AERIUS Monitor 2014

Releasedatum: 01-07-2015

Index

AERIUS Monitor in het kort

[no-lexicon]

Weergave totale stikstofdepositie in Natura2000 gebieden
AERIUS Monitor geeft op hectareniveau inzicht in de stikstofdepositie in Natura2000 gebieden voor de huidige situatie (2014) en de toekomstjaren 2020 en 2030. Voor de toekomstjaren zijn de totale deposities weergegeven voor twee beleidsscenario’s:

  • scenario vaststaand beleid (autonome ontwikkeling)
  • scenario aanvullend rijksbeleid en provinciaal beleid (PAS beleid).

Voor het scenario met PAS beleid geeft Monitor inzicht in de opbouw van de totale stikstofdepositie, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de bijdragen van Nederlandse sectoren, de bijdrage van buitenlandse bronnen en overige bijdragen. Het scenario met aanvullend beleid vormt tevens de basis voor de PAS en de gebiedsanalyses.

Depositieruimte en ontwikkelingsruimte: ruimte voor nieuwe ontwikkelingen
Bij de berekening van de depositiebijdrage van sectoren in toekomstjaren houdt Monitor rekening met een (sectorafhankelijke) economische groei. Zonder deze economische groei, zou de toekomstige depositiebijdrage lager zijn. Het deel van de toekomstige depositiebijdrage dat het gevolg is van de voorziene economische groei binnen alle sectoren, is de totale groeibehoefte. Deze ‘groeibehoefte’ van alle sectoren wordt binnen de PAS beschikbaar gesteld als depositieruimte voor alle nieuwe ontwikkelingen die vanaf het begin van de PAS plaats zullen gaan vinden.

Depositieruimte wordt toegekend op alle relevante hexagonen waar (mogelijk) sprake is van een overbelaste situatie voor stikstofdepositie. De depositieruimte is aangevuld met de helft van het effect van het aanvullende (generieke) rijksbeleid en de helft van het effect van het aanvullende beleid van de provincie Limburg.

Omdat de depositieruimte in zijn geheel onderdeel is van de totale depositie en de totale depositie beschouwd is bij de ecologische beoordelingen (via de gebiedsanalyses), is hiermee ook het uitgeven van alle berekende depositieruimte ecologisch beoordeeld.

Een deel van de berekende depositieruimte wordt gereserveerd voor autonome ontwikkelingen waarop niet gestuurd kan worden (ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit of vergunning nodig is) en voor ontwikkelingen die met de PAS alleen een meldingsplicht hebben omdat ze onder de zogenoemde grenswaarde vallen. Wat overblijft wordt de ontwikkelingsruimte genoemd. Dit is het deel van de depositieruimte dat beschikbaar wordt gesteld als ontwikkelingsruimte die vervolgens via vergunningverlening uitgegeven kan worden. Een deel van deze beschikbare ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd voor zogenoemde ‘prioritaire projecten’. Dit wordt ook wel segment 1 genoemd. Het resterende, vrij uitgeefbare deel van de ontwikkelingsruimte wordt ‘segment 2’ genoemd.

Monitor berekent de omvang van de totale depositieruimte en de omvang van de benodigde reserveringen voor autonome ontwikkelingen, ontwikkelingen die onder de grenswaarde vallen en prioritaire projecten in segment 1. Daarmee berekent Monitor ook direct de omvang van de resterende, vrij beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2.

Ontwikkelingsbehoefte en ontwikkelingsruimte: mogelijke tekorten
Bij de berekening van de totale depositie is voor iedere sector al rekening gehouden met een bepaalde economische groei. Deze groeibehoefte is automatisch opgenomen in de depositieruimte. Voor sommige sectoren of gebieden is deze groeibehoefte berekend op basis van heel specifieke groeiverwachtingen. Dit worden binnen Monitor de ‘verfijnde sectoren’ genoemd. De groeibehoefte van de verfijnde sectoren kan afwijken van de landelijke groeibehoefte die het RIVM voor de betreffende sectoren voorziet. Voor de niet verfijnde sectoren is de groeibehoefte die is opgenomen in de totale depositie en depositieruimte gemaximaliseerd op de landelijke emissiegroei die het RIVM voorziet in het groeiscenario met hoge economische groei. Deze landelijke emissiegroei is ruimtelijk zoveel mogelijk toebedeeld aan regio’s waar voor de betreffende sectoren ook veel groei voorzien wordt.

Bij het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte wordt bij alle sectoren uitgegaan van een specifieke groeibehoefte, op basis van aangeleverde Prioritaire Projecten. Met name bij de niet verfijnde sectoren kan deze specifieke ontwikkelingsbehoefte lokaal hoger zijn dan de groeibehoefte die is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. In beginsel kunnen dergelijke lokale pieken in ontwikkelingsbehoefte opgevangen worden met de extra depositieruimte door beleid (PAS maatregelen rijk en provincies). Het kan echter voorkomen dat de extra depositieruimte door beleid niet voldoende is om een lokale piek in ontwikkelingsbehoefte op te vangen en dan ontstaat er een (voorzien) tekort aan ontwikkelingsruimte.

Monitor laat per sectorniveau zien wat de totale ontwikkelingsbehoefte is. Tevens is in Monitor terug te vinden of en in hoeverre er lokaal een tekort aan ontwikkelingsruimte wordt voorzien.

[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
383-1818
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Beleidsscenario's en effect PAS-beleid

[no-lexicon]

In het kort
Met Monitor is de totale depositiebijdrage in Natura2000 gebieden voor de volgende situaties berekend:

  1. Huidige situatie (2014), op basis van feitelijke emissies
  2. Toekomstige situatie (2020 en 2030), voor drie beleidsscenario’s:
    - basisscenario met vaststaand beleid (autonome ontwikkeling)
    - basisscenario met aanvullend rijksbeleid
    - basisscenario met aanvullend rijksbeleid en provinciaal beleid

De totale depositie volgens het scenario met aanvullend rijksbeleid en provinciaal beleid is het uitgangspunt voor de gebiedsanalyses van de PAS. De deposities in de andere twee toekomstscenario’s zijn alleen berekend om het effect van de landelijke PAS-maatregelen voor de depositiebijdrage van veehouderijen te bepalen. Dit is nodig voor de berekening van de extra depositieruimte (de extra ruimte voor economische ontwikkelingen die vrijkomt ten gevolge van de maatregelen) en voor de vergelijking van de beschikbare ontwikkelingsruimte voor de landbouw met het effect van de generieke maatregelen voor de veehouderij.

Wat is het verschil tussen de beleidsscenario’s?

Basisscenario met vaststaand beleid: autonome ontwikkeling
De autonome ontwikkeling beschrijft de verwachte depositieontwikkeling voor de situatie zonder PAS. Er wordt rekening gehouden met vaststaand en voorgenomen beleid dat RIVM ook hanteert bij opstellen van de GCN/GDN kaarten, maar dan zonder PAS-maatregelen. Voor de economische groei wordt uitgegaan van dezelfde economische groei als in de scenario’s met PAS, met uitzondering van stallen. Voor stallen is als autonome ontwikkeling uitgegaan van een lagere groei. Uitgangspunt is namelijk dat de economische groei bij stallen in een situatie zonder PAS zal stagneren, als gevolg van de huidige Nb-wetgeving.

Basisscenario met aanvullend rijksbeleid
Dit beleidsscenario beschrijft de verwachte depositieontwikkeling voor een situatie met PAS, maar dan nog zonder provinciaal beleid. De depositieontwikkeling in dit scenario wijkt af van de autonome ontwikkeling:

  • In de autonome ontwikkeling is sprake van stagnatie in de economische groei bij stallen. De PAS voorkomt deze stagnatie en zorgt voor hogere groei en daarmee ook hogere stalemissies.
  • Het effect van generiek aanvullend rijksbeleid is meegenomen (generieke PAS-maatregelen veehouderijen). Dit leidt tot een afname van de stal- en mestemissies ten opzichte van de autonome ontwikkeling.

De helft van de netto depositiedaling bij stallen en mest (ten opzichte van de autonome ontwikkeling), wordt met de PAS beschikbaar gesteld als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. In Monitor wordt de omvang van deze extra depositieruimte berekend op basis van het netto verschil in sectorbijdrage bij stallen en mest. Vervolgens wordt de extra depositieruimte meegenomen bij de totale depositie als aparte depositiebijdrage in de achtergronddepositie. Dit betekent dat bij de totale depositie altijd al rekening is gehouden met het volledig invullen van de extra depositieruimte.

Het scenario met alleen Rijksbeleid is alleen berekend omdat dit nodig is om de depositieruimte te kunnen berekenen. De resultaten van dit scenario worden niet getoond in Monitor.

Basisscenario met aanvullend rijksbeleid en provinciaal beleid
Dit beleidsscenario vormt het uitgangspunt voor de gebiedsanalyses van de PAS. In dit scenario is, naast het generiek aanvullend Rijksbeleid, ook uitgegaan van provinciaal landbouwbeleid van de provincies Limburg en Noord-Brabant. Hierdoor dalen de stalemissies sneller dan in het scenario met alleen Rijksbeleid. Dit scenario leidt ook tot meer depositieruimte, omdat de helft van het berekende effect van het beleid in Limburg eveneens beschikbaar wordt gesteld als extra depositieruimte. Bij de uiteindelijke depositie die voor dit scenario wordt gepresenteerd, wordt rekening gehouden met het volledig invullen van alle (extra) depositieruimte.

Wat houdt het PAS-beleid in?
Bij het PAS-beleid wordt onderscheid gemaakt in generieke maatregelen voor veehouderijen en aanvullend provinciaal beleid.

De generieke maatregelen veehouderij (landelijke of generieke Rijksbeleid van de PAS) omvat de volgende sporen:

  • aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen
  • voer- en managementmaatregelen bij stallen
  • mestbeleid.

De helft van het depositie-effect van deze maatregelen komt beschikbaar als depositieruimte.

Het aanvullend provinciaal beleid omvat de extra aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen in Limburg. De extra depositiedaling die dit veroorzaakt komt voor de helft ten goede aan de natuur. De andere helft komt beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen.

Het effect van de aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen en de voer-en managementmaatregelen bij stallen is in Monitor integraal verwerkt in de berekende emissies voor stallen.
Bij mest is het effect van het PAS-beleid eenmalig berekend en deze reductie is in beide PAS-scenario’s en beide toekomstjaren toegepast op de sectorbijdrage in de autonome ontwikkeling.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
388-1824
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen depositie bijtelling

[no-lexicon]Er zijn verschillen tussen de gemeten concentraties en natte deposities van ammoniak  en de concentraties en deposities  die worden berekend met het rekenmodel OPS van het RIVM. Op basis van deze verschillen is een correctie op de depositie bepaald: de zogenoemde ‘bijtelling’. Het RIVM past deze bijtelling toe bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

Monitor past deze bijtelling ook toe bij het bepalen van de totale deposities. Deze bijtelling is gelijk aan de bijtelling die RIVM toepast. Een uitgebreide toelichting op de bijtelling is opgenomen in het RIVM rapport over de GCN/GDN kaarten.[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
408-1846
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositie en groeibehoefte niet-verfijnde sectoren

In het kort
De niet-verfijnde sectoren zijn (delen van) sectoren waarvoor de depositiebijdrage en groeibehoefte is bepaald op basis van de emissiegegevens (NOX en NH3) en de groeiscenario’s die het RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

Op verschillende locaties zijn in AERIUS de emissies van het RIVM ruimtelijk herverdeeld. Bijvoorbeeld het ‘uitplaatsen’ van emissies in N2000 gebieden en het toedelen van scheepvaartemissies aan vaarwegen. Verder zijn de groei-emissies zoals het RIVM die voorziet voor een sector ruimtelijk verdeeld over Nederland op basis van de zogenoemde ‘waterbed-methode’. Dit betekent dat de meeste groei gemodelleerd is daar waar ook de meeste economische ontwikkeling voor die sector wordt voorzien.

[no-lexicon]Hoe is de depositie bij niet verfijnde (delen van) sectoren bepaald?
Om de niet verfijnde depositiebijdrage per sector te berekenen is de volgende werkwijze aangehouden:

  1. Monitor berekent per sector en stof de depositiebijdrage in de huidige situatie (2014) op basis van emissiegegevens die zijn afgeleid van de emissiegegevens die RIVM heeft aangeleverd en ook worden gebruikt voor de GCN/GDN kaarten. Deze emissiegegevens geven waarden voor de emissies NOX en NH3 in het basisjaar (voor de GCN/GDN kaarten 2014 is 2012 het basisjaar van de RIVM bronbestanden). De berekende depositiebijdragen voor het basisjaar zijn vervolgens geschaald naar 2014, uitgaande van het groeiscenario met hoge economische groei (2,5%) en vaststaand en voorgenomen beleid (ABR). De daarbij toegepaste schaalfactoren zijn afgeleid van de schaalfactoren die RIVM hanteert voor de GCN/GDN kaarten.
  2. Vervolgens berekent Monitor voor iedere sector en stof de depositiebijdrage in 2020 en 2030 voor een scenario zonder economische groei (vanaf de start van de PAS in 2015). Daartoe schaalt Monitor de depositiebijdragen in 2014 naar 2020 en 2030, volgens het ‘0% groeiscenario’ (POR). Dit leidt tot een depositiebijdrage in 2020 en 2030 voor een (hypothetisch) scenario zonder groei.
  3. Monitor berekent tenslotte voor iedere sector de voorziene groeibehoefte (in depositie) voor 2020 en 2030 en telt deze groeibehoefte op bij de sectorbijdrage zonder groei. Dit levert de totale toekomstige sectorbijdrage op. Dezelfde groeibehoefte is ook opgenomen in de depositieruimte.

