (toekomst)jaren geen verfijnde emissies zijn gebruikt.
De toegepaste schaalfactoren zijn overgenomen of afgeleid van de schaalfactoren die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten

De schaalfactoren worden toegepast bij:

  • berekenen van niet verfijnde depositiebijdrage in de huidige situatie (2014)
  • berekenen van de niet-verfijnde depositiebijdrage in 2020/2030 in een situatie zonder economische groei
  • berekenen van de niet-verfijnde groeibehoefte in 2020/2030.

Wanneer is gebruik gemaakt van schaling in Monitor?
Monitor onderscheidt de volgende toepassingen van schaalfactoren:

  1. Schaling van de niet verfijnde depositiebijdragen die in Monitor per sector en stof zijn berekend op basis van de emissies die door RIVM zijn aangeleverd voor het basisjaar van de GCN/GDN kaarten. 

    Op de berekende depositiebijdragen in het basisjaar vindt driemaal een schaling plaats:

    a. bepalen van de niet verfijnde depositiebijdrage per sector in 2014 (huidige situatie), op basis van groeiscenario met hoge groei (ABR)
    b. bepalen van de niet verfijnde depositiebijdrage per sector in 2020/2030, voor het groeiscenario met 0% economische groei (POR)
    c. bepalen van de niet verfijnde RIVM groeibehoefte (in depositie) in 2020/2030, op basis van het verschil in emissieontwikkeling tussen het hoge groeiscenario enerzijds (ABR) en het 0% groeiscenario anderzijds (POR). Als de niet verfijnde groeibehoefte wordt opgeteld bij de niet verfijnde sectorbijdrage in het scenario zonder groei in 2020/2030 (1b), ontstaat inzicht in de totale depositiebijdrage op basis van RIVM emissies en emissiegroei (het scenario met hoge economische groei).

     
  2. Schaling van de niet verfijnde emissies in het basisjaar van het RIVM, met dezelfde schaalfactoren voor groei die gebruikt worden om de niet verfijnde RIVM groeibehoefte in depositie te bepalen (1c). De aldus bepaalde landelijke RIVM groeibehoefte voor 2020/2030, uitgedrukt in emissies, wordt vergeleken met de emissiebehoefte van de uitgebreide lijst van voorziene Projecten. Op basis van deze vergelijking wordt bepaald hoe de groeibehoefte van een sector ruimtelijk over Nederland wordt verdeeld.

Hoe worden de schaalfactoren bepaald?
Schaalfactoren ABR, voor berekenen van niet verfijnde bijdrage in 2014
De schaalfactoren voor 2014 zijn bepaald door de schaalfactoren ABR voor 2012 en 2015 zoals aangeleverd door het RIVM te interpoleren. De aldus bepaalde schaalfactoren voor 2014 gelden ten opzichte van het basisjaar waarvoor de emissies zijn aangeleverd (2011) en kunnen daarom direct toegepast worden op de berekende depositiebijdragen voor dat basisjaar. Resultaat van deze schaling is de niet verfijnde depositiebijdrage van een sector in 2014.

Opgemerkt wordt dat voor de meeste sectoren de ABR schaalfactoren kleiner dan 1 zijn. Dat betekent dat de emissies en depositiebijdrage in 2014 lager zijn dan in het basisjaar. Dit is het effect van beleid en maatregelen, die ervoor zorgen dat ondanks economische groei toch sprake is van een netto daling van de emissies.

Schaalfactoren POR, voor berekenen niet-verfijnde sectorbijdrage in 2020/2030 zonder groei
De door het RIVM aangeleverde schaalfactoren voor de ABR (hoge groei, 2,5%) en de BOR (lage groei, 0,9%) zijn geëxtrapoleerd om te komen tot een schaalfactor voor een groeiscenario met 0% economische groei. Dit zijn de POR-schaalfactoren ten opzichte van de emissies in het aangeleverde basisjaar en kunnen daarom direct worden toegepast op de berekende depositiebijdragen voor dat basisjaar. Toepassing van deze schaalfactoren laat zien hoe de deposities zich zouden ontwikkelen als er vanaf het basisjaar geen groei (geen nieuwe ontwikkelingen) meer zou zijn.

Bij de meeste sectoren dalen de emissies in de tijd in het 0% groeiscenario. Dit is het gevolg van positieve beleidseffecten (zoals de verschoning van het wagenpark). Het kan ook voorkomen dat de emissies gelijk blijven ten opzichte van de huidige situatie (2014). In Monitor komt een toename van emissies ten opzichte van de huidige situatie in het 0% groeiscenario niet voor.

Schaalfactoren groei, voor berekenen niet-verfijnde groeibehoefte in 2020/2030
Het verschil in emissieontwikkeling tussen het hoge groeiscenario enerzijds (ABR) en het 0% groeiscenario anderzijds (POR) is de groeibehoefte voor een sector. De schaalfactoren voor de groei zijn in twee stappen bepaald:

  1. Eerst is de schaalfactor voor de POR afgetrokken van de schaalfactor voor de ABR, voor hetzelfde jaar. Dit leidt tot schaalfactoren voor de groei in 2014, 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar.
  2. Vervolgens zijn de schaalfactoren voor de groei in 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar gecorrigeerd voor de groei die plaatsvindt in 2014 ten opzichte van het basisjaar. Dit levert schaalfactoren groei op voor 2020 en 2030 ten opzichte van 2014.

Het resultaat van bovenstaande zijn de Monitor schaalfactoren voor groei voor 2020 en 2030 (per sector en stof). Deze schaalfactoren worden toegepast op de emissies of deposities in het basisjaar om de groeibehoefte vanaf het begin van de PAS tot aan 2020/2030 te berekenen.

Opgemerkt wordt dat de schaalfactoren voor groei negatief kunnen zijn. Dit betekent dat de landelijke sectoremissies in het groeiscenario met hoge economische groei minder toenemen (of harder dalen) dan in het 0% groeiscenario. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als de economische groei schonere technieken stimuleert, waardoor de uiteindelijke emissies lager uitkomen dan zonder groei, ondanks een toename in activiteiten. Met dit gunstige effect is rekening gehouden bij het berekenen van de totale depositie in Monitor. Bij het berekenen van de ontwikkelingsruimte en ontwikkelingsbehoefte wordt negatieve groei niet meegenomen.


Factsheet

Factsheet
409-3001
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Groeipercentages dieraantallen

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
PlanBureau voor de Leefomgeving
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

Deze gegevens geven een overzicht van de groeipercentages voor de dieraantallen per diertype. De groeipercentages zijn overgenomen uit een groeiscenario (bovenraming) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). De groeipercentages worden toegepast om, op basis van de dieraantallen in 2013 (GIAB2013++), te komen tot dieraantallen in 2014 en de toekomstjaren 2020 en 2030.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de onderstaande bron. De PBL gegevens omvatten dieraantallen voor de jaren 2013 (op basis van landbouwtellingen), 2020 (scenario bovenraming) en 2030 (scenario bovenraming). De dieraantallen zijn uitgesplitst per diercategorie uit de RAV (zowel hoofdcategorieën als subcategorieën). Op basis van de PBL gegevens zijn in AERIUS per hoofdcategorie groeipercentages afgeleid voor de groei in 2014, 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar 2013.

BronEigenaarSinds
Bestanden met dieraantallenPlanBureau voor de Leefomgeving2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
419-2639
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

NEMA correctie

In het kort[no-lexicon]
RIVM berekent de ammoniakemissies uit de landbouw met het model NEMA (National Emission Model for Agriculture). Om ervoor te zorgen dat de landelijke ammoniakemissies uit stallen die AERIUS Monitor 2015 berekent voor het basisjaar (2013) overeenkomen met de landelijke ammoniakemissies uit stallen op basis van het NEMA-model, is in Monitor 2015 een correctie toegepast op de berekende stalemissies: de NEMA-correctie.

Uitwerking
De NEMA-correctie is een correctie op de ammoniakemissies (NH3) uit stallen zoals die in AERIUS worden berekend voor 2013 op basis van het GIAB++ bestand. De NEMA-correctie wordt toegepast nadat de emissies zijn berekend op basis van GIAB++. Dat betekent dat toepassen van de NEMA correctie niet leidt tot een wijziging in de methodiek en uitgangspunten van AERIUS met betrekking tot het berekenen van de emissie en emissieontwikkeling per stal op basis van GIAB++ (bepalen emissies stallen).

De NEMA-correctie is toegepast in de vorm van een correctiefactor, de NEMA-factor genoemd. De NEMA-factor wordt vermenigvuldigd met de NH3 stalemissies zoals die berekend worden op basis van het GIAB++ bestand. De NEMA-factor is voor alle jaren en beleidsscenario’s gelijk, maar kan wel verschillen per diertype. Dit is uitgewerkt door de NEMA-factor te bepalen per ‘NEMA-cluster’, waarbij in ieder cluster bepaalde diercategorieën samen zijn gevoegd.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de onderscheiden NEMA-clusters. Per NEMA-cluster is aangegeven welke NEMA-categorieën er binnen vallen: voor deze categorieën zijn door RIVM de NEMA emissies 2013 beschikbaar gesteld ten behoeve van Monitor 2015. De som van de NEMA-emissies van alle vermelde NEMA-categorieën samen, is gelijk aan de landelijke NEMA emissies voor stallen (NH3). Tevens is in de tabel voor ieder cluster aangegeven welke RAV-categorieën uit het GIAB++ bestand erbij horen. Alle RAV-categorieën die relevant zijn voor Monitor 2015 zijn in een cluster ondergebracht.