Hoe is de groeibehoefte bij niet verfijnde (delen van) sectoren bepaald?
De niet-verfijnde groeibehoefte binnen Monitor  is als volgt berekend:

  1. Per sector en stof is de groeibehoefte in emissies bepaald, door te kijken naar het verschil in totale emissieontwikkeling tussen enerzijds het groeiscenario met hoge economische groei (ABR) en anderzijds een groeiscenario zonder economische groei (POR). In het scenario zonder economische groei dalen de emissies sneller dan in het scenario met hoge economische groei. Dat verschil is de landelijke groeibehoefte uitgedrukt in emissie.
  2. Per sector is de in stap 1 bepaalde landelijke emissiegroei vervolgens ruimtelijk verdeeld over Nederland. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de groei zo veel mogelijk wordt toebedeeld aan gebieden waar daadwerkelijk groei verwacht wordt voor de betreffende sector, zonder daarbij de totale landelijke emissiegroei te overschrijden. Deze toedeling is de zogenoemde ‘waterbedmethode’. Bij de bepaling in welke gebieden meer of minder groei wordt verwacht is uitgegaan van de zo volledig mogelijke lijst met voorziene toekomstige projecten. In die gebieden waar de voorziene projecten leiden tot pieken in ontwikkelingsbehoefte, wordt daarmee ook een piek berekend in de depositieruimte en totale depositie.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
390-1825
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage buitenland

In het kort
De depositiebijdrage vanuit het buitenland wordt niet door AERIUS berekend, maar overgenomen uit de Grootschalige Depositiekaarten Nederland (GDN) van het RIVM. De GDN kaart geeft depositiewaarden op een resolutie van 1x1 km. AERIUS Monitor rekent per hectare (hexagonen). In AERIUS vindt daarom een verfijning plaats te vinden van de waarden op 1x1 km naar waarden per hexagoon. Voor deze verfijning gebruikt AERIUS een geostatistische inverse distance weighted (IDW) functie.

Hoe wordt de inverse distance weighted (IDW) functie toegepast?
De IDW functie hanteert als uitgangspunt dat waarden in de directe nabijheid van de te interpoleren locatie meer representatief zijn dan waarden op een grotere afstand. De waarde voor het middelpunt van een hexagoon wordt afgeleid van de waarden van de middelpunten van (maximaal) vier dichtstbijzijnde km vakken.

Er is gekozen voor een kwadratisch gewicht, omdat aangenomen wordt dat door het grote schaalverschil de representativiteit ook over korte afstanden snel afneemt.

De toegepaste IDW functie is:

\[
D_{(x)}=\frac{\sum_{i=1}^N{(x)}^{w_i}\bullet{}D_i}{\sum_{i=1}^N{(x)}^{w_i}}
\]

met:
D(x) = geïnterpoleerde depositiebijdrage buitenland op middelpunt van een hexagoon (mol/ha/jaar)
(x) = afstand tussen de middelpunten van het hexagoon en het km2 vak (m) waarbinnen het middelpunt ligt
wi = weegfactor (-). De toegepaste wegfactor is 2 (kwadratisch gewicht)
D= berekende depositiebijdrage op het middelpunt van een km vak (mol/ha/jaar)

Onderstaande afbeelding illustreert de toepassing van de IDW functie. De grote vlakken zijn de km vakken van de GDN kaart van het RIVM. De hexagonen met een oppervlak van 1 hectare zijn wit omlijnd.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
406-1844
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage door ammoniakemissies uit zee

In het kort[no-lexicon]
Ammoniakemissies van onder meer algen in de zee dragen bij aan de stikstofdepositie op N2000 gebieden. AERIUS berekent deze depositiebijdrage voor de huidige en toekomstige situaties op basis van de ammoniakemissies in de RIVM bronbestanden die ook worden gebruikt bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De RIVM bronbestanden met emissies uit zee geven waarden per vak van 2x2 km. Enkele vakken overlappen deels met het vasteland. AERIUS heeft de data uit de RIVM-bronbestanden ruimtelijk herverdeeld om te voorkomen dat de ammoniak emissies van algen en andere ‘bronnen’ in het zeegebied worden toebedeeld aan locaties op het vasteland.

De depositiebijdrage van de emissies uit zee vervangt de zogenoemde duinenbijtelling die in eerdere versies van AERIUS Monitor is verwerkt.

Hoe zijn de emissies ruimtelijk herverdeeld?
De onderstaande figuur illustreert de ruimtelijke verdeling van de emissies uit zee die volgt uit de RIVM bronbestanden (publicatie). Op basis van deze ruimtelijke verdeling komen de emissies deels op land te liggen.

In AERIUS zijn de emissies op land verplaatst naar zee en herverdeeld met behoud van het landelijk totaal aan emissies. Rondom N2000 gebieden zijn de emissies ook ruimtelijk verfijnd. Onderstaande figuur illustreert dit.

[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
407-1845
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Hoofdvaarwegennet (HVWN)

Versie: 
10-01-2015

In het kort
De verfijning van het Hoofdvaarwegennet (HVWN) betreft een verfijning van scheepvaartemissies voor de stof NOX, op basis van projectgegevens van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) voor het HVWN.
Deels betreft het een verfijning van de RIVM binnenvaartemissies buiten het Rijnmondgebied (NOX binnenvaartemissies binnen het Rijnmondgebied zijn verdisconteerd in de verfijning van het Rijnmondgebied) en deels betreft het een verfijning van de landelijke RIVM zeescheepvaartemissies.

Bij de verfijning van de scheepvaartemissies ten behoeve van de IenM projecten wordt in principe uitgegaan van de ‘gewone’ werkwijze van niet-verfijnde sectoren. Dat betekent dat wordt uitgegaan van de RIVM emissie-ontwikkeling, waarbij de groei-emissies ruimtelijk verdeeld worden over Nederland op basis van aangeleverde projectgegevens (in dit geval projecten van IenM). De verfijning zit in het aanvullende uitgangspunt dat indien de emissies van de IenM projecten meer bedragen dan de landelijke groei-emissies van het RIVM voor de betreffende sectoren, toch de volledige ontwikkelingsbehoefte van de IenM projecten wordt opgenomen in de depositieruimte. In dat geval wordt dus afgeweken van de landelijke RIVM emissies. Dat is een afwijking van de werkwijze voor de niet-verfijnde sectoren, waarbij de landelijke RIVM groei als plafond voor de emissiegroei wordt aangehouden.

Hoe wordt de groeibehoefte van de projecten voor HVWN bepaald?
De groeibehoefte voor HVWN projecten van IenM is berekend met het RIVM-rekenmodel OPS op basis van door IenM aangeleverde bronbestanden voor zowel de autonome situatie als de situatie met planontwikkeling. Het verschil is de groeibehoefte voor het HVWN. Deze groeibehoefte is volledig in de depositieruimte opgenomen en komt aan de behoeftekant terug als prioritaire behoefte.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
403-1841
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie
  • 10-01-2015

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Hoofdwatersysteem (HWS): mobiele werktuigen en scheepvaart

Versie: 
10-01-2015

In het kort
De relevante emissiebronnen binnen de sector Hoofdwatersysteem omvatten mobiele werktuigen, die worden ingezet in projecten van Rijkswaterstaat en waterschappen om Nederland beter te beschermen tegen overstromingen. Daarnaast is sprake van vaartuigen die worden ingezet bij het opspuiten van zand (zandsuppleties). Door het Ministerie van IenM zijn bronbestanden aangeleverd met gegevens over de HWS projecten (locatie, emissies, bronkenmerken).

De depositiebijdrage ten gevolge van de HWS projecten is berekend met het RIVM-rekenmodel OPS op basis van de aangeleverde gegevens. De berekende bijdrage is vervolgens volledig als groeibehoefte opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. Aan de behoeftekant komt de bijdrage terug als HWS behoefte voor segment 1 en GWR. De groeibehoefte voor HWS is alleen van toepassing voor 2020.

Hoe gaat Monitor om met de beperkte looptijd van HWS projecten?
De HWS projecten hebben veelal een looptijd van maximaal vijf jaar. Voor een project met een projectduur van maximaal vijf jaar berekent Monitor de gemiddelde jaarlijkse depositiebijdrage in de periode 2014-2020 door de totale depositiebijdrage van dit project in deze periode te delen door 6. De gemiddelde depositiebijdrage in de periode 2014-2020 is de depositiebijdrage die Monitor hanteert als depositiebijdrage in 2020.

Hoe beïnvloedt de groeibehoefte van de HWS projecten de totale depositie?
De HWS projecten hebben alleen effect op het deel ‘groei’ binnen de totale depositie. De berekende bijdrage van de HWS projecten is in mindering gebracht op de totale landelijke RIVM groei die voor de sectoren geldt voor het gebied buiten het Rijnmondgebied, via de ‘waterbedmethode’. Dit leidt tot een resterende landelijke groei die, indien groter dan nul, op de ‘gewone’ niet verfijnde wijze is verdeeld over Nederland (buiten Rijnmondgebied).

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
402-1840
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie
  • 10-01-2015

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte HWN

In het kort
De depositiebijdrage van het verkeer op het hoofdwegennet (HWN) in Monitor volgt uit de resultaten van twee typen berekeningen:

  • Met Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 is de HWN-bijdrage berekend op alle rekenpunten die binnen 5 km van een snelweg liggen. Daarbij is uitgegaan van door het Ministerie van IenM aangeleverde netwerkgegevens en de daaruit volgende emissies. Deze ‘SRM2-bijdrage’ komt dus alleen voor op hexagonen die binnen 5 km van een snelweg liggen
  • Met het rekenmodel OPS van het RIVM is daarnaast voor ieder rekenpunt de cumulatieve bijdrage berekend van alle snelwegen die op grotere afstand dan 3 km liggen, op basis van de RIVM emissies en schalingsfactoren die ook worden gebruikt voor de GCN/GDN kaarten.

De berekening van de depositiebijdrage met SRM2 op basis van aangeleverde netwerkgegevens, als vervanging van de RIVM bijdrage binnen 3 km, wordt in AERIUS de ‘verfijning van het hoofdwegennet’ genoemd.

Door de toegepaste verfijning en de werkwijze in Monitor, is in de berekende sectorbijdrage automatisch rekening gehouden met de totale voorziene ontwikkelingsbehoefte voor het HWN. De ontwikkelingsbehoefte van het HWN wordt in zijn geheel (zowel het verfijnde als niet verfijnde deel) als prioritaire behoefte beschouwd (segment 1), met uitzondering van de bijdrage van de verdere uitrol van 130 km/uur. De bijdrage van ‘uitbreiding 130 km/uur’ is opgenomen als autonome groei in het segment ‘NTVP’ (autonome ontwikkeling waarvoor geen toestemmingsbesluit nodig is).

Hoe zijn de niet-verfijnde bijdrage en groeibehoefte buiten 3 km bepaald?
Om te komen tot de niet-verfijnde depositiebijdrage van het hoofdwegennet buiten 3 km, zijn in AERIUS twee berekeningen uitgevoerd met OPS, op basis van aangeleverde RIVM emissies voor het basisjaar voor de GCN/GDN kaarten:

  • Berekening depositiebijdrage op basis van de emissies van alle HWN wegen in Nederland
  • Berekening depositiebijdrage op basis van alleen de emissies van HWN wegen binnen 3 km van het rekenpunt. Hierbij is aangesloten bij de werkwijze die het RIVM hanteert bij het bepalen van de zogenoemde dubbeltellingcorrectie zoals bedoeld in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en toegelicht in factsheet Bepalen dubbeltellingcorrectie HWN.

Het verschil in berekende depositie is de depositiebijdrage van alle snelwegen buiten 3 km, op basis van de RIVM emissies. Dit is de ‘niet verfijnde bijdrage van het HWN’. De niet-verfijnde bijdrage geldt voor het basisjaar waarvoor de RIVM emissies gelden (basisjaar voor GCN/GDN kaarten). Om te komen tot een bijdrage in de huidige situatie (2014) en de toekomst (2020 en 2030) zijn nog enkele bewerkingen uitgevoerd.

Depositiebijdrage huidige situatie (2014)
Om te komen tot een depositiebijdrage in 2014 is de berekende bijdrage in het basisjaar buiten 3 km geschaald op basis van de schaalfactoren ABR van het RIVM. Deze geschaalde bijdrage is de niet-verfijnde bijdrage buiten 3 km van het hoofdwegennet voor de huidige situatie in Monitor.

Depositiebijdrage en groeibehoefte toekomstige situatie
Uitgangspunt voor de niet-verfijnde bijdrage HWN buiten 3 km in de toekomstjaren (2020 en 2030) is, net als bij 2014, het scenario met hoge economische groei en vaststaand en voorgenomen beleid (ABR). De toekomstige niet-verfijnde bijdrage HWN buiten 3 km kan daarom in één stap bepaald worden, door de berekende depositiebijdrage in het basisjaar buiten 3 km te schalen naar de toekomst volgens het gekozen scenario. Dit is ook de werkwijze die RIVM toepast bij de GCN/GDN kaarten.

Als voor de toekomstjaren direct geschaald wordt volgens het ABR scenario is echter niet te zien welk deel van de berekende depositie veroorzaakt wordt door de economische groei. Dit inzicht is voor Monitor wel nodig, om inzichtelijk te maken wat nu de groeibehoefte is waarmee in de totale depositie van de toekomst al rekening mee is gehouden. Deze groeibehoefte wordt namelijk als depositieruimte beschikbaar gesteld.

In Monitor is dit opgelost door de schaling volgens het ABR scenario in twee stappen op te delen (algemene werkwijze voor de niet verfijnde sectoren):

  1. Eerst is de berekende niet-verfijnde depositiebijdrage buiten 3 km doorgeschaald van 2014 naar 2020 en 2030 volgens de het scenario PasOnderRaming (POR), het scenario met 0% economische groei. Dit levert de niet-verfijnde bijdrage in de toekomst op (buiten 3 km) als er geen groei meer zou zijn vanaf het begin van de PAS. In dit scenario neemt de depositiebijdrage af, omdat er geen groei is maar de huidige voertuigen wel steeds schoner worden in de tijd
  2. Vervolgens is de berekende niet-verfijnde depositiebijdrage in het basisjaar (buiten 3 km) nog een keer geschaald, maar dan met schaalfactoren voor alleen de groei. Dit levert de depositiebijdrage van alleen de voorziene groeibehoefte op. Deze bijdrage is opgeteld bij de depositiebijdrage behorende bij 0% economische groei zoals berekend onder 1. Dit levert altijd de totale depositie op die ook zou zijn berekend als direct was geschaald met de schaalfactoren van het ABR scenario. De groeibehoefte is bepaald voor zowel de periode 2014-2020 (groeibehoefte voor rekenjaar 2020) als de periode 2014-2030 (groeibehoefte voor rekenjaar 2030). De schaalfactoren voor alleen groei zijn bepaald door te kijken naar het verschil in emissieontwikkeling vanaf het begin van de PAS bij enerzijds het ABR scenario en anderzijds het POR scenario.

De groeibehoefte zoals berekend onder 2 is onderdeel van de totale voorziene ontwikkelingsbehoefte voor het hoofdwegennet en als zodanig ook opgenomen in de depositieruimte. Omdat het per definitie gaat om een bijdrage buiten 3 km, is de totale niet-verfijnde behoefte HWN opgenomen in de GWR.

Hoe zijn de verfijnde depositiebijdrage en groeibehoefte bepaald?
De verfijnde depositiebijdragen zijn berekend met Standaardrekenmethode 2 (SRM2). De berekeningen zijn uitgevoerd tot een afstand van 5 km van de buitenste begrenzing van de weg.

Depositiebijdrage huidige situatie (2014)
Voor de huidige situatie zijn de verkeersgegevens in het aangeleverde referentienetwerk2012 vermenigvuldigd met de emissiefactoren voor 2012. De resultaten zijn zonder verdere correcties gehanteerd als invoer voor de berekening van de ‘huidige SRM2-depositiebijdrage’.

Depositiebijdrage en groeibehoefte toekomstige situatie
De verfijnde SRM2-bijdrage in de toekomstjaren is evenals de RIVM-bijdrage buiten 3 km opgedeeld in een bijdrage bij 0% economische groei en een bijdrage voor de groeibehoefte:

  1. De bijdrage in 2020 en 2030 in het scenario zonder economische groei (‘0% groei scenario’) is bepaald op basis van verkeersemissies die volgen uit de vermenigvuldiging van de verkeersgegevens in het ‘referentienetwerk2012’ van IenM en de emissiefactoren voor 2020 en 2030. Op deze wijze is inzichtelijk gemaakt wat de bijdrage in de toekomst wordt als er vanaf het begin van de PAS geen enkele voertuigkilometer bij zou komen (geen economische groei), maar wel rekening wordt gehouden met de verschoning van het wagenpark in de tijd.
  2. Vervolgens is berekend wat de maximale groeibehoefte is zoals die ook in de depositieruimte opgenomen moet worden om alle (MIRT) projecten en (autonome) verkeersontwikkelingen vanaf het begin van de PAS mogelijk te maken. Deze maximale groeibehoefte is opgeteld bij de depositie in het 0% scenario zoals berekend onder 1 en dat levert de totale toekomstige SRM2-bijdrage op, inclusief groei.

De maximale SRM2-groeibehoefte zoals bedoeld onder punt 2 is als volgt bepaald:

  • De voorziene groeibehoefte in de periode 2014-2020 is bepaald door de depositiebijdrage die is bepaald op basis van het ‘PAS-netwerk voor 2020’ van IenM (inclusief MIRT en uitbreiding 130 km/uur) en emissiefactoren van 2016 te verminderen met de depositiebijdrage op basis van het referentienetwerk2012 en emissiefactoren van 2016. Op die manier ontstaat inzicht in de voorziene depositiebijdrage van de extra voertuigen die tussen 2014 en 2020 gaan rijden, als ze allemaal (blijven) rijden met emissies van 2016.
  • De voorziene groeibehoefte in de periode 2020-2030 is bepaald door de depositiebijdrage op basis van het PAS-netwerk voor 2030 van IenM (inclusief MIRT en uitbreiding 130 km/uur) en emissiefactoren 2020 te verminderen met de depositiebijdrage op basis van het PAS-netwerk 2020 (inclusief MIRT en uitbreiding 130 km/uur) en emissiefactoren voor 2020. Op die manier ontstaat inzicht in de voorziene depositiebijdrage van de extra voertuigen die tussen 2020 en 2030 gaan rijden, als ze allemaal (blijven) rijden met emissies van 2020

De som van de berekende SRM2-groeibehoefte voor de periode 2014-2020 en voor de periode 2020-2030, is de totale voorziene groeibehoefte voor de hele PAS-periode (2014-2030). Deze totale groeibehoefte voor de gehele periode 2014-2030 is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie in zowel 2020 als 2030.

Bijdrage uitbreiding 130 km/uur en segmentverdeling
Zoals toegelicht is de groeibehoefte van het HWN volledig prioritaire behoefte, met uitzondering van de bijdrage van de uitbreiding van 130 km/uur. Bij het bepalen van de ontwikkeling van de stikstofdepositie door het wegverkeer op het hoofdwegennet is een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur als uitgangspunt gehanteerd. Dit is gebaseerd op het beleidsuitgangspunt dat waar mogelijk de maximumsnelheid op autosnelwegen naar 130 kilometer per uur wordt gebracht (zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 646, nr. 1). De bijdrage aan de stikstofdepositie van een eventuele snelheidsverhoging naar 130 km/uur is opgenomen als autonome groeibehoefte in NTVP.
Om te bepalen welk deel van de totale SRM2-groeibehoefte in de periode 2014-2020 en 2020-2030 veroorzaakt wordt door de uitbreiding van 130 km/uur, is ook berekend wat de groeibehoefte zou zijn zonder die uitbreiding. Het verschil tussen deze berekeningen bepaalt welk deel van de totale groeibehoefte veroorzaakt wordt door de uitbreiding van 130 km/uur. Dit deel van de SRM2-groeibehoefte is in Monitor volledig opgenomen in het segment ´NTVP´. Voor de resterende srm2-groeibehoefte geldt dat de behoefte op hexagonen tot 3 km van een snelweg is opgenomen in segment 1 (S1). De behoefte op de hexagonen die tussen de 3-5 km van een snelweg liggen is opgenomen in het segment GrensWaardeReservering (GWR).

Aanvullende groeibehoefte om rekening te houden met tijdelijke netwerkeffecten
Aanvullend op bovenstaande zijn -alleen in 2020 - de depositieruimte en totale depositie verder opgehoogd met een marge voor tijdelijke netwerkeffecten: ontwikkelingsbehoefte om tijdelijke toenames in verkeersintensiteiten op te vangen. De marge is berekend door de intensiteiten in het PAS-netwerk voor 2020 (inclusief MIRT en uitbreiding 130 km/uur) op te hogen en vervolgens het opgehoogde netwerk door te rekenen met emissiefactoren 2016. Deze depositiebijdrage is vervolgens verminderd met de bijdrage van het PAS-netwerk 2020 (inclusief MIRT en uitbreiding 130 km/uur) dat eveneens is doorgerekend met emissiefactoren voor 2016. De aanvullende groeibehoefte voor tijdelijke netwerkeffecten is opgenomen in S1 (hexagonen tot 3 km van de weg) en GWR (hexagonen op 3-5 km van de weg).

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
397-1835
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Luchthavens

In het kort
Monitor berekent de verfijnde bijdrage en groeibehoefte van Nederlandse luchthavens voor de huidige situatie (2014) en toekomstige situaties (2020 en 2030). Bij luchthavens wordt onderscheid worden gemaakt tussen de volgende emissiebronnen:

  • vliegverkeer van en naar de luchthaven
  • bronnen op het luchthaventerrein, zoals hulpmotoren van vliegtuigen (Auxiliary Power Units, APU), platformverkeer en brandstofoverslag.

Bij de berekening van de depositiebijdrage en de groeibehoefte is onderscheid gemaakt tussen:

  • vliegverkeer op luchthavens waarvoor het Ministerie van IenM emissiegegevens heeft aangeleverd.
  • vliegverkeer op overige luchthavens en bronnen op luchthaventerreinen
  • projecten van het Ministerie van Defensie.

Hoe is de depositiebijdrage en groeibehoefte voor luchthavens berekend?
Voor een aantal luchthavens is bij de berekening van de depositiebijdrage van het vliegverkeer voor de huidige en toekomstige situaties uitgegaan van emissiegegevens NOX die zijn aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Deze emissiegegevens hebben betrekking op omvang en de locatie (inclusief hoogte) van de emissies van vliegtuigen bij het landen en opstijgen.

De depositiebijdrage NOX is berekend met het rekenmodel OPS van het RIVM. Voor de overige bronkenmerken die als invoer dienen voor OPS berekeningen (zoals warmteoutput) is uitgegaan van de bronkenmerken voor deze sector die RIVM toepast bij de berekeningen voor de GCN/GDN kaarten.

Het verschil in depositie tussen de toekomstige situaties en de huidige situatie is de groeibehoefte voor de desbetreffende luchthaven (voor vliegemissies). Aan de behoeftekant wordt deze verfijnde groeibehoefte beschouwd als prioritaire behoefte. De volledige verfijnde groeibehoefte is tevens opgenomen in de depositieruimte.

De depositiebijdrage van vliegverkeer op overige luchthavens en van bronnen op luchthaventerreinen zijn bepaald conform de methodiek voor niet-verfijnde sectoren. De groeibehoefte die hieruit volgt, wordt beschouwd als autonome ontwikkeling waar geen toestemmingsbesluit of vergunning voor nodig is (segment NTVP).

Aanvullend op het bovenstaande heeft het Ministerie van Defensie emissies en bronkenmerken aangeleverd voor een aantal projecten met betrekking tot militaire luchtvaart. Deze projecten worden beschouwd als ‘prioritaire projecten’. Voor deze defensieprojecten is met OPS de depositiebijdrage en groeibehoefte berekend voor 2020 en 2030. De volledige ontwikkelingsbehoefte van deze projecten is opgenomen in de depositieruimte en de totale depositie; de projecten van defensie zijn beschouwd als aanvulling op de RIVM groei-emissies voor luchtvaart.

Voor welke luchthavens zijn verfijnde berekeningen uitgevoerd?
Voor de volgende luchthavens zijn verfijnde emissiegegevens NOX aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu:

  • Groningen Airport Eelde
  • Eindhoven Airport
  • Lelystad Airport
  • Maastricht Aachen Airport
  • Rotterdam The Hague Airport
  • Enschede Airport Twente
  • Luchthaven Schiphol.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
405-1843
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte mest

In het kort
Bij de aanwending van mest komt ammoniak vrij. Bij de berekening van de depositiebijdrage van deze ammoniakemissie in 2014 hanteert Monitor dezelfde aanpak als bij de niet-verfijnde sectoren. Dat betekent dat is uitgegaan van de emissies en schaalfactoren die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.
Voor de autonome ontwikkeling in 2020 en 2030 gaat Monitor uit van een depositiebijdrage van mest die gelijk is aan de depositiebijdrage in 2014. Daarnaast is aangenomen is dat er geen groeibehoefte is voor mest (de mate van economische ontwikkeling heeft geen effect op de omvang van de mestemissies). Voor de scenario’s met PAS is aangenomen dat zowel in 2020 als 2030 de emissie per jaar 2 kiloton lager is dan in de autonome ontwikkeling. Deze 2 kiloton is het effect van het PAS-beleid.

Hoe is het effect van het PAS-beleid op de depositiebijdrage mest bepaald?
Uitgangspunt is dat het mestbeleid van de PAS zorgt voor een emissiereductie van 2 kton:

  • 1,5 kiloton emissiereductie per jaar vanaf 2017 door verbod op gebruik van de sleepvoet bij het uitrijden van mest op klei- en veengrond, en
  • 0,5 kiloton emissiereductie per jaar vanaf 2015 door direct onderwerken van dierlijke mest (mest in de grond brengen) op bouwland.

De ruimtelijke verdeling van dit effect op de emissies is als volgt berekend:

  • Uitgangspunten vormen de emissies door mestaanwending per km-vak  voor het basisjaar in de RIVM bronbestanden die ook worden gebruikt bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.
  • De emissie door mestaanwending per km-vak is naar rato verdeeld over de oppervlakken grasland (klei/veen) en bouwland binnen dat km-vak. Hierbij wordt gebruik gemaakt van gegevens van Alterra die zijn gebaseerd op LGN6.
  • Vervolgens is voor de totale landelijke emissie op grasland (klei/veen) en bouwland bepaald wat de procentuele emissiereductie moet zijn respectievelijk 1,5 en 0,5 kiloton emissiereductie te behalen.
  • Deze procentuele emissiereductie is omgezet in een aangepaste emissie per km-vak, waarbij de afname per km-vak dus afhangt van het oppervlak grasland (klei/veen) en bouwland binnen dat km-vak. Voor heel Nederland is de totale afname precies 2 kiloton.

Vervolgens is de depositiebijdrage van mestaanwending berekend voor de situatie met aangepaste emissies, en voor de situatie zonder aangepaste emissies (autonome ontwikkeling). Het verschil tussen beide situaties geeft inzicht in het absolute (ruimtelijke) effect van de 2 kiloton emissiereductie op de stikstofdepositie. Dit absolute reductie-effect in stikstofdepositie is in alle toekomstjaren en alle beleidsscenario’s met PAS toegepast.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
393-1831
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte OWN

In het kort
Voor het Onderliggend wegennet (OWN) is de depositiebijdrage en de groeibehoefte die is opgenomen in de depositieruimte opgebouwd uit twee delen:
- niet-verfijnde bijdrage op basis van RIVM emissies en emissieontwikkeling
- aanvullend berekende bijdrage van nieuwe NSL-wegen.