In Monitor 2015 is voor het basisjaar van het gebruikte GIAB++ bestand (2013) per NEMA-cluster bepaald hoe groot het verschil is tussen enerzijds de NEMA-emissies en anderzijds de emissies die worden berekend op basis van het GIAB++ bestand. Op basis van dat verschil is per NEMA-cluster de NEMA-factor bepaald. Deze NEMA factor is toegepast op de met GIAB++ berekende stalemissies van alle stallen uit het betreffende cluster.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
606-2470
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Netwerkgegevens hoofdwegennet

Kenmerken

Thema
Verkeer en vervoer
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu
GLP
in voorbereiding
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
2015

Beschrijving gegevensset

[no-lexicon]De netwerken voor het hoofdwegennet (HWN) in de PAS omvatten gegevens over de omvang en samenstelling van het verkeer op de wegvakken van het hoofdwegennet. Tevens zijn gegevens opgenomen over de kenmerken van de wegvakken, zoals de maximum snelheid, de hoogteligging en de aanwezigheid van afschermende constructies zoals geluidsschermen. Deze gegevens vormen de basis van de emissie- en verspreidingsberekeningen voor het wegverkeer op het HWN in AERIUS Monitor.
De netwerken zijn aangeleverd door Rijkswaterstaat. De aangeleverde netwerken omvatten:

  • Referentienetwerk 2014
  • NSL-netwerk 2020, inclusief uitbreiding 130 km/uur.
  • NSL-netwerk 2030, inclusief uitbreiding 130 km/uur.
  • NSL-netwerk 2020, zonder uitbreiding 130 km/uur
  • NSL-netwerk 2030, zonder uitbreiding 130 km/uur
  • NSL-netwerk 2020, inclusief uitbreiding 130 km/uur, met reservering voor tijdelijke netwerkeffecten

In de bovenstaande netwerken voor 2020 en 2030 zijn de infrastructurele projecten meegenomen die zijn opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) en de lijst met prioritaire projecten in de bijlage van de Regeling programmatische aanpak stikstof.

In het kader van een toestemmingsbesluit dient het bevoegd gezag per project ontwikkelingsruimte toe te delen in AERIUS Register. Omdat de optelsom van individuele projecteffecten doorgaans niet gelijk is aan het netwerkeffect van alle projecten samen en bij een afname van verkeersintensiteiten als gevolg een project geen ontwikkelingsruimte kan worden bijgeboekt in AERIUS Register, kunnen tekorten aan ontwikkelings- en depositieruimte ontstaan.  De reservering voor tijdelijke netwerkeffecten in 2020 heeft tot doel tekorten aan ontwikkelings- en depositieruimte als gevolg van tijdelijke toenames in verkeersintensiteiten te voorkomen.

Uitgangspunten tijdelijke netwerkeffecten 
De reservering voor tijdelijke netwerkeffecten bestaat uit een verhoging van de intensiteiten op een wegvak. Er zijn drie klassen onderscheiden: 1.000, 5.000 of 10.000 mvt/etmaal per richting. Deze klassen zijn vastgesteld door EZ en IenM naar aanleiding van een getalmatige analyse van ruim 20 wegprojecten. Afhankelijk van de ligging van een wegvak en de afstand van het wegvak tot MIRT projecten is een klasse aan een wegvak toegekend.[/no-lexicon]

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
CSV bestanden met netwerkgegevensMinisterie van Infrastructuur en Milieu28 mei 2015

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
422-2649
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Netwerkgegevens onderliggend wegennet

Kenmerken

Thema
Verkeer en vervoer
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
PAS-bureau
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2015

Beschrijving gegevensset

[no-lexicon]De netwerken voor het onderliggend wegennet (OWN) in het PAS omvatten gegevens over de omvang en samenstelling van het verkeer op de wegvakken van het OWN die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Tevens zijn gegevens opgenomen over de kenmerken van de wegvakken, zoals de maximum snelheid, de hoogteligging en de aanwezigheid van afschermende constructies zoals geluidsschermen. Op basis van deze gegevens berekent AERIUS Monitor de groeibehoefte van de SRM2 wegen op het OWN.[/no-lexicon]

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
CSV bestanden met netwerkgegevens provinciesPAS-bureau22 september 2015

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
627-2650
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Ruimtelijke verdeling groei-emissies: de ‘waterbedmethode’

In het kort
Monitor houdt bij het berekenen van de toekomstige depositie voor iedere sector rekening met een bepaalde, hoge economische groei. Deze groei is niet gelijkmatig over heel Nederland verspreid, maar zoveel mogelijk gemodelleerd op de plaatsen waar ook veel economische ontwikkelingen voorzien worden voor de betreffende sector. Op andere plaatsen is dan minder groei doorgerekend, omdat daar ook minder ontwikkelingen voorzien worden.
De methode waarmee binnen Monitor de generieke en vaststaande landelijke emissiegroei van een sector ruimtelijk verdeeld zijn over Nederland, zodanig dat de groei daar terecht komt waar deze groei wordt verwacht, is de waterbedmethode.

Hoe werkt de waterbedmethode?
Uitgangspunt van de waterbedmethode is de landelijke RIVM emissiegroei (per GCN sector en stof) die in 2020 en 2030 is voorzien als gevolg van economische ontwikkelingen. Deze landelijke RIVM emissiegroei volgt uit de vergelijking van de emissies in het scenario met hoge economische groei (ABR) met de emissies in het (fictieve) scenario met 0% groei vanaf het begin van de PAS (PasOnderRaming, POR). Het verschil geeft de emissies (per sector en stof) als gevolg van de voorziene economische groei.

De RIVM emissiegroei is berekend per GCN-sector en stof. Op basis hiervan is voor een aantal zogenoemde ‘waterbedclusters’ de RIVM emissiegroei per stof bepaald (in een waterbedcluster zijn verschillende GCN sectoren geclusterd). De totale emissiegroei per waterbedcluster is vervolgens verminderd met de emissies van een totaallijst van voorziene (S1 en S2) projecten die binnen hetzelfde waterbedcluster vallen. Dit levert de resterende RIVM emissiegroei op voor het betreffende waterbedcluster: de overgebleven voorziene landelijke emissiegroei die nog niet ingevuld is door voorziene projecten.

De resterende RIVM emissiegroei per waterbedcluster en stof is vervolgens gedeeld door de totale RIVM emissiegroei. Dit levert per waterbedcluster en stof een correctiefactor op. Deze correctiefactor is vervolgens toegepast op de totale RIVM groeibijdrage in depositie, die zonder toepassing van het waterbed zou worden berekend. Op die manier is de RIVM groei ingeperkt (immers deze wordt vervangen door een lokaal berekende groeibehoefte op basis van projectgegevens).
Bijvoorbeeld, als de RIVM emissiegroei voor NOX binnen een waterbedcluster ‘100’ is en de projecten hebben een emissies van ‘60’, dan is de resterende groei in emissies na aftrek van de projectemissies dus 40. De correctiefactor voor de RIVM groei wordt dan 40/100=0,4. Dat betekent dat voor iedere GCN-sector in het waterbedcluster de berekende RIVM groei voor NOX (uitgedrukt in depositie), vermenigvuldigd is met 0,4.

De aldus bepaalde resterende RIVM groei (in depositie) is op sectorniveau weer vermeerderd met de berekende projectbijdragen van de betreffende sector. Dit vormt de totale groeibehoefte in depositie zoals die wordt opgenomen in de depositieruimte en totale depositie: het ‘waterbed’. Het waterbed is bepaald voor 2020 en 2030.

Wat houdt het aftoppen in?
De totale emissies van alle projecten binnen het waterbedcluster kunnen hoger zijn dan de voorziene totale RIVM emissiegroei voor de betreffende sector en stof. Er is dan geen sprake meer van een resterende RIVM emissiegroei: alle voorziene groei is dan al (meer dan) ingevuld door de voorziene projecten. Wanneer zich dit voordoet worden bij de niet verfijnde sectoren de berekende projectbijdragen niet volledig in de depositieruimte en totale depositie opgenomen, maar worden deze ‘afgetopt’. Dit wordt gedaan om te voorkomen dat AERIUS meer groei modelleert dan de totale RIVM emissiegroei. De aftopping wordt berekend per stof en jaar en waterbedcluster. Dit betekent dat alle projecten in hetzelfde waterbedcluster dezelfde mate van aftopping krijgen.

Bijvoorbeeld, als de RIVM emissiegroei voor een waterbedcluster ‘70’ is en de totale emissies van de projecten voor dat waterbedcluster zijn ‘100’, dan past maar 70% van de projectemissies binnen de totale RIVM-groei. In dat geval wordt van iedere berekende projectbijdrage in dat waterbedcluster maar 70% opgenomen als groeibehoefte in de depositieruimte en totale depositie. De aftopfactor is dan 0,7. De correctiefactor voor de RIVM groei is in deze gevallen altijd nul (geen resterende RIVM groei meer).