Hoe is de niet-verfijnde depositiebijdrage en groeibehoefte bepaald?
Bij de berekening van de niet-verfijnde depositiebijdrage in 2014 en de toekomstjaren en de groeibehoefte van het onderliggende wegennet is dezelfde aanpak gehanteerd als bij de niet-verfijnde sectoren. Dat betekent dat is uitgegaan van de emissies en schaalfactoren die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

Hoe is de aanvullende depositiebijdrage en groeibehoefte van nieuwe NSL wegen bepaald?
Voor de toekomstjaren (2020 en 2030) is de niet-verfijnde depositiebijdrage opgehoogd met de depositiebijdrage van alle nieuwe toekomstige wegtracés zoals opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Deze wegtracés zijn geselecteerd op basis van de NSL Monitoringstool 2014. In de Monitoringstool is gekeken welke SRM2-wegtracés van het OWN in 2020 nieuw zijn ten opzichte van het netwerk in 2012. Deze wegtracés zijn beschouwd als de ‘nieuwe NSL wegen’.

De depositiebijdragen van deze nieuwe wegtracés in 2020 en 2030 zijn bepaald door de concentratiebijdragen NOX en NH3 te berekenen met Standaardrekenmethode 2, en deze om te rekenen naar deposities op basis van depositiesnelheden die zijn vastgesteld met het rekenmodel OPS van het RIVM. Er is gerekend tot 5 km van de weg.

De depositiebijdrage van de nieuwe NSL wegen is, aanvullend op de berekende RIVM bijdragen, opgenomen in zowel de depositieruimte als de totale depositie, en komt ook terug als ontwikkelingsbehoefte voor het OWN (segment 1).

Aanvullend is in segment 1 ook de behoefte van de prioritaire wegprojecten van de provincies (anders dan nieuwe NSL wegen) opgenomen. Deze extra ontwikkelingsbehoefte is niet opgenomen in de depositieruimte en daarom geen onderdeel van de verfijning van het OWN in Monitor.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
399-1837
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Railverkeer

In het kort
Monitor berekent de NOX depositiebijdrage en groeibehoefte van railverkeer in de huidige (2014) en toekomstige situaties (2020 en 2030) conform de methodiek die wordt toegepast bij niet-verfijnde sectoren.

De groeibehoefte in 2020 en 2030 (uitgedrukt in depositie) is vervolgens structureel opgehoogd. Deze ophoging betreft een extra reservering voor rail-infraprojecten, en is verwerkt in zowel de totale depositie als de depositieruimte. Vanwege deze ophoging wordt de sector ‘railverkeer’ beschouwd als een verfijnde sector.

Uitgangspunt voor de ophoging van de groeibehoefte is de aanname dat de extra reservering voor rail-infraprojecten een omvang dient te hebben van 5 mol/ha/jaar direct langs het spoor, afnemend met de afstand tot het spoor uitgaande van een verspreidingsprofiel dat representatief is voor railverkeer. Monitor is hierbij uitgegaan van een zogenoemde bron-rekenpunt-matrix (source-receptor matrix, SR-Matrix).

De ontwikkelingsbehoefte van rail-infraprojecten (som van de niet-verfijnde groei en de ophoging) is gelijk aan de totale groeibehoefte. Omdat het prioritaire projecten betreft, is er voor deze projecten ontwikkelingruimte gereserveerd in segment 1.

Wat is een source-receptor-matrix (SRMatrix)?
De extra reservering voor rail-infraprojecten (in mol/hectare/jaar) is berekend met een source-receptor-matrix (SRMatrix). Deze SRMatrix betreft een formule waarmee voor elke locatie (hexagoon) de reservering kan worden berekend.

\[
D_i=F(x_iz_{0i}M_i)\bullet{}D_0
\]

met
Di = depositiereservering op rekenpunt i
D0  = depositiereservering op minimale afstand tot het spoor (5 mol/hectare/jaar)
F = correctiefactor voor verspreiding, afhankelijk van xi, z0i en Mi
xi = kortste afstand van locatie rekenpunt i tot spoorweg (m)
z0i = ruwheidslengte locatie rekenpunt i (m)
Mi = meteorologische regio van locatie rekenpunt i (-)

Als minimale afstand tot het spoor gaat Monitor uit van 10 meter. Op deze minimale afstand wordt uitgegaan van een maximale reservering (5 mol/hectare/jaar).

Met de afstand tot het spoor neemt de reservering af.  De correctiefactor F bepaalt de mate van afname (F is kleiner dan 1).  De waarde voor F is afhankelijk van:

  • de afstand van het rekenpunt tot het spoor
  • de oriëntatie van het rekenpunt ten opzichte van het spoor
  • meteorologische condities
  • de lokale terreinruwheid.

De correctiefactor F is afgeleid van berekeningen met OPS versie 4.4.3 voor een worst case situatie. De uitgangspunten voor deze afleiding zijn beschreven in een aparte notitie (in voorbereiding). 

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
404-1842
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Rijnmondgebied

Versie: 
10-01-2015

In het kort
Voor het Rijnmondgebied geldt dat voor de sectoren Energie, Industrie en Afvalverwijdering (ENINA), binnenvaart en zeescheepvaart voor NOX is gerekend met verfijnde emissiegegevens:

  • Voor ENINA (inclusief mobiele werktuigen) en binnenvaart zijn zowel de emissies in de huidige (2014) als de toekomstige situatie (2020 en 2030) verfijnd. Dat betekent dat bij het bepalen van de sectorbijdrage voor Rijnmond voor NOX in zowel de huidige als toekomstige situaties volledig is uitgegaan van aangeleverde verfijnde emissies. Het verschil tussen de huidige situatie en de toekomst is de verfijnde groeibehoefte voor het Rijnmondgebied voor deze sectoren. Dit is de groeibehoefte die volledig is opgenomen in de depositieruimte.
  • Voor zeescheepvaart is bij het bepalen van de sectorbijdrage voor Rijnmond in eerste instantie uitgegaan van de emissieontwikkeling die het RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. Echter, voor de toekomst (2020 en 2030) is voor NOX de sectorbijdrage op basis van RIVM emissies aangevuld met de groeibehoefte die apart voor het Rijnmondgebied is berekend op basis van aangeleverde verfijnde gegevens voor zowel de huidige als toekomstige situatie. Dat leidt ertoe dat de groeibehoefte voor het gebied zoals die uit de aangeleverde verfijnde gegevens volgt, volledig is opgenomen in de depositieruimte.

De verfijning van het Rijnmondgebied voor de genoemde sectoren geldt alleen voor NOX.

  • De depositiebijdrage als gevolg van NH3 emissies van de genoemde sectoren en van alle overige sectoren binnen het Rijnmondgebied worden doorgerekend conform de rekenmethode voor niet-verfijnde sectoren.
  • Voor bronnen in de sector ENINA die buiten het Rijnmondgebied liggen is de depositiebijdrage als gevolg van NOX emissies doorgerekend conform de rekenmethode voor niet-verfijnde sectoren.
  • Voor de scheepvaart (binnenvaart en zeescheepvaart) en mobiele werktuigen (die worden ingezet bij beheer en onderhoud van hoofdwatersystemen) is voor NOX ook  buiten het Rijnmondgebied een verfijning doorgevoerd. Deze verfijningen zijn gekoppeld aan projecten van IenM en staan los van de verfijningen in het Rijnmondgebied.

Hoe berekent Monitor de depositiebijdrage en groeibehoefte van ENINA en binnenvaart voor het Rijnmondgebied?
Monitor gaat voor de huidige situatie (2014) uit van NOX emissies voor 2012 die de provincie Zuid-Holland heeft aangeleverd. De aangeleverde emissies zijn geschaald naar 2014, uitgaande van 1% groei emissiegroei per jaar (beleidsuitgangspunt).

Dit levert emissies voor de huidige situatie op die de RIVM emissies in het gebied voor de huidige situatie vervangen. Op basis van de geschaalde emissies is voor ENINA en binnenvaart in het Rijnmondgebied de NOX depositiebijdrage in 2014 bepaald.

Voor de toekomstige situaties (2020 en 2030) gaat Monitor uit van de NOX emissies voor 2024 die de provincie Zuid-Holland heeft aangeleverd.

Op basis van de emissies voor 2024 is voor ENINA en binnenvaart in het Rijnmondgebied de NOX depositiebijdrage van deze sectoren in 2020 bepaald.

Voor berekening van de depositiebijdrage in 2030 is uitgegaan van geschaalde emissiefactoren: de aangeleverde emissies voor 2024 zijn geschaald naar 2030, uitgaande van 1% groei per jaar (beleidsuitgangspunt). Op basis van de geschaalde emissies voor 2030 is voor ENINA en binnenvaart in het Rijnmondgebied de NOX depositiebijdrage van deze sectoren in 2030 bepaald.

De groeibehoefte voor deze sectoren in het Rijnmondgebied in 2020 en 2030 volgt uit de vergelijking van de sectorbijdrage in 2020 en 2030 met de sectorbijdrage in 2014.

Deze groeibehoefte van ENINA en binnenvaart is volledig opgenomen in de depositieruimte en komt aan de kant van de ontwikkelingsbehoefte terug als prioritaire ontwikkelingsbehoefte.

Bij de ruimtelijke verdeling van de binnenvaartemissies in het Rijnmondgebied is dezelfde methode toegepast als bij de ruimtelijke verdeling van binnenvaartemissies buiten het Rijnmondgebied.

Hoe berekent Monitor de depositiebijdrage en groeibehoefte van zeescheepvaart?
Monitor berekent de NOX depositiebijdrage van zeescheepvaart in het Rijnmondgebied in de huidige en toekomstige situaties conform de rekenmethode voor niet-verfijnde sectoren.

Voor de toekomstjaren wordt deze depositiebijdrage opgehoogd met de groeibehoefte van deze sector in het Rijnmondgebied. Daarbij worden de volgende stappen genomen:

  • Monitor berekent de depositiebijdrage zeescheepvaart in het Rijnmondgebied in 2014, 2020 en 2030 op dezelfde wijze als bij ENINA en binnenvaart. Daarbij is uitgegaan van emissiegegevens voor zeeschepen in 2012 en 2024 die de provincie Zuid-Holland heeft aangeleverd.
  • De berekende depositiebijdragen zijn gebruikt om de groeibehoefte van de sector zeescheepvaart in 2020 en 2030 te bepalen. De groeibehoefte is het verschil tussen de depositiebijdrage in de toekomstjaren met de depositiebijdrage in de huidige situatie.

De groeibehoefte van zeescheepvaart is volledig opgenomen in de depositieruimte en komt aan de kant van de ontwikkelingsbehoefte terug als prioritaire ontwikkelingsbehoefte.

Bij de ruimtelijke verdeling van de zeescheepvaartemissies in het Rijnmondgebied is dezelfde methode toegepast als bij de ruimtelijke verdeling van zeescheepvaartemissies buiten het Rijnmondgebied.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
401-1839
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie
  • 10-01-2015

Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte stallen

In het kort
AERIUS Monitor berekent de depositiebijdrage van stallen op Natura 2000 gebieden voor de huidige en toekomstige situatie (voor verschillende scenario’s). Daarbij gaat Monitor uit van de emissies van stallen die zijn berekend in de AERIUS database.
Op basis van de berekende depositiebijdrage bepaalt Monitor de groeibehoefte. Deze groeibehoefte is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie.

Hoe is de depositiebijdrage van stallen bepaald?
De depositiebijdrage van stallen is berekend voor de huidige situatie en de toekomstjaren 2020 en 2030. Voor de toekomstjaren onderscheidt Monitor drie scenario’s:

  • autonome ontwikkeling (vaststaand en voorgenomen beleid zonder PAS)
  • generiek Rijksbeleid PAS
  • generiek Rijksbeleid PAS plus provinciaal beleid in Limburg en Noord-Brabant.

De verspreidings- en depositieberekeningen voor deze jaren en scenario’s zijn uitgevoerd met het OPS model. Voor de emissies is uitgegaan van de emissies voor stallen zoals berekend in de AERIUS database (Bepalen emissies stallen). Voor de overige bronkenmerken die relevant zijn voor een OPS berekening (uitstoothoogte, spreiding, diameter, warmte-output en etmaalvariatie) is uitgegaan van de bronkenmerken die RIVM voor deze broncategorie toepast in de OPS berekeningen ten behoeve van de GCN/GDN kaarten.

Op de berekende depositiebijdragen voor het scenario zonder PAS (de autonome ontwikkeling) is vervolgens een zogenoemde ‘stagnatiecorrectie’ uitgevoerd. Deze correctie is toegepast om rekening te houden met de beleidsaanname dat zonder PAS de groei bij stallen stagneert door de huidige Nb-vergunningverlening.

Hoe is de groeibehoefte van stallen bepaald?
Voor het scenario met PAS (generiek Rijksbeleid en provinciaal beleid Noord-Brabant en Limburg) zijn voor 2020 en 2030 alternatieve scenario’s doorgerekend waarin voor alle stallen de dieraantallen uit 2014 zijn gebruikt. De depositiebijdrage die hieruit volgt is afgetrokken van de berekende sectorbijdrage in de toekomst met wel (netto) groei in dieraantallen. Het resultaat is de netto groeibehoefte van stallen uitgedrukt in depositie. Met deze groeibehoefte is rekening gehouden in de totale depositie en daarom is deze behoefte ook opgenomen in de depositieruimte.

Aanvullend is berekend welk deel van de totale berekende depositie naar verwachting gaat ‘schuiven’ van eigenaar omdat er bedrijven stoppen en de bedrijfsmiddelen/dierrechten overgenomen worden door andere bedrijven. Deze ‘stoppersdepositie’ heeft geen effect op de totale berekende depositie (de depositie was er immers al), maar is wel relevant voor de berekening van depositieruimte. De bedrijven die de dierrechten van de stoppers overnemen hebben namelijk ontwikkelingsruimte nodig, ook al gaat het om reeds bestaande depositie. Daarom is in Monitor berekend wat naar verwachting de benodigde ontwikkelingsruimte vanwege ‘stoppers’ is. Deze ‘stoppersbehoefte’ is toegevoegd aan de ontwikkelingsbehoefte van de landbouw en daarmee ook aan de depositieruimte.

Opgemerkt wordt dat bovenstaande groeibehoefte de groei is zoals opgenomen in de totale depositie en depositieruimte. De uiteindelijke totale ontwikkelingsbehoefte van stallen zoals Monitor die berekent kan hier (lokaal) van afwijken, door de aanlevering van Prioritaire Projecten voor stallen. Zie ook factsheet Ontwikkelingsbehoefte.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
392-1830
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen depositieruimte

In het kort
Depositieruimte is de ruimte (uitgedrukt in stikstofdepositie) die met de inwerkingtreding van de PAS beschikbaar komt voor alle nieuwe ontwikkelingen die vanaf het begin van de PAS plaats zullen gaan vinden. Bij het berekenen van de toekomstige totale deposities is rekening gehouden met het volledig uitgeven van de depositieruimte. De totale toekomstige depositie inclusief de depositieruimte is ecologisch beoordeeld in de gebiedsanalyses, in combinatie met de herstelmaatregelen die in het kader van de PAS worden genomen.

Monitor berekent voor de beschouwde toekomstjaren (2020 en 2030) per hexagoon en habitattype de totale beschikbare depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Monitor geeft inzicht in de verdeling van de depositieruimte over vier segmenten van nieuwe ontwikkelingen:

  • autonome ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit nodig is (NTVP)
  • projecten met een depositiebijdrage lager dan de grenswaarde van 1 mol/ha/jaar (GWR)
  • Prioritaire Projecten (PP) die boven de grenswaarde uitkomen (segment 1)
  • overige projecten (ontwikkelingen) die boven de grenswaarde uitkomen (segment 2)

De depositieruimte wordt in Monitor alleen getoond en beschouwd op plekken waar sprake is van (mogelijke) overbelasting van stikstofdepositie. Hexagonen waar de totale depositie ook na het realiseren van alle voorziene ontwikkelingsbehoefte nog steeds minstens 70 mol/ha/jaar onder meest kritische KDW blijft, worden niet meegenomen bij de resultaten voor depositieruimte.

Hoe is in Monitor de totale depositieruimte berekend?
De totale depositieruimte wordt uitgedrukt in stikstofdepositie per hexagoon (mol/ ha/jaar) en bestaat uit drie delen:

  1. de groeibehoefte voor alle nieuwe ontwikkelingen in Nederland, waarmee al rekening is gehouden bij het berekenen van de toekomstige totale depositie
  2. de helft van het berekende depositie-effect als gevolg van het aanvullend rijksbeleid
  3. de helft van het berekende depositie-effect als gevolg van het aanvullend provinciaal beleid in Limburg

1. Groeibehoefte per sector zoals ook opgenomen in de totale depositie
Monitor houdt rekening met een (sectorafhankelijke) economische groei. Zonder deze economische groei, zou de toekomstige depositiebijdrage lager zijn. Het deel van de toekomstige depositiebijdrage dat het gevolg is van de voorziene economische groei binnen alle sectoren, is de totale groeibehoefte. 

De groeibehoefte is op sectorniveau bepaald. Voor de meeste sectoren is de groeibehoefte gebaseerd op de emissiegroei in het groeiscenario ‘hoge economische groei inclusief vaststaand en voorgenomen beleid’ dat RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten (de RIVM emissiegroei). De RIVM emissiegroei is in Monitor ruimtelijk verdeeld over Nederland volgens de ‘waterbedmethode’. Deze methode houdt in dat de groei binnen een sector niet gelijkmatig over heel Nederland is verspreid, maar zoveel mogelijk is toebedeeld plaatsen waar ook veel economische ontwikkelingen worden voorzien voor de desbetreffende sector. Aan andere plaatsen is dan minder groei toebedeeld omdat daar ook minder ontwikkelingen worden voorzien.

Voor een aantal sectoren is in Monitor niet van de RIVM-groei in emissies uitgegaan, maar van een ‘verfijnde’ groeibehoefte op basis van (emissie)gegevens die zijn aangeleverd door partijen die verantwoordelijk zijn voor deze gegevens (bronhouders).

2. Extra depositieruimte door aanvullend rijksbeleid
Het generieke Rijksbeleid (de PAS-maatregelen voor de veehouderij) zorgt voor een afname in emissies bij de sectoren ‘mest’ en ‘stalemissies’ ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Daardoor is de depositiebijdrage van deze sectoren in het scenario met aanvullend rijksbeleid lager dan in de autonome ontwikkeling. De helft van dit berekende depositie-effect is beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen. Bij de totale depositie in de beleidsscenario’s met PAS wordt hiermee rekening gehouden.

3. Extra depositieruimte door aanvullend beleid Limburg
Met monitor is het effect van het aanvullend beleid van de provincie Limburg op de depositie in 2020 en 2030 berekend. De helft van dit depositie-effect is opgeteld bij de depositieruimte. In het de totale depositie voor het scenario met aanvullend rijksbeleid en provinciaal beleid is hiermee rekening gehouden. Daarbij is aangenomen dat alle beschikbare depositieruimte volledig wordt opgevuld.

Depositieruimte in AERIUS Register
Op een beperkt aantal hexagonen neemt bij volledige uitgifte van de depositieruimte de depositie in 2020 (en 2030) toe ten opzichte van de huidige situatie. Voor die hexagonen is de depositieruimte in AERIUS Register begrensd zodat de totale berekende depositie in 2020 op het niveau van de huidige situatie blijft. De depositieruimte is begrensd door de hoeveelheid beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2 te verkleinen.
Er zijn daarnaast hexagonen met een depositiestijging ten opzichte van de huidige situatie die wordt veroorzaakt door projecten die al eerder zijn beoordeeld op grond van de Nbwet en waarvoor een ADC-toets (Alternatieven, Dwingende redenen van groot openbaar belang en Compenserende maatregelen) is doorlopen en een Nbw vergunning is verleend. De effecten van de toename van depositie op die hexagonen zijn reeds gecompenseerd. Voor die hexagonen wordt de totale depositieruimte om die reden onder de PAS niet ingeperkt.
Nadere toelichting op depositieruimte in AERIUS Register 2014.

Hoe verdeelt Monitor de depositieruimte in segmenten?
Monitor onderscheidt vier segmenten van nieuwe ontwikkelingen:

  • Autonome ontwikkelingen waarvoor geen toestemmingsbesluit of vergunning nodig is (NTVP).
  • Projecten met een depositiebijdrage die lager is dan de grenswaarde voor een vergunningsbesluit (1 mol/ha/jaar). Na inwerkingtreding van de PAS, geldt voor deze ontwikkelingen alleen nog een meldingsplicht. Het deel van de depositieruimte voor deze projecten is de zogenoemde GrensWaardeReservering (GWR).
  • Prioritaire projecten (PP) die voor het desbetreffende Natura2000 gebied boven de grenswaarde uitkomen. Prioritaire projecten worden aangeduid als ‘segment 1’ projecten. Overige prioritaire projecten met een depositiebijdrage onder de grenswaarde vallen onder de GWR voor dat gebied.
  • Overige projecten die voor het desbetreffende Natura2000 gebied boven de grenswaarde uitkomen. Deze overige projecten worden aangeduid als ‘segment 2’ projecten. Overige projecten met een depositiebijdrage onder de grenswaarde vallen onder de GWR voor dat gebied.

Het verdelen van de depositieruimte in segmenten gebeurt in een aantal stappen:

  1. Eerst wordt depositieruimte gereserveerd voor NVTP en GWR, uitgaande van de ontwikkelingsbehoefte voor NVTP en GWR.
  2. Vervolgens wordt depositieruimte gereserveerd voor Prioritaire Projecten in segment 1, uitgaande van de berekende ontwikkelingsbehoefte voor deze projecten.
  3. De resterende depositieruimte is de beschikbare depositieruimte voor projecten in segment 2.

Lokaal kan het voorkomen dat er niet genoeg ontwikkelingsruimte is om te voorzien in de behoefte van alle projecten, ook niet na een eventuele ophoging van de totale depositie en depositieruimte tot een maximum van 70 mol/ha/jaar onder de KDW. Op deze hexagonen berekent Monitor dan een (voorzien) tekort in ontwikkelingsruimte.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
385-1822
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen dubbeltellingcorrectie HWN

Versie: 
10-01-2015

In het kort
Monitor berekent op hexagonen (rekenpunten) tot 5 km van het hoofdwegennet (HWN) de verfijnde depositiebijdrage van het HWN met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2). Voor hexagonen buiten 3 km van het HWN gaat Monitor uit van een depositiebijdrage van het HWN die berekend is conform de werkwijze voor niet-verfijnde sectoren (factsheet Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte niet-verfijnde sectoren). Hiertoe berekent Monitor per hexagoon zowel de niet-verfijnde depositiebijdrage van alle HWN wegen, als de niet-verfijnde depositiebijdrage van HWN wegen binnen 3 km. Het verschil is de niet-verfijnde depositiebijdrage op rekenpunten buiten 3 km van het HWN.

De niet-verfijnde bijdrage van HWN wegvakken binnen 3 km wordt beschouwd als de zogenoemde dubbeltellingcorrectie HWN. Deze correctie is gewenst om een dubbeltelling met de verfijnde depositiebijdrage, zoals berekend met SRM2, te voorkomen.

Hoe bepaalt Monitor de dubbeltellingcorrectie HWN?
Monitor berekent de dubbeltellingcorrectie voor het HWN met het rekenmodel OPS van het RIVM conform de methode voor de niet-verfijnde sectoren. Uitgangspunt vormen de bestanden met emissies van het verkeer op het HWN die door RIVM worden gebruikt voor de GCN/GDN kaarten. Deze emissies zijn beschikbaar per km-vak.

Per hexagoon selecteert Monitor eerst de kilometervakken binnen 3 km van het km vak waarbinnen het hexagoon ligt. Vervolgens berekent Monitor per hexagoon met OPS de depositiebijdrage op basis van de emissies in de geselecteerde km-vakken.
Onderstaande figuur illustreert dit. De donker gekleurde km-vakken zijn de km-vakken waarbinnen sprake is van emissies van het HWN verkeer. Voor hexagonen binnen het middelste (gele) km-vak zijn de emissies van alle km-vakken in dit figuur relevant voor het bepalen van de niet-verfijnde depositiebijdrage van HWN wegvakken binnen 3 km van het hexagoon.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
398-1836
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie
  • 10-01-2015

Bepalen effecten voermaatregelen

In het kort
Monitor houdt bij de berekening van de toekomstige emissies van stallen rekening met de effecten van voer- en managementmaatregelen. Dit effect wordt in rekening gebracht door middel van een correctiefactor.  De factor wordt alleen toegepast op de emissies van melkkoeien (RAV code A1) en vrouwelijk jongvee (RAV code A3).

Hoe is de correctiefactor voor het effect van voerbeleid bepaald?
Om te komen tot deze correctiefactor zijn de volgende stappen doorlopen:

  • Er is berekend met welke factor de som van de emissies van melkkoeien (A1) en vrouwelijk jongvee (A3) moet worden vermenigvuldigd om een absolute reductie van 3 kton te behalen in 2020 en 2030. Dit gebeurt met de volgende formule:
    \[
    Correctiefactor=\frac{Som\ emissies-3\ kton}{Som\ emissies}
    \]

Voor de emissies wordt hierbij uitgegaan van de emissies in het scenario met generieke Rijksbeleid PAS (maar zonder provinciaal beleid).

  • De correctiefactor wordt toegepast die op alle berekende emissies van melkkoeien (A1) en vrouwelijk jongvee (A3) in de scenario’s met generiek Rijksbeleid PAS zonder provinciaal beleid) en generiek Rijksbeleid PAS met provinciaal beleid.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
396-1834
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen emissies stallen

In het kort
De emissies ammoniak (NH3) uit stallen zijn berekend in de database van AERIUS, op basis van onder meer dieraantallen, emissiefactoren en beleidsregels. De emissies zijn bepaald per jaar en beleidsscenario. Op basis van de in AERIUS berekende emissies is de depositiebijdrage van stallen en de groeibehoefte bepaald. Deze factsheet beschrijft de werkwijze bij het bepalen van de stalemissies.

Hoe zijn in Monitor de emissies van stallen berekend?
De emissieberekening voor stallen doorloopt de volgende stappen:

1. Uitgangspunt is een eigen AERIUS stallenbestand (GIAB2012++), waarin voor alle stallen in Nederland voor 2012 is aangegeven: locatie, stalsysteem en dieraantallen.

2. De basisemissie per stal per dier is direct afhankelijk van het staltype. Monitor maakt gebruik van een herziene concept RAV-lijst met emissiefactoren per staltype die in 2015 van kracht wordt.

3. Voor de varkens- en pluimveebedrijven die op bedrijfsniveau in 2012 nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarden uit in het huidige Besluit huisvesting, zijn de emissies van alle stallen in 2012 op het emissieplafond gezet. Daarmee voldoen de bedrijven rekenkundig aan het Besluit huisvesting. Het gaat hier om veehouderijbedrijven die onder het Actieprogramma Ammoniak Veehouderij (de ‘stoppersregeling’) vallen. Dat betekent dat ze op een andere manier dan via het technische stalsysteem mogen (en zullen) voldoen aan de wettelijke emissie-eisen (op bedrijfsniveau), zoals opgenomen in het Besluit huisvesting.