Het resultaat van het aftoppen is dat voor de ruimtelijke verdeling van de depositieruimte optimaal rekening wordt gehouden met de locatie en omvang van alle nu al voorziene projecten (S1 en S2), terwijl tegelijkertijd geborgd is dat in de totale depositie en depositieruimte niet meer emissiegroei wordt opgenomen dan het RIVM landelijk voorziet voor een sector.

Opgemerkt wordt dat aftoppen per definitie alleen een rol speelt bij het bepalen van de groeibehoefte zoals die is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. Bij het bepalen van de ontwikkelingsbehoefte voor segment 1 projecten en de daarbij benodigde reservering in segment 1 wordt altijd gekeken naar de totale, niet afgetopte voorziene behoefte.

Wanneer is de waterbedmethode toegepast?
De waterbedmethode is in principe toegepast bij alle sectoren waar binnen AERIUS sprake is van zowel een RIVM groei als van (prioritaire) projectgegevens van provincies, Defensie en IenM. Uitzonderingen en bijzonderheden zijn: 

  • Rijnmondgebied voor ENINA (incl mobiele werktuigen) en binnenvaart (NOX). De emissies voor deze sectoren zijn binnen het Rijnmondgebied volledig verfijnd. De RIVM emissies voor deze sectoren zijn hierop in de basis al aangepast. Dat betekent dat voor deze sectoren het waterbed überhaupt alleen maar geldt voor de RIVM groei voor de ‘rest van Nederland’ buiten het Rijnmondgebied.
  • Mobiele werktuigen (buiten Rijnmond). De RIVM emissies voor deze sector (buiten Rijnmond) zijn in de basis al verfijnd op basis van de HWS projecten van IenM. Dat betekent dat bij het waterbed de HWS projecten van IenM geen rol meer spelen bij de beperking van de RIVM emissies. Immers de RIVM groei is in de basis al aangepast om rekening te houden met de HWS projecten voor mobiele werktuigen. De (resterende) RIVM groei is binnen het waterbed echter wel nog beperkt op basis van provinciale projecten en HVWN projecten van IenM met mobiele werktuigen.
  • Wegverkeer OWN. Binnen de projecten van IenM en Defensie zijn heel beperkt wegverkeer-emissies aangeleverd en er is tevens sprake van een niet verfijnde RIVM groei voor het OWN. Echter, de projectemissies voor OWN zijn doorgerekend en meegenomen in de depositieruimte en totale depositie zonder de RIVM groei voor het OWN hierop aan te passen.
  • Luchtvaart. Voor luchtvaart zijn projecten van Defensie aangeleverd en is ook sprake van een niet verfijnde RIVM groei, die echter hoort bij andere (burger)luchthavens. De defensie projecten voor luchtvaart zijn daarom doorgerekend en opgenomen in de depositieruimte en totale depositie zonder dat de RIVM groei voor (andere) luchthavens hierop is aangepast. Zie ook factsheet Verfijning luchthavens.

Daarnaast geldt dat het waterbed überhaupt niet van toepassing is op sectoren die in hun geheel worden gerekend met verfijnde emissies:

  • Stallen. De groei voor stallen is ruimtelijk al verdeeld op basis van de GIAB++ emissies. De aangeleverde provinciale projecten binnen deze sector zijn niet van invloed op deze verdeling van de depositieruimte (maar krijgen uiteraard wel een reservering in S1)
  • Hoofdwegennet. Deze sector is volledig verfijnd dus RIVM groei of los aangeleverde projecten zijn überhaupt niet aan de orde

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de waterbedclusters in Monitor (clusters van GCN sectoren waarbinnen projecten zijn voorzien). Per waterbedcluster zijn ook de voorziene (S1 en S2) projecten aangegeven die binnen het waterbedcluster vallen.

Waterbedcluster Projecten (S1 en S2) binnen cluster
ENINA - buiten Rijnmondgebied Projecten provincies; projecten IenM (HVWN)
Mobiele werktuigen (muv landbouw) - buiten Rijnmondgebied en gecorrigeerd voor HWS projecten Projecten Ministerie van IenM (alleen HVWN) en provincies
Rail Projecten provincies
Glastuinbouw Projecten provincies
Zeescheepvaart, zeeroute Projecten Ministerie van IenM (HWS en HVWN)
Zeescheepvaart, stilliggen Projecten Ministerie van IenM (HWS en HVWN)
Zeescheepvaart, binnengaatse route Projecten Ministerie van IenM (HVWN)
Binnenvaart - buiten Rijnmondgebied Projecten Ministerie van IenM (HVWN), provincies
Consumenten Projecten Ministerie van Defensie en provincies
Handel, Dienst en Overheid Projecten Ministerie van Defensie

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
412-2657
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Ruimtelijke verdeling scheepvaartemissies

Versie: 
15-12-2015

In het kort
Bij het bepalen van de depositiebijdrage van binnenvaart- en zeeschepen in 2014 en de toekomstige situaties (2020 en 2030) wordt uitgegaan van de emissiebestanden en emissiegroei die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De emissiebestanden van het RIVM geven waarden per grid van 1x1 kilometer. In Monitor zijn deze emissies omgezet naar een fijner grid dat meer overlap heeft met de vaarwegen. 

Hoe zijn de scheepvaartemissies in Monitor ruimtelijke verdeeld?
Onderstaande figuur illustreert de 1x1 km vakken (lichtblauwe vakken) waarvoor de emissiegegeven voor scheepvaart beschikbaar zijn. Deze emissiegegevens hanteert RIVM bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De donkerblauwe lijnen geven de vaarroutes aan, zoals overgenomen in het NWB vaarwegen.

Monitor verdeelt de emissies in de km vakken over de vaarlijnen (zie onderstaande figuur). Daarbij hanteert Monitor een verfijnd grid dat afhankelijk is van de breedte van de vaarweg. Voor bredere vaarwegen wordt uitgegaan van een grid van 250x250 meter, en voor smallere vaarwegen wordt uitgegaan van een grid van 100x100 meter.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
411-2644
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Schaalfactoren groei

Kenmerken

Thema
Algemeen
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
RIVM
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
30-06-2015

Beschrijving gegevensset

[no-lexicon]Bij het bepalen van de depositiebijdrage en groeibehoefte van (deel)sectoren vindt per sector en stof (NH3 en NOX) een schaling plaats van de emissies of deposities voor het basisjaar van de GCN/GDN kaarten (ronde 2015). De schaalfactoren zijn afgeleid van de schaalfactoren die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten 2015. Deze schaalfactoren worden toegepast bij (deel)sectoren waarvoor in de beschouwde (toekomst)jaren geen verfijnde emissies zijn gebruikt.

Monitor past de schaalfactoren toe bij de berekening van:
a. de depositiebijdrage in de huidige situatie (2014)
b. de depositiebijdrage in 2020/2030 in een situatie zonder economische groei
c. 
de groeibehoefte in 2020/2030.

De totale depositiebijdrage in 2020/2030 waarvan wordt uitgegaan in de PAS is de som van de depositiebijdrage in een situatie zonder economische groei (b.) en de groeibehoefte (c.).  

Het scenario ABR (Beleid Bovenraming) gaat uit van een relatief hoge economische groei: 2,5% per jaar. Het scenario BOR (Beleid Onderraming) gaat uit van relatief lage economische groei: 0,9% per jaar.

Welke bewerkingen zijn uitgevoerd op de aangeleverde gegevens?
Voor het bepalen van de depositiebijdrage in 2014, vindt schaling plaats van de depositiebijdragen in het basisjaar. Hierbij gaat Monitor uit van schaalfactoren ABR voor de situatie in 2014. Door RIVM zijn schaalfactoren ABR aangeleverd voor 2013 en 2015. De schaalfactoren ABR voor 2014 zijn bepaald op basis van lineaire interpolatie.

Voor het bepalen de depositiebijdrage in 2020/2030 in een situatie zonder economische groei gaat Monitor uit van het scenario PAS OnderRaming (POR). Dit scenario gaat uit van 0% groei. De schaalfactoren POR voor 2020/2030 zijn bepaald op basis van extrapolatie van de RIVM schaalfactoren voor ABR (2,5% groei) en BOR (0,9%). De schaalfactoren worden toegepast op de depositiebijdragen in het basisjaar.

Voor het bepalen van de groeibehoefte in 2020/2030 gaat Monitor uit van de zogenoemde 'schaalfactoren groei'. Deze schaalfactoren zijn in twee stappen bepaald:

  • Eerst is de schaalfactor voor de POR in een bepaald jaar afgetrokken van de schaalfactor voor de ABR voor datzelfde jaar. Dit leidt tot schaalfactoren voor de groei in 2014, 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar.
  • Vervolgens zijn de schaalfactoren voor de groei in 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar gecorrigeerd voor de groei die plaatsvindt in 2014 ten opzichte van het basisjaar. Dit levert schaalfactoren groei op voor 2020 en 2030 ten opzichte van 2014.[/no-lexicon]

Verantwoording gegevensset

De schaalfactoren die Monitor toepast zijn afgeleid van de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
Schaalfactoren scenario ABR (BeleidBovenRaming zonder PAS)RIVMapril 2015
Schaalfactoren scenario BOR (BeleidOnderRaming)RIVMapril 2015

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
417-2659
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Stalsystemen - emissiefactoren

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu
GLP
in voorbereiding
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
adhoc
Laatste update
23-06-2015

Beschrijving gegevensset

De emissiefactoren stalsystemen zijn emissiefactoren voor de emissie vanuit dierenverblijven, inclusief de emissie van de mest die in het dierenverblijf is opgeslagen. De emissiefactoren geven voor verschillende combinaties van stalsystemen en dierverblijven waarden voor de emissie ammoniak (NH3) in kilogram per dierplaats per jaar. De gehanteerde emissiefactoren worden gepubliceerd in de Regeling ammoniak en veehouderij.