4. Op basis van de dieraantallen in het basisbestand 2012 zijn de dieraantallen in 2014 en de toekomstjaren bepaald. Daarbij is uitgegaan van een groeiscenario op basis van gegevens van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Dit PBL-scenario gaat uit van een netto groei in dieraantallen per diertype. Voor alle beleidsscenario’s is bij de emissieberekening uitgegaan van een zelfde groei. Het effect van stagnerende groei bij de autonome ontwikkeling is niet op emissieniveau bepaald, maar via een correctie achteraf op de berekende depositie.

5. In de volgende situaties zijn de dieraantallen in 2014 en de toekomstjaren gelijkgesteld aan de dieraantallen in 2012:

  • Bij diercategorieën waar sprake is van gelijkblijvende dieraantallen of van netto krimp tussen 2012 en 2014 en/of tussen 2014 en de toekomstjaren, is in Monitor uitgegaan van gelijkblijvende dieraantallen.
  • Bij bedrijven die in 2012 rekenkundig omlaag zijn gezet in emissie (stap 3) en bij zogenoemde hobbyboeren. Een bedrijf is aangemerkt als hobbyboer wanneer de totale emissie NH3 in 2012, na toepassing van een provincieafhankelijke emissiereductie voor dieren die beweid worden (de zogenoemde ‘weidereductie’), kleiner is dan 100 kg/jaar.

6. De emissie per stal in de huidige situatie (2014) is als volgt bepaald:

  • bij de bedrijven die in 2012 in emissie omlaag zijn gezet (stap 3), is in 2014 uitgegaan van de gereduceerde emissie in 2012
  • bij de overige stallen zijn de dieraantallen in 2014 zoals in stap 5 bepaald, vermenigvuldigd met de emissiefactor van het stalsysteem
  • voor alle melkvee is vervolgens de provincieafhankelijke weidereductie toegepast.

7. Voor de toekomstjaren 2010 en 2030 zijn de emissies bepaald voor drie scenario’s:

  • basisscenario met vaststaand beleid (autonome ontwikkeling, zonder PAS)
  • basisscenario met aanvullend rijksbeleid
  • basisscenario met aanvullend rijksbeleid en provinciaal beleid (Limburg en Brabant).

De emissie per stal in deze toekomstjaren en scenario’s zijn als volgt bepaald:

  • Bij de bedrijven die in 2012 in emissie omlaag zijn gezet (stap 3), is in 2020 en 2030 uitgegaan van de gereduceerde emissie in 2012 (en 2014).
  • Bij de overige stallen zijn de dieraantallen in 2020 en 2030 zoals in stap 5 bepaald, vermenigvuldigd met de emissiefactor van het stalsysteem.
  • Vervolgens is bij alle stallen die op stalniveau nu nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarden (die gelden in het desbetreffende scenario), de emissie per dier in 2020 verlaagd en in 2030 opnieuw. Door het verlagen van de emissie per dier bij alle stallen die nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarde, is het effect gesimuleerd dat een deel van deze stallen in 2020 en 2030 vervangen zal zijn door een schonere stal via natuurlijke vervanging. Alle individuele stallen die in 2020 of 2030 vervangen zijn, zullen immers vanaf dat moment wel (moeten) voldoen aan de emissiegrenswaarden en dat levert een bepaalde emissiereductie op waar mee gerekend mag worden. Omdat vooraf niet bekend is welke stallen vervangen zullen zijn en welke nog niet, is de totale omvang van de verwachte (landelijke) emissiereductie in een bepaald toekomstjaar verdeeld over alle stallen binnen de betreffende diercategorie die nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarden. Bij het bepalen van het te verwachten landelijke effect per diercategorie is uitgegaan van een bepaalde, natuurlijke vervangingsgraad van stallen. Deze vervangingsgraad is voor alle beleidsscenario’s gelijk. Echter, omdat de emissiegrenswaarden waar vanuit wordt gegaan in de scenario’s met PAS strenger zijn dan in de autonome ontwikkeling waarbij alleen het huidige Besluit huisvesting geldt, is de emissiereductie in de scenario’s met PAS wel groter dan in de autonome ontwikkeling.
  • Voor alle melkvee is vervolgens een provincieafhankelijke weidereductie toegepast.
  • Voor de scenario’s met PAS-beleid is tot slot de emissie van melkkoeien en vrouwelijk jongvee zodanig percentueel verlaagd dat zowel in 2020 als in 2030 een extra emissiereductie van 3 kiloton wordt behaald, als voorzien effect van voer- en managementmaatregelen die in het kader van de PAS worden genomen. Dit effect treedt niet op in de autonome ontwikkeling en is daarom alleen relevant in de scenario’s met PAS.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
391-1829
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen ontwikkelingsbehoefte

[no-lexicon]

In het kort
Monitor berekent voor de beschouwde toekomstjaren (2020 en 2030) op hectareniveau de ontwikkelingsbehoefte per sector. Uit de vergelijking van de berekende ontwikkelingsbehoefte met de berekende depositieruimte, blijkt waar sprake is van een (mogelijk) tekort aan of overschot van ontwikkelingsruimte.

Bij het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte maakt Monitor onderscheid tussen:

  • De ontwikkelingsbehoefte van Prioritaire Projecten. Deze behoefte is gesplitst in het deel onder de grenswaarde (segment GrensWaardeReservering of GWR) en het deel boven de grenswaarde (segment 1).
  • De ‘overige’ ontwikkelingsbehoefte van projecten en ontwikkelingen die op dit moment nog niet concreet zijn. Deze behoefte is gesplitst in een deel ‘ontwikkelingen die niet toestemmings- of vergunningsplichtig zijn (segment NTVP), een deel ‘onder de grenswaarde’ (segment GWR) en de overige voorziene groei (segment 2).

Hoe berekent Monitor de ontwikkelingsbehoefte van Prioritaire Projecten?
Monitor berekent de ontwikkelingsbehoefte van de prioritaire projecten in beginsel per project, op basis van aangeleverde projectgegevens. Op basis van deze ontwikkelingsbehoefte is per Natura2000 gebied bepaald of het prioritaire project boven of onder de grenswaarde valt. Indien de depositiebijdrage van een project in het gehele gebied nergens hoger is dan 1 mol/ha/jaar komt, wordt de behoefte van het project in dat N2000 gebied opgenomen als reservering in het segment GrenswaardeReservering (GWR). Indien de bijdrage van het project op tenminste één relevant hexagoon in het gebied hoger is dan 1 mol/ha/jaar, wordt de behoefte van het gehele project in dat N2000 gebied opgenomen als reservering van segment 1.

Bij enkele sectoren is de behoefte van de prioritaire projecten (deels) op een afwijkende wijze bepaald en/of verdeeld over de segmenten:

  • Bij het hoofdwegennet (HWN) gaat Monitor uit van de totale, cumulatieve ontwikkelingsbehoefte voor autonome ontwikkelingen, MIRT projecten en uitbreiding van 130 km/uur zoals die ook is opgenomen in de totale depositie. Deze totale behoefte is verminderd met de apart berekende bijdrage van 130 km/uur. Het resultaat is de cumulatieve behoefte voor autonome ontwikkelingen en MIRT projecten en deze is als geheel beschouwd als ‘Prioritair Project HWN’. Afhankelijk van de afstand is deze behoefte opgenomen in segment 1 (bijdrage binnen 3 km) of segment GWR (buiten 3 km). De behoefte van de uitbreiding van 130 km/uur is opgenomen als overige behoefte in segment NTVP.
  • Bij het onderliggend wegennet (OWN) gaat Monitor uit van de cumulatieve ontwikkelingsbehoefte voor autonome ontwikkelingen en nieuwe wegtracés (nieuwe NSL wegen) zoals opgenomen in de depositieruimte. Deze behoefte is opgehoogd met de behoefte van prioritaire wegprojecten van provincies. Dit levert de totale prioritaire behoefte voor het onderliggend wegennet op. Deze is volledig in segment 1 opgenomen.
  • Bij railverkeer is de ontwikkelingsbehoefte zoals opgenomen in de depositieruimte en totale depositie volledig beschouwd als prioritaire behoefte. Voor railverkeer is daarom geen sprake van een overige ontwikkelingsbehoefte. De behoefte is afhankelijk van de depositiebijdrage verdeeld over segment 1 en segment GWR.
  • Voor het Rijnmondgebied is de totale berekende ontwikkelingsbehoefte beschouwd als prioritaire behoefte. Het gaat om behoefte voor binnenvaart, zeescheepvaart en ENINA (inclusief mobiele bronnen). Er is voor Rijnmondgebied geen sprake van overige behoefte voor deze sectoren. De totale ontwikkelingsbehoefte is geplaatst in segment 1.
  • Voor luchtvaart geldt dat de ontwikkelingsbehoefte van de verfijnde luchthavens en de luchtvaartprojecten van het ministerie van Defensie beschouwd worden als prioritaire behoefte. Deze behoefte is afhankelijk van de depositiebijdrage verdeeld over segment 1 en segment GWR. De behoefte van de overige (niet verfijnde) luchthavenemissies is beschouwd als ‘overige ontwikkelingen’ binnen de sector luchtvaart.

Hoe berekent Monitor de ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen?
Naast het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte voor de prioritaire projecten berekent Monitor voor iedere sector ook ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen. Alleen voor de sectoren Rijnmondgebied, Onderliggend wegennet en Railverkeer is geen ontwikkelingsbehoefte voor overige ontwikkelingen berekend omdat alle berekende ontwikkelingsbehoefte voor deze sectoren per definitie als prioritair wordt beschouwd.

De totale ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen is berekend door de totale groeibehoefte van een sector (uitgedrukt in depositie) te verminderen met de totale ontwikkelingsbehoefte voor de Prioritaire Projecten in die sector. Afhankelijk van de sector is de ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen vervolgens verdeeld over de segmenten NTVP, GWR en segment 2:

In NTVP is de ontwikkelingsbehoefte van de volgende sectoren opgenomen:

  • HWN (alleen depositiebijdrage door uitbreiding 130 km/uur)
  • Consumenten
  • Handel, Dienst en Overheid (HDO)
  • Luchtvaart (niet verfijnde gedeelte)
  • Zeescheepvaart NCP
  • Scheepvaart overig
  • Landbouwemissies, met uitzondering van de glastuinbouw en stallen (NH3).

In segment 2 en GWR is de ontwikkelingsbehoefte van de overige sectoren opgenomen. Daarbij is 30% van de ontwikkelingsbehoefte van een sector in GWR is geplaatst en 70% in segment 2. Het gaat om de volgende sectoren:

  • Energie, Industrie en Afvalverwijdering (ENINA)
  • Mobiele werktuigen
  • Binnenvaart
  • Zeescheepvaart
  • Stallen (NH3)
  • Glastuinbouw

Voor enkele sectoren kan de hierboven beschreven aanpak betekenen dat er geen ontwikkelingsbehoefte berekend wordt voor overige ontwikkelingen, omdat de totale ontwikkelingsbehoefte van de prioritaire projecten 100% (of meer) inneemt van de totale groeibehoefte die voor die sector is opgenomen in de depositieruimte. Voor enkele sectoren vormt dit geen belemmering omdat er geen ontwikkelingsbehoefte als gevolg van overige ontwikkelingen verwacht wordt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de sectoren hoofdwegennet, railverkeer, mobiele werktuigen (projecten hoofdwatersystemen) of luchtvaart.

Voor bepaalde sectoren is het niet reëel om aan te nemen dat er naast de prioritaire projecten geen andere ontwikkelingen in Nederland zullen plaatsvinden. Voor die sectoren berekent Monitor alsnog een ontwikkelingsbehoefte als gevolg van overige ontwikkelingen:

  • Voor stallen geldt dat als meer dan 70% van de totale berekende groeibehoefte zoals opgenomen in de depositieruimte al wordt ingevuld door een reservering voor prioritaire projecten, de overige behoefte op die plek is opgehoogd zodat deze altijd minimaal 30% blijft van de oorspronkelijk berekende groeibehoefte
  • Voor de sectoren ENINA, glastuinbouw, consumenten, zeevaart (buiten NCP), HDO en binnenvaart geldt dat altijd een minimale overige behoefte is aangehouden van 20% van de groeibehoefte in depositie die je voor de sector zou hebben berekend als alle RIVM groei als een deken over de bestaande emissiebronnen in Nederland was gemodelleerd (waarbij iedere bestaande emissiebron dezelfde percentuele groei krijgt)[/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
387-1823
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Bepalen ontwikkelingsruimte stoppers

In het kort
In Monitor is ontwikkelingsruimte berekend voor de zogenoemde stoppers in de landbouw. Deze ontwikkelingsruimte is nodig voor die situaties waar een veehouderij stopt en een ander bedrijf de dierrechten/bedrijfsmiddelen overneemt. In dit geval heeft het bedrijf dat de rechten overneemt ontwikkelingsruimte nodig, maar omdat er geen sprake is van een netto groei in dieren wordt hier in principe geen ontwikkelingsruimte voor berekend. De apart berekende ‘stoppersruimte’ die is berekend in Monitor is opgenomen in de depositieruimte en voorziene ontwikkelingsbehoefte voor de landbouw. De stoppersruimte heeft geen gevolgen voor de totale depositie, omdat het niet gaat om ‘nieuwe’ depositie maar om depositie die als het ware van eigenaar wisselt.

Hoe is de ontwikkelingsruimte voor stoppers berekend?
De ontwikkelingsruimte voor stoppers is berekend door in 2020 en 2030 alle veehouderijen die geen hobbyboer zijn (bedrijfsemissies van meer dan 100 kg/jaar) en die tevens buiten 1 km van Natura2000 gebieden liggen, te laten krimpen met de helft van het percentage van het aantal landbouwbedrijven dat in de betreffende provincie stopt. De depositieruimte die dit oplevert is de stoppersruimte. De percentages per provincie zijn in juli 2014 aangeleverd door de provincies en aangegeven in onderstaande tabel.