Verantwoording gegevensset

De gegevensset is gebaseerd op de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
Regeling ammoniak en veehouderij (Calculator 2015)Ministerie van Infrastructuur en Milieu23 juni 2015
Regeling ammoniak en veehouderij (Monitor 2015)Ministerie van Infrastructuur en Milieu05 juni 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe gegevens worden beschikbaar gesteld via een webpublicatie.
  • HarmonisatieDe gegevens worden overgenomen en opgeslagen in een machine-leesbaar formaat.
  • ValidatieDe gegevens worden door een inhoudsdeskundige gevalideerd.
  • TransformatieDe gegevens worden automatisch getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

farm_lodging_type_emission_factors

VeldTypeEenheidOmschrijving
farm_lodging_type_idint4.PRIKEY
substance_idint2n.v.tUnieke identificatie van de stof
emission_factorfloat4Emissie (kg per dierplaats per jaar)

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
358-2759
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Toepassing rekenmodel wegverkeer (SRM2)

[no-lexicon]In het kort
Monitor 2015 berekent de verspreiding van de emissies door wegverkeer met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
SRM2 berekent de concentratiebijdragen op een rekenpunt op basis van

  • brongegevens (emissies wegverkeer, locatie wegvakken, weghoogte, kenmerken afschermende constructies)
  • brononafhankelijke gegevens (meteorologische condities, terreinruwheid en brondepletie).  

Monitor bepaalt vervolgens de depositiebijdrage door de berekende concentraties te vermenigvuldigen met de effectieve droge depositiesnelheid. De waarden voor de depositiesnelheid zijn afgeleid met het rekenmodel OPS van het RIVM.

Hoe berekent AERIUS Monitor de depositiebijdrage door wegverkeer?
AERIUS berekent voor wegverkeer de verspreiding van verontreinigende stoffen in de lucht met SRM2 (concentraties). Vervolgens berekent AERIUS hoeveel van die stoffen per hectare op bodem of gewas terechtkomt (depositie). 

De volgende gegevens vormen de invoer voor AERIUS:
A.    kenmerken emissiebronnen
B.    brononafhankelijke gegevens.
Op basis hiervan berekent AERIUS de depositiebijdrage op de rekenpunten (hexagonen).

A.    Kenmerken emissiebronnen
De volgende gegevens vormen de invoer voor de verspreidingsberekening met SRM2:

  • de locatie van de wegsegmenten, in x,y-rijksdriehoekcoördinaten (m)
  • de bronemissies NOX, NO2 en NH3 per wegsegment (g/s)
  • de verticale verspreidingscoëfficiënt σz,0.

In Monitor zijn deze gegevens bepaald op basis van emissiefactoren voor wegverkeer en netwerkgegevens die door wegbeheerders zijn aangeleverd.
De waarde voor σz,0 is afhankelijk van:

  • het type omgeving (binnen bebouwde kom/buiten bebouwde kom)
  • de hoogte van de weg ten opzichte van het maaiveld en het type verhoging of verdieping
  • de aanwezigheid en hoogte van afschermende constructies langs de weg.

B.    Brononafhankelijke gegevens
AERIUS maakt bij de concentratieberekening met SRM2 gebruik van de volgende brononafhankelijke gegevens:

  • meteorologische condities
  • terreinruwheid (ruwheidlengte)

De gebruikte gegevens voor meteorologische condities en de terreinruwheid zijn in maart 2015 gepubliceerd door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (publicatie). Om de gepubliceerde gegevens geschikt te maken voor invoer in SRM2, vindt een voorbewerking plaats met de methode preSRM.

Voor de depositieberekening maakt AERIUS gebruik van de volgende brononafhankelijke gegevens:

  • depletiefactoren
  • depositiesnelheden.

brondepletie
Bij de berekening van de concentraties ammoniak en stikstofdioxide op een rekenpunt, houdt AERIUS rekening met de neerslag (depletie) van een deel van de ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOX) in het gebied tussen de bron en het rekenpunt. Het RIVM heeft met OPS versie 4.4.4 (2015) depletiefactoren bepaald voor zowel NOX als NH3. Deze waarden zijn afhankelijk van:

  • de afstand tussen de bron en het rekenpunt
  • de ruwheid ter hoogte van het rekenpunt
  • de achtergrondconcentratie NO2 en NH3 ter hoogte van het rekenpunt.

De resultaten van het RIVM zijn omgezet naar functies die, op basis van de x,y coördinaten van het rekenpunt en de afstand tot het wegsegment, de depletiefactor bepaalt die van toepassing is. Deze functies worden toegepast in Monitor 2015.

depositiesnelheden
Bij de berekening van de depositie gaat Monitor 2015 uit van gegevens over de effectieve depositiesnelheden voor NOX en NH3 per hexagoon die zijn bepaald met OPS versie 4.4.4 (2015). Een nadere toelichting op de depositiesnelheden is te vinden in de factsheet Wegverkeer – bepalen depositiesnelheid.

Een gedetailleerde modelbeschrijving is te vinden in de notitie SRM2 implementatie in AERIUS Calculator. [/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
400-2647
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Uitplaatsing emissies

Versie: 
15-12-2015

De emissiegegevens die RIVM hanteert voor de GCN/GDN kaarten vormen de invoer voor de berekening van de depositiebijdrage en groeibehoefte van niet-verfijnde sectoren.

De ruimtelijke verdeling van deze emissiegegevens (in vlakken van 1 bij 1 of van 5 bij 5 km) houdt geen rekening met de ligging van natuurgebieden. Hierdoor kan het voorkomen dat in de RIVM bronbestanden sprake is van emissies in Natura2000 gebieden (zie figuur 1). Voor bepaalde sectoren (zoals industrie) is het niet aannemelijk dat deze emissies daadwerkelijk plaatsvinden in de natuurgebieden zelf. In dat geval zijn de emissies ‘uitgeplaatst’ en zijn de emissies direct rondom het natuurgebied ruimtelijk verfijnd (zie figuur 2). De uitgeplaatste emissies zijn zodanig herverdeeld over Nederland dat de landelijke emissie gelijk blijft. De emissies worden verdeeld over Nederland naar rato van de verdeling van de GCN emissies voor de desbetreffende stof en sector.

Figuur 1

Figuur 2

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
630-2656
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie
  • 15-12-2015

Verfijnde emissiegegevens vliegtuigen

Kenmerken

Thema
Luchtvaart
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

[no-lexicon]De verfijnde emissiegegevens van vliegtuigen zijn gegevens over de locatie (inclusief hoogte) en de omvang van de NOX emissies door vliegverkeer in de huidige situatie (2014) en toekomstige situaties (2020 en 2030). De gegevens zijn te beschouwen als een driedimensionaal grid (250x250x250 meter) waarbij de totale emissies van alle vliegbewegingen binnen het desbetreffende grid zijn toegekend aan het zwaartepunt van het grid. Voor dit zwaartepunt is de grondlocatie aangegeven (x,y) en de hoogte (z).

De beschouwde gridcellen hebben betrekking op de vliegbewegingen bij landen en opstijgen (de Landing and Take-Off cyclus, LTO) die horen bij de volgende luchthavens:

  • Groningen Airport Eelde
  • Eindhoven Airport
  • Lelystad Airport
  • Maastricht Aachen Airport
  • Rotterdam The Hague Airport
  • Luchthaven Schiphol.

De gegevens zijn afgeleid van bestanden met brongegevens voor vliegtuigen die zijn aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en zijn opgesteld door het Nationaal Lucht- en ruimtevaartlaboratorium (NLR).

De gegevens vormen de invoer voor het bepalen van de depositiebijdrage en groeibehoefte van luchthavens in AERIUS Monitor.

Welke bewerkingen zijn uitgevoerd op de aangeleverde gegevens?
De bronbestanden vliegverkeer die zijn aangeleverd door het Ministerie van IenM omvatten gegevens over meerdere bronkenmerken en eigenschappen van het vliegverkeer. De bewerkingen in AERIUS betreffen het selecteren van gegevens die voor de berekeningen in AERIUS relevant zijn en het transformeren van deze gegevens naar bestanden die geschikt zijn als invoer voor de berekeningen in AERIUS. 

De gegevens van het NLR hebben betrekking op de situatie in 2012 en de situatie met benutting van de maximale operationele capaciteit uit de voorgenomen luchthavenbesluiten voor de desbetreffende luchthavens. AERIUS Monitor gaat bij de berekening van de depositiebijdrage en groeibehoefte in de huidige situatie (2014) uit van de emissiegegevens voor 2012. Voor de toekomstige situatie in zowel 2020 en 2030 gaat AERIUS uit van de maximale capaciteit.[/no-lexicon]

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Bestand luchthavenemissiesMinisterie van Infrastructuur en Milieu02 mei 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
424-2653
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Vervangingspercentage stallen

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
13-06-2014

Beschrijving gegevensset

In 2020 en 2030 is een deel van de stallen in de huidige situatie (2014) vervangen door nieuwere stallen. Inzicht in het aandeel van de stallen dat in 2020 en 2030 zal zijn vervangen is relevant voor het berekenen van het effect van het Besluit emissiearme huisvesting.

Deze gegevensset omvat waarden voor het aandeel van de stallen in 2014 dat naar verwachting zal zijn vervangen in 2020 en 2030. Daarbij is onderscheid gemaakt naar diercategorie.

Diercategorie (RAV) Vervangingspercentage 2020 (tov 2014) Vervangingspercentage 2030 (tov 2014)
RAV-code A 19% 50%
RAV-code overig 28% 75%

 

Verantwoording gegevensset

De gegevensset is gebaseerd op de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Vervangings-percentages stallenMinisterie van Economische Zaken2013

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
621-2640
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Wegverkeer - emissiefactoren standaard

Kenmerken

Thema
Verkeer en vervoer
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu, RIVM
GLP
niet van toepassing
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
27-05-2015

Beschrijving gegevensset

AERIUS berekent de totale verkeersemissies van stikstofoxiden (NOX), stikstofdioxide (NO2) en ammoniak (NH3) op basis van emissiefactoren die representatief zijn voor de gemiddelde emissies van het wagenpark op Nederlandse wegen. Hierbij wordt rekening gehouden met het wegtype, de voertuigcategorie, snelheidstypering, mate van doorstroming en het zichtjaar.

Verantwoording gegevensset

De emissiefactoren NOx en NO2 zijn overgenomen uit de bestanden met emissiefactoren wegverkeer die in maart 2015 zijn gepubliceerd door de staatssecretaris van IenM. De publicatie van deze emissiefactoren door IenM volgt uit de bepalingen in artikel 66 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. De emissiefactoren NH3 voor verkeer zijn overgenomen uit een publicatie van het RIVM. Zowel de NOx/NO2 emissiefactoren als de NH3 emissiefactoren zijn in lijn met de emissiefactoren waarvan is uitgegaan in de GCN/GDN ronde 2015.

BronEigenaarSinds
Emissiefactoren voor snelwegenMinisterie van Infrastructuur en Milieu16 maart 2015
Emissiefactoren voor niet-snelwegenMinisterie van Infrastructuur en Milieu16 maart 2015
NH3 emissiefactoren GCN/GDN ronde 2015RIVM19 mei 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe data wordt door de bronhouders gepubliceerd.
  • HarmonisatieDe gepubliceerde data is omgezet naar een machine-leesbaar-formaat.
  • ValidatieDe gepubliceerde en omgezette data wordt door een inhoudsdeskundige steekproefsgewijs geverifieerd.
  • TransformatieDe gepubliceerde data wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de database. Er worden geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Alleen voor de emissiefactoren voor lichtverkeer wordt een bewerking (aggregatie) toegepast om te komen tot een gemiddeld gewogen emissiefactor per wegtype.

Velden databasetabel

road_category_emission_factors

VeldTypeEenheidOmschrijving
road_category_idint4.PRIKEYnvtUnieke identificatie van de weg-voertuig-categorie
road_speed_profile_idint4nvtUnieke identificatie van het snelheidsprofiel
substance_idint2nvtUnieke identificatie van de stof
yearint2jaarJaar waarop de emissiefactor betrekking heeft
emission_factorfloat8g/kmEmissiefactor
stagnated_emission_factorfloat8g/kmEmissiefactor voor stagnerend verkeer

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
376-2873
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data

Wegverkeer – bepalen depositiesnelheden

In het kort[no-lexicon]
AERIUS berekent de concentratiebijdrage NO2 en NH3 van verkeersbronnen met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Om te komen tot een waarde voor de depositiebijdrage wordt de berekende concentratiebijdragen vermenigvuldigd met de ‘depositiesnelheid’.
De depositiesnelheid is een maat voor de snelheid waarmee gassen of deeltjes via afzetting of adsorptie aan het oppervlak uit de atmosfeer worden verwijderd.
AERIUS gaat uit van depositiesnelheden voor NOX en NH3 die per hexagoon van één hectare zijn bepaald op basis van berekeningen met het OPS model van het RIVM.

Hoe worden de depositiesnelheden per hexagoon bepaald?
Per rekenpunt in het midden van een hexagoon is met het rekenmodel OPS een waarde berekend voor de depositiesnelheid NOX en NH3:

1. Er is uitgegaan van de zoomlevel 2 hexagonen (zie onderstaande figuur). Het oppervlak van een zoomlevel 2 hexagoon heeft een oppervlak van ongeveer 4 hectare. Dat sluit het meeste aan bij een gridgrootte van 250x250 meter, die beschouwd wordt als de minimale rekenresolutie behorende bij de depositiesnelheid (RIVM notitie).

2. De concentraties en deposities op het rekenpunt in het midden van de hexagoon zijn berekend op basis van de gemiddelde verkeersemissies NOX en NH3 op het hoofdwegennet per grid van 1x1 km, zoals gebruikt in het basisjaar van de GCN2014.

3. Deze verkeersemissies zijn toebedeeld aan drie cirkels rondom het rekenpunt, op 1, 2 en 3 km van het receptorpunt. De keuze om emissies tot een afstand van 3 km aan te houden is ingegeven door de methode voor dubbeltellingcorrectie HWN waarbij de correctie in een km vak is bepaald op basis van de emissiebijdragen in de omringende km vakken tot 3 km. Per cirkel zijn de emissies van die cirkel vervolgens verdeeld over 36 punten op die cirkel (hoek tussen 2 punten: 10°). Zie onderstaande figuur.

4. De depositiesnelheid (Vd) is berekend door de berekende concentratie op de receptor te delen door de berekende droge depositie. Deze waarde geldt dus voor de receptoren op zoomlevel 2. Hierbij is de volgende formule gebruikt:

met:
Vd  = effectieve depositiesnelheid (m/s)
Φ = flux (=effectieve depositiesnelheid, berekend met OPS)
m = molmassa NH3 = 17 (g/mol) en NO2 = 46 (g/mol)
t  = omrekenfactor voor de tijd (s)
= omrekenfactor voor oppervlak (m2)
C  = concentratie (µg/m3)

5. De rekenpunten op zoomlevel 2 vallen samen met een deel van de rekenpunten op zoomlevel 1. De waarden voor de depositiesnelheid voor de overige hexagonen op zoomlevel 1 zijn bepaald door middel van interpolatie.

Resultaat is een tabel met depositiesnelheden NOX en NH3 per hexagoon van 1 hectare.

Hoe vindt schaling plaats van de depositiesnelheden?
Er is een relatie tussen de afstand van de weg en de depositiesnelheid. Er is daarom voor gekozen om de depositiesnelheid voor een hexagoon te schalen wanneer de hexagoon zich op korte afstand (<1000m) van de bron bevindt.

Deze schaling vindt plaats aan de hand van onderstaande functies, en zijn van toepassing op situaties met afstanden tussen het wegsegment en het middelpunt van de hexagoon tot en met 1000 meter. De ondergrens is 25 meter: bij afstanden korter dan 25 meter gaat onderstaande functie uit van 25 meter. Bij afstanden groter dan 1000 meter vindt geen schaling plaats en gaat AERIUS uit van de depositiesnelheid van de desbetreffende hexagoon.

met:
Vd,stof  = effectieve depositie snelheid (m/s)
X = afstand van de hexagoon tot het wegsegment (m)

De bovenstaande functies zijn afgeleid van gemiddelde waarden van de depositiesnelheden voor een selectie van bijna 1000 hexagonen. Bij de selectie van de hexagonen is ervoor gezorgd dat de verschillende windsectoren en klassen van landgebruik evenredig vertegenwoordigd zijn. Onderstaande figuren geven inzicht in de gemiddelde waarden voor de effectieve depositiesnelheden voor NOX en NH3, en de schaalfactoren die hieruit volgen.

[/no-lexicon]

 

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
577-2866
Voor
  • Calculator
Type
Methodiek
Versie

Bepalen relevante hexagonen

In het kort
AERIUS berekent de depositiebijdrage op het niveau van hexagonen. Binnen de gegevensset hexagonen wordt apart onderscheid gemaakt naar:

  • relevante hexagonen
  • OR-relevante hexagonen.

De relevante hexagonen zijn hexagonen die relevant zijn voor een toestemmingsbesluit op grond van de Nb-wet. De OR-relevante hexagonen zijn hexagonen die voor uitgifte van ontwikkelingsruimte (OR) in aanmerking komen

Hoe zijn de relevante hexagonen bepaald?
AERIUS maakt onderscheid tussen hexagonen die relevant zijn voor een toestemmingsbesluit op grond van de Nb-wet (zogenoemde relevante hexagonen) en hexagonen die niet relevant zijn.

Bij N2000 gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogelrichtlijn is sprake van relevant hexagoon wanneer het hexagoon (deels) overlapt met het leefgebied van een aangewezen soort.

Bij N2000 gebieden die zijn aangewezen op basis van de Habitatrichtlijn is sprake van een relevant hexagoon wanneer het hexagoon (deels) overlapt met:

Een aangewezen habitattype of habitatsoort wordt alleen meegenomen wanneer het desbetreffende habitattype of het leefgebied van de desbetreffende habitatsoort aangemerkt kan worden als stikstofgevoelig. Habitattypen en leefgebieden van habitatsoorten zijn stikstofgevoelig wanneer hun KDW kleiner is dan 2.400 mol/ha/jr.