Provincie

Percentage stoppers tot 2021

Drenthe

7,9%

Flevoland

8,3%

Friesland

7,3%

Gelderland

9,2%

Groningen

7,5%

Limburg

9,8%

Noord-Brabant

9,4%

Noord-Holland

9,3%

Overijssel

8,7%

Utrecht

8,3%

Zeeland

7,8%

Zuid-Holland

7,8%

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
394-1832
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen stagnatiecorrectie stallen

In het kort
In de autonome ontwikkeling is de aanname dat stallen minder kunnen uitbreiden dan gewenst, vanwege de eisen die Nb-wet stelt aan de vergunningverlening. Deze stagnatie in de gewenste groei wordt het ‘stagnatie-effect’ genoemd. De PAS voorkomt deze stagnatie.

De stagnatie in de autonome ontwikkeling is groter naarmate de stallen dichter bij Natura2000 gebieden liggen. Uitgangspunt is dat zonder PAS de groei bij stallen binnen 5 km van Natura2000 gebieden voor 85% zal stagneren en voor stallen buiten 5 km met 20%.

Het effect van de stagnatie op de depositiebijdrage van stallen is berekend en vervolgens toegepast als een correctie op de berekende depositiebijdrage van stallen in de situatie met PAS.

Hoe is de stagnatiecorrectie berekend?

  1. Eerst is de depositiebijdrage van stallen als gevolg van de groei in de autonome ontwikkeling  berekend voor een situatie zonder stagnatie. Dit is gedaan door voor de autonome ontwikkeling een aanvullende berekening te doen voor 2020 en 2030 waarin de dieraantallen in de toekomst gelijk zijn gehouden aan de dieraantallen in 2014.
  2. Vervolgens is een zelfde berekening gedaan van de depositiebijdrage van alleen de stallen buiten 5 km van N2000 gebieden.
  3. Op basis van deze berekeningen is bepaald wat in de autonome ontwikkeling de groeibehoefte is van bedrijven binnen en buiten 5 km van N2000 gebieden.
  4. Vervolgens is 85% van de groeibehoefte van bedrijven binnen 5 km opgeteld bij 20% van de groeibehoefte van bedrijven buiten 5 km, en dit is het stagnatie-effect.

Het berekende stagnatie-effect is afgetrokken van de totale berekende depositie in de autonome ontwikkeling, uitgaande van een hoge economische groei. Het resultaat is de depositiebijdrage van stallen in de autonome ontwikkeling, uitgaande van stagnatie.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
395-1833
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Bepalen totale depositie

[no-lexicon]

In het kort
Monitor toont de totale stikstofdepositie in Natura2000 gebieden voor de huidige situatie (2014) en de toekomstjaren 2020 en 2030. De stikstofdepositie is weergegeven per hexagoon met een oppervlakte van één hectare, en per habitattype. De totale depositie is inzichtelijk voor het scenario zonder PAS (autonome ontwikkeling) en voor het scenario met aanvullend Rijksbeleid en Provinciaal beleid (scenario met PAS). Het scenario met PAS is alleen voor de sectoren stallen en mest afwijkend van de autonome ontwikkeling.

Monitor geeft ook inzicht in de opbouw van de totale deposities in het scenario met PAS. Daarbij maakt Monitor onderscheid tussen:

  • de depositie van Nederlandse sectoren
  • de depositie van buitenlandse bronnen
  • overige depositie

Een deel van de extra depositiedaling die ontstaat door PAS maatregelen mag worden gebruikt voor nieuwe ontwikkelingen. Bij het bepalen van de totale depositie in toekomstjaren is hiermee rekening gehouden.

Hoe is de depositiebijdrage van Nederlandse sectoren berekend?
De huidige depositiebijdrage per sector is gebaseerd op feitelijke emissies. De toekomstige depositiebijdrage is gebaseerd op een voorziene emissieontwikkeling per sector die rekening houdt met een bepaalde economische groei (nieuwe ontwikkelingen binnen de sector) en met effecten van beleid (bijvoorbeeld stimulering schonere technieken).

Monitor maakt bij het bepalen van de depositiebijdrage per sector onderscheid tussen niet-verfijnde sectoren en verfijnde sectoren.

  • Voor de niet-verfijnde  sectoren is uitgegaan van de emissies en emissiegroei die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. Voorbeelden zijn de sectoren industrie (buiten het Rijnmondgebied) en consumenten. In sommige gevallen zijn de emissies ruimtelijk herverdeeld.
  • Voor de verfijnde sectoren wordt in beginsel uitgegaan van emissiegegevens die zijn aangeleverd door de partijen die verantwoordelijk zijn voor deze gegevens (‘bronhouders’). Dit betekent dat de totale emissies en/of emissiegroei kan afwijken van de emissies waarvan RIVM voor deze sectoren is uitgegaan bij de GCN/GDN kaarten.

Onderstaande tabel geeft aan voor welke sectoren in Monitor verfijningen zijn doorgevoerd voor de emissies of emissiegroei.

Sectoren

Stof Gebied Verfijning huidige situatie verfijning toekomstige situatie
Stallen NH3 Nederland X X
Mest NH3 Nederland   X
ENINA, inclusief mobiele werktuigen NOX Rijnmond-gebied X X
Binnenvaart NOX Rijnmond-gebied X X
Zeescheep-vaart NOX Rijnmond-gebied   X
Wegverkeer - HWN NONH3 Nederland X X
Wegverkeer - OWN NONH3 Nederland X X
Mobiele werktuigen - HWS NOX Buiten Rijnmond-gebied   X
Binnenvaart en zee-scheepvaart - HVWN NOX Buiten Rijnmond-gebied   X
Railverkeer NOX NH3 Nederland   X
Luchtvaart NOX Nederland X X

Hoe is de depositiebijdrage van buitenlandse bronnen berekend?
Monitor gaat uit van depositiewaarden voor de buitenlandse bijdrage die zijn aangeleverd door het RIVM op een resolutie van 1x1 km. De aangeleverde waarden van het RIVM komen overeen met de waarden die zijn gebruikt voor de GCN/GDN kaarten. In Monitor zijn de waarden voor de kilometervakken omgezet naar waarden voor hectares (hexagonen).

Hoe is de overige depositie berekend?
Monitor houdt bij de berekening van de totale deposities rekening met:

  • de bijdrage van ammoniakemissies uit zee
  • de bijtelling voor onverklaarde depositie
  • de extra depositieruimte die beschikbaar komt door PAS beleid
  • de ophoging om tekorten in ontwikkelingsruimte weg te werken, zolang de totale depositie ook met ophoging minstens 70 mol/ha/jaar onder de KDW blijft

bijdrage ammoniakemissies uit zee
Monitor berekent de depositiebijdrage als gevolg van ammoniakemissies uit zee (algen) op basis van de RIVM bronbestanden voor emissies die ook zijn gebruikt voor de GCN/GDN kaarten. De RIVM emissies hebben een resolutie van 1x1 km en overlappen deels met het vasteland. In Monitor worden de emissies ruimtelijk herverdeeld om te voorkomen dat de emissies aan land worden toebedeeld.
De depositiebijdrage als gevolg van emissies uit zee vervangt de duinencorrectie die in eerdere versies van AERIUS Monitor is verwerkt. Deze depositiebijdrage is in alle jaren en scenario’s gelijk.

bijtelling voor onverklaarde depositie
De bijtelling voor onverklaarde depositie is een correctie voor het verschil tussen gemeten en berekende depositiewaarden. Monitor gaat uit van depositiewaarden voor de bijtelling die zijn aangeleverd door het RIVM. De waarden gelden per 1x1 km en zijn gebruikt voor de GCN/GDN kaarten.

extra depositieruimte door beleid
De PAS maatregelen leiden tot lagere sectorbijdragen van stallen en mest in het scenario met PAS dan in de autonome ontwikkeling. De helft van de extra depositiedaling als gevolg van het generieke Rijksbeleid en de helft van de depositiedaling als gevolg van het beleid van Limburg komt weer beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Deze extra depositieruimte is opgeteld bij de totale berekende depositie in het scenario met PAS. Op die manier is bij de prognoses voor de totale depositie altijd al rekening gehouden met het volledig opvullen van alle beschikbare depositieruimte.

Ophoging tekorten tot een maximale totale depositie van 70 mol/ha/jaar onder de KDW
Voor ieder rekenpunt waar tekorten in ontwikkelingsruimte worden berekend maar de totale depositie meer dan 70 mol onder de KDW ligt, is de depositieruimte en totale depositie opgehoogd met het tekort, tot een maximum van 70 mol onder de KDW. [/no-lexicon]

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
384-1819
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie

Berekening verspreiding en deposities wegverkeer

In het kort
Calculator berekent de verspreiding van de emissies door wegverkeer met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

SRM2 berekent de concentraties in de lucht op basis van:

  • brongegevens (emissies wegverkeer, locatie wegvakken, weghoogte, kenmerken afschermende constructies)
  • brononafhankelijke gegevens (meteorologische condities, terreinruwheid en brondepletie). 

Calculator bepaalt de deposities door de berekende concentraties te vermenigvuldigen met de effectieve droge depositiesnelheid. De waarden voor de depositiesnelheid zijn afgeleid met het rekenmodel OPS van het RIVM.

Hoe berekent SRM2 de depositiebijdrage?
SRM2 berekent de verspreiding van verontreinigende stoffen in de lucht (concentraties). Daarnaast berekent het model hoeveel van die stoffen per hectare op bodem of gewas terechtkomt (depositie). Bij de berekening van de depositie gaat Calculator uit van gegevens over de effectieve depositiesnelheden die zijn bepaald met OPS versie 4.4.3 (2014). 
De volgende gegevens vormen de invoer voor SRM2:

  • kenmerken emissiebronnen
  • gegevens over meteorologische condities, terreinruwheid en landgebruik en brondepletie.

Op basis hiervan berekent Calculator de depositiebijdrage op de rekenpunten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Factsheet

Factsheet
463-2070
Voor
  • Calculator
Type
Methodiek

Dieraantallen per stalsysteem basisjaar

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
RIVM, Noord-Brabant, Gelderland, Limburg, Overijssel en provincie Utrecht
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

De gegevens in dit bestand zijn overgenomen uit ‘GIAB2012++’.
GIAB2012++ is een bestrand met stalgegevens dat is opgesteld door AERIUS. Hierin zitten alle stallen in Nederland met locatie en dieraantallen uit GIAB2012+. Het staltype in dit bestand is waar mogelijk gebaseerd op de milieuvergunningen (voornamelijk web-bvb), en anders op het stalsysteem zoals opgenomen in het Geografische Informatiesysteem Agrarische Bedrijven (GIAB).

Welke bewerkingen zijn uitgevoerd op de aangeleverde gegevens?
Er is een koppeling gemaakt tussen de werkelijke dieraantallen uit GIAB+ en de staltypen (vergunningen) die in het BVB zijn geregistreerd.
De wijze waarop dit is gebeurd, is beschreven in het rapport Koppeling tussen GIAB en BVB (Grontmij. 2015).

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de onderstaande bronnen. NB: Het ‘GIAB voor ER eindbestand’ bevat LBT (landbouwtellingen) rubrieken met de getelde dieraantallen. Het ‘GIAB voor ER staltype’ bestand bevat een verdeling over staltypes voor een aantal diergroepen.

BronEigenaarSinds
GIAB voor ER – eindbestand 2012RIVM12 mei 2014
GIAB voor ER – staltype LBT12 v2RIVM12 mei 2014
BVB Brabant staltypenNoord-Brabant17 april 2014
Gelderland_BVBGelderland15 april 2014
Limburg_BVBLimburg16 april 2014
Overijssel_BVBOverijssel15 mei 2014
Utrecht_BVBProvincie Utrecht15 mei 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
418-1855
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Emissiegegevens sectoren basisjaar GCN/GDN

Kenmerken

Thema
Algemeen
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
RIVM
GLP
in voorbereiding
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

Deze gegevens geven voor de verschillende bronsectoren die het RIVM onderscheidt bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten 2014 een overzicht van de emissies stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3) in het basisjaar 2012.

De emissiegegevens vormen de invoer voor de berekening van de depositiebijdrage en groeibehoefte van de (deel)sectoren, met uitzondering van (deel)sectoren waarbij is uitgegaan van verfijnde emissies, zoals stallen, hoofdwegennet (binnen 5 km), luchthavens en bronnen in het Rijnmondgebied.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende aangeleverde gegevens:

BronEigenaarSinds
Bronbestanden GCN/GDN kaartenRIVMapril 2014

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe data wordt door de bronhouder gepubliceerd.
  • HarmonisatieDe data wordt omgezet naar een machine-leesbaar-formaat.
  • ValidatieDe gepubliceerde data wordt door een inhoudsdeskundige steekproefsgewijs geverifieerd.
  • TransformatieDe gepubliceerde data wordt door een inhoudsdeskundige steekproefsgewijs geverifieerd.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
415-1852
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Factor weidereductie

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
CBS
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
04-2014

Beschrijving gegevensset

De factor weidereductie is de gemiddelde emissiereductie die in Monitor wordt toegepast op de emissies van alle weidedieren in een provincie.

De weidereductie is afhankelijk van de mate van beweiden (aantal dagen beweiding en aantal uren beweiding per dag). Deze weidereductie is afgeleid van gegevens die per provincie door het CBS zijn aangeleverd.