De aangewezen habitattypen in AERIUS omvatten zowel zoekgebieden voor stikstofgevoelige habitattypen als gekarteerde habitattypen (zie tabel met brongegevens in factsheet habitattypen).

Hoe zijn de OR-relevante hexagonen bepaald?
Monitor toont de depositieruimte op relevante hexagonen waar tevens sprake is van een (mogelijke of naderende) overbelasting van stikstofdepositie. Dit zijn hexagonen die voor uitgifte van ontwikkelingsruimte (OR) in aanmerking komen. Deze set van hexagonen (OR-set) is rekenkundig bepaald met Monitor 2015. Hexagonen waar de totale depositie ook na het realiseren van alle voorziene ontwikkelingsbehoefte nog steeds tenminste 70 mol/ha/jaar onder meest kritische KDW blijft, zijn niet opgenomen in deze OR-set en worden daarom ook niet getoond in Monitor.
Voortouwnemer heeft de mogelijkheid om aanpassingen door te voeren in de OR-set: individuele relevante hexagonen waarvoor ecologisch of beleidsmatig kan worden onderbouwd dat ze onterecht zijn opgenomen of ontbreken in de set die met Monitor is bepaald, kunnen handmatig worden verwijderd of toegevoegd. Dit gebeurt in AERIUS Register.
De OR-set waarin deze aanpassingen zijn verwerkt, is de definitieve set met hexagonen die voor uitgifte van ontwikkelingsruimte in aanmerking komen.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
651-2930
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Habitatkartering

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg
GLP
in werking (concept)
GTP
ontwerp
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
18-09-2015

Beschrijving gegevensset

De gegevensset habitatkartering geeft weer waar welk natuurdoeltype voorkomt. Voor de aanwijzingsbesluiten en de beheerplannen zijn de kaarten belangrijke bouwstenen. Hieruit blijkt immers welke habitattypen actueel aanwezig zijn, met welke omvang en waar ze precies liggen. Daarnaast moeten de kaarten ook een objectieve basis bieden voor toetsingen in het kader van Nbwet-vergunningen en dus ook voor de PAS. In deze gegevensset zijn niet de nabijgelegen buitenlandse habitatkarteringen opgenomen (Vlaanderen, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen). Deze habitatkarteringen zijn geautomatiseerd gegenereerd op basis van de gebiedsbegrenzingen. Voor deze gebieden is langs de rand een buffer opgenomen met het habitattype H9999 (onzeker/onbekend)

Verantwoording gegevensset

De habitatkartering betreft een gegevensset die is gebaseerd op meervoudige bronnen. Deze bronnen worden in het kader van de afronding van de gebiedsanalyses ten behoeve van de PAS aangeleverd aan AERIUS. AERIUS harmoniseert, valideert en transformeert deze gegevens en levert deze door ten behoeve van de INSPIRE-publicatie habitatkartering.

BronEigenaarSinds
INSPIRE download service Habitats en biotopenMinisterie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg
20150918 habitatkartering bron.pdfMinisterie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg18 september 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieVoor alle PAS-gebieden worden door de bronhouder karteringen aangeleverd conform het gegevensleveringsprotocol.
  • HarmonisatieAlle bronnen worden omgezet naar de standaard structuur conform de verplichte velden in het GLP. Indien automatische koppeling van velden niet mogelijk is dan vind er handmatige koppeling plaats. De koppeling wordt altijd teruggekoppeld aan de bronhouder.
  • ValidatieEr vinden zowel verificaties plaats met betrekking tot de geometrie als de tabelinhoud. Van de geometrie wordt gecontroleerd of deze volledig dekkend is met het betreffende Natura 2000-gebied, of er geen overlappingen met polygonen zijn en of deze conform de standaarden is. Van de tabelinhoud wordt gecontroleerd of de verplichte velden in lijn zijn met de beschrijving in het GLP. Alle bevindingen worden teruggekoppeld aan de bronhouder.
  • TransformatieDe aangeleverde structuur (conform GLP) is niet gelijk aan de database structuur. Er vind een transformatie plaats waarbij er geen inhoudelijke of geometrische wijzigingen worden uitgevoerd. Indien er bevindingen zijn tijdens het verificatieproces dan worden er aannamen gedaan. Alle transformaties zijn geautomatiseerd en vastgelegd in het Gegevenstransformatieprotocol habitatkartering. Voor Vlaanderen, Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen is de habitatkartering afgeleid van de begrenzing van de N2000 gebieden.

Velden databasetabel

De bronnen worden naar de tabel habitat_areas getransformeerd. De volgende velden zijn in deze tabel opgenomen.

VeldTypeEenheidOmschrijving
assessment_area_idint4n.v.t.Unieke identifactie van het interessegebied
habitat_area_idint4.PRIKEYn.v.t.Unieke identifactie van de geometrie
habitat_type_idint4n.v.t.Unieke identificatie van het habitattype
coveragefloat4PercentagePercentage dekking van het habitattype

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
313-2726
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data

Habitattypen

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken
GLP
in voorbereiding
GTP
ontwerp
Periodiciteit
adhoc
Laatste update
29-09-2015

Beschrijving gegevensset

De gegevensset habitattypen bevat alle natuurdoeltypen conform annex I van de habitatdirective inclusief de Nederlandse subspecificatie en varianten. Daarnaast zijn een veertiental stikstofgevoelige aanvullende leefgebieden opgenomen en per Natura 2000-gebied het type voor onzeker/onbekend. Van alle typen zijn de kritische depositiewaarden (KDW) bekend conform de laatste wetenschappelijke inzichten. Voor het type onzeker/onbekend (H9999) is de KDW gebaseerd op het meest kritische aangewezen habitattype.
De habitattypen omvatten ook zoekgebieden voor stikstofgevoelige habitattypen.

Verantwoording gegevensset

De habitattypen betreft een gegevensset die is gebaseerd op de volgende bron:

BronEigenaarSinds
HabitattypenMinisterie van Economische Zaken17 september 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe bron wordt gepubliceerd door de bronhouder.
  • HarmonisatieDe bron is direct bruikbaar en er hoeft geen harmonisatie plaats te vinden.
  • ValidatieEr wordt door een inhoudsdeskundige gevalideerd of de gepubliceerde informatie geschikt is voor transformatie.
  • TransformatieDe aangeleverde data wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

habitat_types

VeldTypeEenheidOmschrijving
habitat_type_idint4.PRIKEYnvtUnieke identificatie van het habitattype
nametext.PRIKEYnvtHabitatcode conform nederlandse definitie
descriptiontextnvtOmschrijving van het habitattype
critical_depositionint4mol/hectareKritische depositiewaarde
sensitiveboolja/neeMogelijke stikstofgevoeligheid (ja/nee) van een habitattype

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
361-2725
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Habitattypen - doelstellingen en ecologische kwaliteit

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg
GLP
in werking (concept)
GTP
concept
Periodiciteit
adhoc
Laatste update
07-12-2015

Beschrijving gegevensset

Aangewezen habitattypen zijn waardevolle en kenmerkende natuurtypen die specifiek voorkomen in een bepaald Natura 2000 gebied en welk moeten worden beschermd voor behoud en herstel van biodiversiteit. Deze habitattypen zijn vastgelegd in het aanwijzingsbesluit van een gebied en er zijn doelstellingen geformuleerd ten aanzien van kwaliteit en oppervlak. Ook bevat deze gegevensset het ecologische oordeel t.b.v. het PAS.

De aangewezen habitattypen in AERIUS omvatten zowel zoekgebieden voor stikstofgevoelige habitattypen als gekarteerde habitattypen.

Verantwoording gegevensset

De aangewezen habitattypen betreft een gegevensset die is gebaseerd op de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
Webservice aangewezen habitattypenMinisterie van Economische Zakenmaart 2014
Aanpassingen aangewezen habitattype H1330B Krammer-VolkerakMinisterie van Infrastructuur en Milieu25 november 2015
Ecologisch oordeel habitattypenMinisterie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg07 juli 2015
Ecologisch oordeel leefgebiedenMinisterie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg13 juli 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe aangewezen habitattypen worden via een webservice geserveerd en is direct in te lezen. Voor Krammer-Volkerak is door de voortouwnemer het habitattype H1330B los opgegeven. Deze aanwijzing loopt vooruit op de verwachte definitieve aanwijzing. Het ecologische oordeel wordt door de voortouwnemers aangeleverd conform het GLP Gebiedsanalyse.
  • HarmonisatieDe bronnen zij direct bruikbaar en er hoeft geen harmonisatie plaats te vinden.
  • ValidatieEr wordt door een inhoudsdeskundige gevalideerd of de gepubliceerde informatie geschikt is voor transformatie. Daarnaast word het ecologische oordeel geautomatiseerd gevalideerd of het voldoet aan de afspraken uit het GLP.
  • TransformatieDe webservice wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de betreffende tabel in de database.

Velden databasetabel

habitat_properties

VeldTypeEenheidOmschrijving
assessment_area_idint4nvtUnieke identifactie van het interessegebied
habitat_type_idint4.PRIKEYnvtUnieke identificatie van het habitattype
extent_goalchar(4)nvtOppervlaktedoelstelling
quality_goalchar(4)nvtKwaliteitsdoelstelling
habitat_quality_typechar(4)nvtEcologisch oordeel

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
359-2554
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Habitattypen - relaties

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken
GLP
niet van toepassing
GTP
ontwerp
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
13-10-2015

Beschrijving gegevensset

De gegevensset bevat de relatie tussen de habitattypen zoals aangenomen in de aanwijzingsbesluiten en eventuele varianten van het habitattypen die in de karteringen zijn opgenomen.

Verantwoording gegevensset

Het betreft een gegevensset die is gebaseerd op de volgende bron:

BronEigenaarSinds
HabitattypenMinisterie van Economische Zaken

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe bron wordt door de bronhouder gepubliceerd.
  • HarmonisatieDe bron hoeft niet te worden geharmoniseerd en is direct bruikbaar.
  • ValidatieDe bron wordt door een inhoudsdeskundige gevalideerd.
  • TransformatieDe bron wordt automatisch getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

habitat_type_relations

VeldTypeEenheidOmschrijving
habitat_type_idint4.PRIKEYn.v.t.Unieke identificatie van het type
goal_habitat_type_idint4n.v.t.Unieke identificatie van het type zoals opgenomen in de aanwijzingsbesluiten

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
360-2939
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Hexagonen

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
AERIUS
GLP
niet van toepassing
GTP
niet van toepassing
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
28-09-2015

Beschrijving gegevensset

De gegevensset hexagonen bevat de hexagonen op een vijftal schaalniveau's (1, 4, 16, 64 en 256 hectare). Dit grid is bepalend voor waar berekeningen worden uitgevoerd en maakt het mogelijk om informatie op een eenduidige manier op meerdere schaalniveau's te tonen. Het grid is dekkend met de Natura 2000-gebieden en de beschermde natuurmonumenten exclusief de grote wateren. Een uitzondering wordt gemaakt indien een stikstofgevoelig habitattype is gekarteerd in de grotere wateren. Dan wordt dit toch in het interessegebied meegenomen.

Verantwoording gegevensset

De gegevensset is een resultante van een aantal gegevenssets zoals opgenomen in de gerelateerde factsheets. De bronnen van deze gegevenssets is terug te vinden in deze factsheets.

Beschrijving proces

  • InventarisatieZie gerelateerde factsheets.
  • HarmonisatieZie gerelateerde factsheets.
  • ValidatieDoor een inhoudsdeskundige wordt de invoer en de resultaten gevalideerd.
  • TransformatieOp basis van de gegevenssets worden de hexagonen automatisch gegenereerd bij het opbouwen van de database.

Velden databasetabel

hexagons

VeldTypeEenheidOmschrijving
receptor_idint4.PRIKEYn.v.t.
zoom_levelint4.BTREEn.v.t.Schaalniveau van het hexagoon

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
310-2938
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Natura 2000 - deelgebieden

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken
GLP
in voorbereiding
GTP
concept
Periodiciteit
adhoc
Laatste update
25-09-2015

Beschrijving gegevensset

Deze gegevensset bevat de deelgebieden uit de werkbegrenzing van de Nederlandse Natura 2000-deelgebieden. Met deelgebieden wordt bedoeld de onderverdeling tussen habitatrichtlijngebieden, vogelrichtlijngebieden en beschermde natuurmonumenten of een combinatie hiervan. De werkbegrenzing bevat alle meest recente inzichten en loopt vooruit op de officiële publicatie van de begrenzing. Naast de Nederlandse gebieden zijn in Calculator de nabijgelegen buitenlandse gebieden opgenomen.

Verantwoording gegevensset

De Natura 2000 - gebieden betreft een gegevensset die is gebaseerd op de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Natura2000_12juni2015_werkversieAerius.shpMinisterie van Economische Zaken12 juni 2015
Natura 2000 database EEAEuropean Environmental Agencyaugustus 2006

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe data van de Nederlandse gebieden wordt via e-mail aangeleverd. De buitenlandse gebieden zijn online te downloaden via de site van de European Environment Agency.
  • HarmonisatieDe Nederlandse begrenzingen zijn direct bruikbaar voor transformatie. De buitenlandse begrenzingen zijn eerst geharmoniseerd naar het formaat zoals wordt gebruikt voor Nederlandse begrenzingen.
  • ValidatieDe geleverde bestanden worden gevalideerd op technische juistheid. Bevindingen worden teruggekoppeld aan de bronhouder en leveren een nieuwe gerectificeerde levering op.
  • TransformatieDe geharmoniseerde data wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

natura2000_directive_areas

VeldTypeEenheidOmschrijving
assessment_area_idint4.PRIKEYn.v.t.Unieke identificatie van het interessegebied
natura2000_area_idint4n.v.t.Unieke identificatie van het Natura 2000-gebied
natura2000_directive_area_idint4.PRIKEYn.v.t.Unieke identificatie van het Natura 2000-deelgebied
typechar(4)n.v.t.Type interessegebied
nametext.BTREEn.v.t.Naam van het Natura 2000-gebied
habitat_directivebooln.v.t.Waarde ja/nee of habitatrichtlijn van toepassing
bird_directivebooln.v.t.Waarde ja/nee of vogelrichtlijn van toepassing
natural_monument_directivebooln.v.t.Waarde ja/nee of beschermd natuurmonument
design_statustextn.v.t.Status van de aanwijzing

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
318-2940
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Natura 2000 - gebieden

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken
GLP
in voorbereiding
GTP
ontwerp
Periodiciteit
adhoc
Laatste update
15-06-2015

Beschrijving gegevensset

Deze gegevensset bevat de geaggregeerde werkbegrenzing van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. De werkbegrenzing bevat alle meest recente inzichten en loopt vooruit op de officiële publicatie van de begrenzing. Naast de Nederlandse gebieden zijn in Calculator ook de nabijgelegen buitenlandse gebieden opgenomen.

Verantwoording gegevensset

De gebieden betreft een gegevensset die is gebaseerd op de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
Natura2000_12juni2015_werkversieAerius.shpMinisterie van Economische Zaken12 juni 2015
Natura 2000 database EEAEuropean Environmental Agencyaugustus 2006

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe data van de Nederlandse gebieden wordt via e-mail aangeleverd. De buitenlandse gebieden zijn online te downloaden via de site van de European Environment Agency.
  • HarmonisatieDe Nederlandse begrenzingen zijn direct bruikbaar voor transformatie. De buitenlandse begrenzingen zijn eerst geharmoniseerd naar het formaat zoals wordt gebruikt voor Nederlandse begrenzingen.
  • ValidatieDe geleverde bestanden worden gevalideerd op technische juistheid. Bevindingen worden teruggekoppeld aan de bronhouder en leveren een nieuwe gerectificeerde levering op.
  • TransformatieDe geharmoniseerde data wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

natura2000_areas

VeldTypeEenheidOmschrijving
assessment_area_idint4.PRIKEYn.v.t.Unieke identifactie van het interessegebied
natura2000_area_idint4.PRIKEYn.v.t.Unieke identificatie van het Natura 2000-gebied
typechar(4)n.v.t.Type Natura 2000-gebied
nametext.BTREEn.v.t.Naam van het Natura 2000-gebied
authoritytextn.v.t.Naam van het bevoegde gezag

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
317-2558
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Natura 2000 - kenmerken

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken
GLP
niet van toepassing
GTP
ontwerp
Periodiciteit
adhoc
Laatste update
15-06-2015

Beschrijving gegevensset

De gegevensset Natura 2000 - kenmerken bevat alle basis-informatie die in AERIUS wordt getoond over een Natura 2000-gebied. Het betreft informatie over landschapstype en aantal hectare conform het aanwijzingsbesluit zoals opgenomen in de Synbiosys Natura 2000-gebiedendatabase.

Verantwoording gegevensset

De gebieden betreft een gegevensset die is gebaseerd op de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Webservice basisinformatie Natura 2000-gebiedenMinisterie van Economische Zaken

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe data wordt door de bronhouder via een webservice gepubliceerd.
  • HarmonisatieDe bron is direct bruikbaar en er hoeft geen harmonisatie plaats te vinden.
  • ValidatieDoor een inhoudsdeskundige wordt gevalideerd of de geometrie en achterliggende velden geschikt en volledig zijn voor transformatie.
  • TransformatieDe aangeleverde data wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

natura2000_area_properties

VeldTypeEenheidOmschrijving
natura2000_area_idint4.PRIKEYn.v.tUnieke identificatie van het Natura 2000-gebied
landscape_typechar(4)n.v.tLandschapstype
registered_surfaceint8HectareAantal hectare conform aanwijzingsbesluit

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
316-2555
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

PAS Natuurherstelmaatregelen

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg
GLP
in werking (concept)
GTP
concept
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
24-11-2015

Beschrijving gegevensset

De PAS voorziet voor elk van de betrokken Natura 2000-gebieden in een ambitieus, samenhangend pakket van ecologische herstelmaatregelen om de effecten van stikstof op natuur te verminderen. De gegevensset bevat alle maatregelen die zijn gedefinieerd in de gebiedsanalyses inclusief de relevante kenmerken.

Verantwoording gegevensset

Het betreft een gegevensset die is gebaseerd op de volgende bron:

BronEigenaarSinds
v15010_7_TOTAAL_maatregelen.xlsxMinisterie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg24 november 2015
v15010_TOTAAL_maatregelrelatietabel.xlsxMinisterie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg19 november 2015
20141212_Maatregelenpolygonen_Zeeland.shpZeeland12 december 2014
20150713_PRVLIMBURG_maatregelen_geharmoniseerd.shpLimburg13 juli 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe geharmoniseerde bronnen worden conform het GLP gebiedsanalyse aangeleverd.
  • HarmonisatieEr hoeft geen harmonisatie van de data plaats te vinden.
  • ValidatieDe bronnen worden gevalideerd op de afspraken zoals gedefinieerde in het GLP gebiedsanalyse.
  • TransformatieDe gevalideerde bronnen worden automatisch omgezet naar de database.

Velden databasetabel

rehabilitation_strategies

VeldTypeEenheidOmschrijving
assessment_area_idint4n.v.t.Unieke identificatie van het gebied
rehabilitation_strategy_idint4n.v.t.Unieke identificatie van de maatregel
descriptiontextn.v.t.Omschrijving van de maatregel
notetextn.v.t.Opmerking bij de maatregel
geometry_accuracytextn.v.t.Mate van hoe duidelijk de locatie van de maatregel bekend is.
areatextn.v.t.Indicatie van oppervlakte of lengte van de maatregel inclusief eenheid.
geometrygeometryn.v.t.Geometry (polygoon) van de locatie van de maatregel (indien beschikbaar)

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
640-2816
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Soorten

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken
GLP
in voorbereiding
GTP
ontwerp
Periodiciteit
adhoc
Laatste update
24-07-2015

Beschrijving gegevensset

De gegevensset soorten bevat alle soorten die mogelijk in Nederland voorkomen in het kader van de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten.

Verantwoording gegevensset

De soorten betreft een gegevensset de is gebaseerd op de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
Aangewezen habitatsoortenMinisterie van Economische Zaken
Aangewezen broedvogelsMinisterie van Economische Zaken
Aangewezen niet-broedvogelsMinisterie van Economische Zaken

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe bron wordt gepubliceerd door middel van een webservice door de bronhouder.
  • HarmonisatieDe bron is direct bruikbaar en er hoeft geen harmonisatie plaats te vinden.
  • ValidatieEr wordt door een inhoudsdeskundige gevalideerd of de gepubliceerde informatie geschikt is voor transformatie. Daarnaast wordt tijdens de transformatie de bron gevalideerd op inconsistenties.
  • TransformatieDe aangeleverde data wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

tabel species

VeldTypeEenheidOmschrijving
species_idint4.PRIKEYUnieke identificatie van de soort
species_typechar(4)Type soort (habitatsoort. broedvogel. niet-broedvogel)
nametext.PRIKEYCode van de soort
descriptiontextn.v.t.Omschrijving van de soort

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
362-2556
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Soorten - doelstellingen

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Economische Zaken
GLP
in voorbereiding
GTP
ontwerp
Periodiciteit
adhoc
Laatste update
24-07-2015

Beschrijving gegevensset

De gegevensset doelstelling soorten bevat de doelstellingen ten aanzien van soorten zoals is opgenomen in het aanwijzingsbesluit van het betreffende gebied. Het gaat om de doelstellingen ten aanzien van de kwaliteit en omvang van het leefgebied maar ook om de doelstelling t.a.v. de populatie.

Verantwoording gegevensset

De gegevensset doelstelling soorten betreft een gegevensset die is gebaseerd op de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
Aangewezen habitatsoortenMinisterie van Economische Zaken
Aangewezen broedvogelsMinisterie van Economische Zaken
Aangewezen niet-broedvogelsMinisterie van Economische Zaken

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe bron wordt gepubliceerd door de bronhouder door middel van een webservice.
  • HarmonisatieDe bron is direct bruikbaar en er hoeft geen harmonisatie plaats te vinden.
  • ValidatieEr wordt door een inhoudsdeskundige gevalideerd of de gepubliceerde informatie geschikt is voor transformatie. Daarnaast wordt tijdens de transformatie de bron gevalideerd op inconsistenties.
  • TransformatieDe aangeleverde data wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

species_properties

VeldTypeEenheidOmschrijving
population_goal_descriptiontextOmschrijving van de doelstelling populatie (alleen indien specifieke doelstelling)
population_goalchar(4)Doelstelling populatie
extent_goalchar(4)Doelstelling oppervlakte leefgebied
quality_goalchar(4)Doelstelling kwaliteit leefgebied
assessment_area_idint4n.v.t.Unieke identifiactie van het Natura 2000-gebied Een natuurgebied dat onderdeel uitmaakt van het Europese netwerk van natuurgebieden 'Natura 2000'.
species_idint4.PRIKEYUnieke identificatie van de soort

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
363-2906
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Soorten - relatie leefgebied

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
AERIUS, Alterra
GLP
niet van toepassing
GTP
ontwerp
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
24-07-2015

Beschrijving gegevensset

De gegevensset bevat de (theoretische) relatie tussen de aangewezen soorten en het natuurtype waar deze voorkomt (habitattypen en leefgebieden).

Verantwoording gegevensset

De gegevensset is gebaseerd op de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
20150713 pas aangewezen soortenMinisterie van Economische Zaken, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Provincie Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg13 juli 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe informatie is niet afkomstig uit de gebiedsanalyses maar is theoretisch afgeleid.
  • HarmonisatieDe tabel met de theoretische koppeling tussen soort en leefgebied is geharmoniseerd naar een machine-leesbaar-formaat.
  • ValidatieEr heeft geen inhoudelijk validatie plaatsgevonden.
  • TransformatieDe bron is automatisch getransformeerd naar de database.

Velden databasetabel

species_to_habitats

VeldTypeEenheidOmschrijving
assessment_area_idint4n.v.t.Unieke identificatie van het interessegebied
species_idint4.PRIKEYn.v.t.Unieke identificatie van de soort
habitat_type_idint4n.v.t.Unieke identificatie van het habitattype

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
364-2557
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie

Terreinruwheid en landgebruik

Kenmerken

Thema
Gebiedskenmerken
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
AERIUS
GLP
niet van toepassing
GTP
ontwerp
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
04-05-2015

Beschrijving gegevensset

De terreinruwheid en het landgebruik bepalen de snelheid waarmee stoffen neerslaat (droge depositiesnelheid). De terreinruwheid beïnvloedt de grootte van de wervels in de luchtlaag boven het aardoppervlak. Een hogere ruwheid leidt tot grotere wervels die ervoor zorgen dat stoffen sneller het aardoppervlak bereiken. De biologische en fysische kenmerken van het oppervlak (‘landgebruik’) bepalen hoe makkelijk de stoffen worden opgenomen of geadsorbeerd. De gegevensset ruwheid en landgebruik bevat de gemiddelde ruwheidslengte en dominante en gewogen landgebruik voor alle rekenpunten.

Verantwoording gegevensset

De gegevensset is afgeleid uit de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
LGN7Alterrajuli 2014
Corine Land Cover 2006 raster dataEuropean Environmental Agencydecember 2013
Koppeltabel landgebruik met DEPAC en Z0RIVM13 april 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe benodigde bronnen zijn via het RIVM verstrekt of wel direct gedownload bij de bron.
  • HarmonisatieDe bronnen zij direct bruikbaar en harmonisaties zijn onderdeel van de transformatie.
  • ValidatieEr wordt door een inhoudsdeskundige gevalideerd of de gepubliceerde informatie geschikt is voor transformatie.
  • TransformatiePer rekenpunt (hexagoon) is de terreinruwheid en het landgebruik bepaald voor een cirkelvormig gebied van 6,25 ha rond het rekenpunt. Daarbij is uitgegaan van de volgende variabelen: a. de gemiddelde ruwheidslengte z0 (grootheid waarin de terreinruwheid wordt uitgedrukt), en b. het dominante landgebruik, volgens de DEPAC-classificatie. Deze gegevens zijn afgeleid van het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland versie 7 (LGN7). LGN7 beschrijft het landgebruik op een resolutie van 25x25 meter en maakt daarbij onderscheid tussen 39 klassen van landgebruik. Voor elk van deze klassen is de z0-waarde bekend. DEPAC is een onderdeel van het OPS model en beschrijft voor 9 klassen van landgebruik hoe makkelijk de stikstof wordt opgenomen of geadsorbeerd. Bij de bepaling van het dominante landgebruik gaat AERIUS uit van de klassen van landgebruik in DEPAC. Hiertoe worden de 39 klassen van LGN7 geaggregeerd naar de 9 klassen in DEPAC. Het LGN7 raster is alleen beschikbaar voor het Nederlandse grondgebied, terwijl rekenpunten ook buiten Nederland kunnen liggen. Voor de rekenpunten die buiten Nederland liggen, wordt een raster gebruikt dat is afgeleid uit de CORINE Land Cover (CLC) dataset.

Velden databasetabel

terrain_properties

VeldTypeEenheidOmschrijving
receptor_idintegern.v.t.Unieke identificatie van de receptor
zoom_levelintegern.v.t.Zoom level van het hexagoon
average_roughnessrealn.v.t.Gemiddelde ruwheidslengte
dominant_land_useland_use_classificationn.v.t.Dominante landgebruikstype
land_usesarrayn.v.t.Ruwheidslengte per landgebruikstype

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
354-2560
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data
Versie