Om te komen van de CBS gegevens naar een weidereductiefactor per provincie zijn de volgende stappen genomen 

  1. De gemiddelde mate van beweiden bij alle dieren die beweid worden, bepaalt de omvang van de gemiddelde emissiereductie voor alle weidedieren in een provincie. De gehanteerde reductie is 5% bij een gemiddelde beweiding van 720-1500 uur per jaar, 10% bij een gemiddelde beweiding van 1500-2200 uur per jaar en 15% bij een gemiddelde beweiding van meer dan 2200 uur per jaar.
  2. De gemiddelde weidereductie die onder a. wordt berekend, is alleen van toepassing op de weidedieren binnen een provincie. Echter, in AERIUS wordt de rekenkundige weidereductie automatisch op alle melkvee toegepast, dus ook op de dieren die permanent opgestald worden. Daarom is de berekende weidereductie voor weidedieren naar beneden toe bijgesteld om te corrigeren voor het aandeel dieren dat permanent opgestald wordt in een provincie. Bijvoorbeeld, een provincie met een gemiddelde weidereductie van 10% voor alle weidedieren (gemiddelde beweiding van 1500-2200 uur per jaar) en een aandeel beweiding van 70% (dus 30% permanent opstallen), krijgt een rekenkundige reductie van (0,7 x 10% =) 7% op alle melkkoeien in de provincie.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Gegevens over mate van beweiding (per provincie en landbouwgebied)CBSapril 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
421-1858
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Gebruik hexagonen in AERIUS

In het kort
AERIUS berekent de deposities per hexagoon met een oppervlakte van één hectare. Het rekenpunt ligt in het midden van de hexagoon. De berekende depositie op het rekenpunt wordt toegekend aan de gehele hexagoon van één hectare.
AERIUS toont de berekende waarden ook per hexagoon. De getoonde hexagonen kunnen een oppervlakte hebben dat groter is dan één hectare. Dit hangt af van het gekozen zoomlevel. Voor elk zoomlevel is de weergegeven waarde gelijk aan de berekende waarde voor het rekenpunt in het midden van de betreffende hexagoon.

Waarom rekenen met hexagonen?
Het eerste vastgelegde gebruik van hexagonen om gegevens te visualiseren op een topografische ondergrond stamt uit 1933, uit werk van de Duitse geografisch econoom Gottlieb Christaller. Uit verschillende studies bleek dat het gebruik van hexagonen de beste manier is om de natuurlijke ruimtelijke spreiding van gegevens te evalueren (Altonen, 2011). In veel grootschalige cartografische, ecologische en milieuonderzoeken wordt ook een hexagonaal grid toegepast.

De keuze voor een hexagonaal grid is gebaseerd op de volgende voordelen:

  • Het hexagonale grid heeft als voordeel ten opzichte van een vierkant grid dat alle afstanden binnen het grid equidistant zijn. Dat betekent dat ieder midden van een gridcel altijd even ver verwijderd is van het midden van een andere gridcel. Hierdoor is de verspreiding van een stof beter in beeld te brengen. Onderstaande figuur illustreert de doorwerking van de emissies uit een puntbron bij een vierkant en bij een hexagonaal grid.
  • De hexagoon is de geometrische vorm die het dichtst een cirkel benadert en toch nog een sluitend grid kan vormen. Daardoor is er een betere verhouding tussen rand en oppervlak en dus een betere overgang tussen verschillende gridcellen (Zhengand Chen, 2000).
  • Het gebruik van een hexagonaal grid sluit beter aan bij de natuurlijke omgeving en ontwikkelingen daarin die binnen het natuurdossier belangrijk zijn, zoals vegetatie en dierenpopulaties (Birch, 2007).

De mogelijkheden die een hexagonaal grid biedt voor visualisatie vormen een ander voordeel. AERIUS visualiseert de resultaten op verschillende zoomlevels. Met een hexagonaal grid is dit zondermeer mogelijk, omdat het centrumpunt voor ieder zoomlevel hetzelfde blijft. Dit is hieronder uitgelegd.

Hoe werkt het weergeven van de rekenresultaten bij inzoomen en uitzoomen?
BBij het inzoomen en uitzoomen bij hexagonen is altijd de depositiewaarde behorende bij het midden van de hexagoon zichtbaar. Anders gezegd, ieder hexagoon toont altijd de depositiewaarde die hoort bij het rekenpunt dat in het midden van de betreffende hexagoon ligt. Als je dus vanuit een hexagoon van 1 hectare uitzoomt en het betreffende hectare-hexagoon blijft in het midden liggen, dan blijft de getoonde depositiewaarde bij het uitzoomen gelijk. Zodra echter een ander hectare-hexagoon in het middelpunt van het uitgezoomde hexagoon ligt, wordt die betreffende depositiewaarde getoond.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
347-1716
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Gebruik schaalfactoren

In het kort
Bij het bepalen van de depositiebijdrage en groeibehoefte van (deel)sectoren vindt per sector en stof (NH3 en NOX) een schaling plaats van de emissies of deposities. De schaling wordt toegepast bij (deel)sectoren waarvoor in de beschouwde (toekomst)jaren geen verfijnde emissies zijn gebruikt.
De toegepaste schaalfactoren zijn overgenomen of afgeleid van de schaalfactoren die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten

De schaalfactoren worden toegepast bij:

  • berekenen van niet verfijnde depositiebijdrage in de huidige situatie (2014)
  • berekenen van de niet-verfijnde depositiebijdrage in 2020/2030 in een situatie zonder economische groei
  • berekenen van de niet-verfijnde groeibehoefte in 2020/2030.

Wanneer is gebruik gemaakt van schaling in Monitor?
Monitor onderscheidt de volgende toepassingen van schaalfactoren:

  1. Schaling van de niet verfijnde depositiebijdragen die in Monitor per sector en stof zijn berekend op basis van de emissies die door RIVM zijn aangeleverd voor het basisjaar van de GCN/GDN kaarten. 

    Op de berekende depositiebijdragen in het basisjaar vindt driemaal een schaling plaats:

    a. bepalen van de niet verfijnde depositiebijdrage per sector in 2014 (huidige situatie), op basis van groeiscenario met hoge groei (ABR)
    b. bepalen van de niet verfijnde depositiebijdrage per sector in 2020/2030, voor het groeiscenario met 0% economische groei (POR)
    c. bepalen van de niet verfijnde RIVM groeibehoefte (in depositie) in 2020/2030, op basis van het verschil in emissieontwikkeling tussen het hoge groeiscenario enerzijds (ABR) en het 0% groeiscenario anderzijds (POR). Als de niet verfijnde groeibehoefte wordt opgeteld bij de niet verfijnde sectorbijdrage in het scenario zonder groei in 2020/2030 (1b), ontstaat inzicht in de totale depositiebijdrage op basis van RIVM emissies en emissiegroei (het scenario met hoge economische groei).

     
  2. Schaling van de niet verfijnde emissies in het basisjaar van het RIVM, met dezelfde schaalfactoren voor groei die gebruikt worden om de niet verfijnde RIVM groeibehoefte in depositie te bepalen (1c). De aldus bepaalde landelijke RIVM groeibehoefte voor 2020/2030, uitgedrukt in emissies, wordt vergeleken met de emissiebehoefte van de uitgebreide lijst van voorziene Projecten. Op basis van deze vergelijking wordt bepaald hoe de groeibehoefte van een sector ruimtelijk over Nederland wordt verdeeld.

Hoe worden de schaalfactoren bepaald?
Schaalfactoren ABR, voor berekenen van niet verfijnde bijdrage in 2014
De schaalfactoren voor 2014 zijn bepaald door de schaalfactoren ABR voor 2012 en 2015 zoals aangeleverd door het RIVM te interpoleren. De aldus bepaalde schaalfactoren voor 2014 gelden ten opzichte van het basisjaar waarvoor de emissies zijn aangeleverd (2011) en kunnen daarom direct toegepast worden op de berekende depositiebijdragen voor dat basisjaar. Resultaat van deze schaling is de niet verfijnde depositiebijdrage van een sector in 2014.

Opgemerkt wordt dat voor de meeste sectoren de ABR schaalfactoren kleiner dan 1 zijn. Dat betekent dat de emissies en depositiebijdrage in 2014 lager zijn dan in het basisjaar. Dit is het effect van beleid en maatregelen, die ervoor zorgen dat ondanks economische groei toch sprake is van een netto daling van de emissies.

Schaalfactoren POR, voor berekenen niet-verfijnde sectorbijdrage in 2020/2030 zonder groei
De door het RIVM aangeleverde schaalfactoren voor de ABR (hoge groei, 2,5%) en de BOR (lage groei, 0,9%) zijn geëxtrapoleerd om te komen tot een schaalfactor voor een groeiscenario met 0% economische groei. Dit zijn de POR-schaalfactoren ten opzichte van de emissies in het aangeleverde basisjaar en kunnen daarom direct worden toegepast op de berekende depositiebijdragen voor dat basisjaar. Toepassing van deze schaalfactoren laat zien hoe de deposities zich zouden ontwikkelen als er vanaf het basisjaar geen groei (geen nieuwe ontwikkelingen) meer zou zijn.

Bij de meeste sectoren dalen de emissies in de tijd in het 0% groeiscenario. Dit is het gevolg van positieve beleidseffecten (zoals de verschoning van het wagenpark). Het kan ook voorkomen dat de emissies gelijk blijven ten opzichte van de huidige situatie (2014). In Monitor komt een toename van emissies ten opzichte van de huidige situatie in het 0% groeiscenario niet voor.

Schaalfactoren groei, voor berekenen niet-verfijnde groeibehoefte in 2020/2030
Het verschil in emissieontwikkeling tussen het hoge groeiscenario enerzijds (ABR) en het 0% groeiscenario anderzijds (POR) is de groeibehoefte voor een sector. De schaalfactoren voor de groei zijn in twee stappen bepaald:

  1. Eerst is de schaalfactor voor de POR afgetrokken van de schaalfactor voor de ABR, voor hetzelfde jaar. Dit leidt tot schaalfactoren voor de groei in 2014, 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar.
  2. Vervolgens zijn de schaalfactoren voor de groei in 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar gecorrigeerd voor de groei die plaatsvindt in 2014 ten opzichte van het basisjaar. Dit levert schaalfactoren groei op voor 2020 en 2030 ten opzichte van 2014.

Het resultaat van bovenstaande zijn de Monitor schaalfactoren voor groei voor 2020 en 2030 (per sector en stof). Deze schaalfactoren worden toegepast op de emissies of deposities in het basisjaar om de groeibehoefte vanaf het begin van de PAS tot aan 2020/2030 te berekenen.

Opgemerkt wordt dat de schaalfactoren voor groei negatief kunnen zijn. Dit betekent dat de landelijke sectoremissies in het groeiscenario met hoge economische groei minder toenemen (of harder dalen) dan in het 0% groeiscenario. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als de economische groei schonere technieken stimuleert, waardoor de uiteindelijke emissies lager uitkomen dan zonder groei, ondanks een toename in activiteiten. Met dit gunstige effect is rekening gehouden bij het berekenen van de totale depositie in Monitor. Bij het berekenen van de ontwikkelingsruimte en ontwikkelingsbehoefte wordt negatieve groei niet meegenomen.


Factsheet

Factsheet
409-1847
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Groeipercentages dieraantallen

Kenmerken

Thema
Landbouw
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
PlanBureau voor de Leefomgeving
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

Deze gegevens geven een overzicht van de groeipercentages voor de dieraantallen per diertype. De groeipercentages zijn overgenomen uit een groeiscenario (bovenraming) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). De groeipercentages worden toegepast om, op basis van de dieraantallen in 2012 (GIAB2012++), te komen tot dieraantallen in 2014 en de toekomstjaren 2020 en 2030.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de onderstaande bron. De PBL gegevens omvatten dieraantallen voor de jaren 2013 (op basis van landbouwtellingen), 2020 (scenario bovenraming) en 2030 (scenario bovenraming). De dieraantallen zijn uitgesplitst per diercategorie uit de RAV (zowel hoofdcategorieën als subcategorieën). Op basis van de PBL gegevens zijn in AERIUS per hoofdcategorie groeipercentages afgeleid voor de groei in 2014, 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar 2012.

BronEigenaarSinds
Bestanden met dieraantallenPlanBureau voor de Leefomgeving2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
419-1856
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Netwerkgegevens hoofdwegennet

Kenmerken

Thema
Verkeer en vervoer
Source type
enkelvoudige bron
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu
GLP
in voorbereiding
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
12-2014

Beschrijving gegevensset

De netwerken voor het hoofdwegennet (HWN) in de PAS omvatten gegevens over de omvang en samenstelling van het verkeer op de wegvakken van het hoofdwegennet. Tevens zijn gegevens opgenomen over de kenmerken van de wegvakken, zoals de maximum snelheid, de hoogteligging en de aanwezigheid van afschermende constructies zoals geluidsschermen. Deze gegevens vormen de invoer voor de emissie- en verspreidingsberekeningen in AERIUS Monitor.

De netwerken zijn aangeleverd door Rijkswaterstaat. De aangeleverde netwerken omvatten:

  • Referentienetwerk 2012
  • PAS-netwerk 2020, inclusief MIRT Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport. In het MIRT zijn belangrijke infrastructurele projecten opgenomen. en uitbreiding 130 km/uur.
  • PAS-netwerk 2030, inclusief MIRT en uitbreiding 130 km/uur.
  • NSL-netwerk 2020, inclusief MIRT en zonder uitbreiding 130 km/uur
  • NSL-netwerk 2030, inclusief MIRT en zonder uitbreiding 130 km/uur
  • PAS-netwerk 2020, inclusief MIRT en uitbreiding 130 km/uur, met reservering voor tijdelijke effecten

In het kader van een toestemmingsbesluit dient het bevoegd gezag per project ontwikkelingsruimte Ruimte voor stikstofdepositie die binnen de PAS beschikbaar wordt gesteld voor het realiseren van nieuwe of uitbreiding van bestaande economische activiteiten die toestemmingsplichtig zijn. toe te delen in AERIUS Register. Omdat de optelsom van individuele projecteffecten doorgaans niet gelijk is aan het netwerkeffect van alle projecten samen en bij een afname van verkeersintensiteiten als gevolg een project geen ontwikkelingsruimte kan worden bijgeboekt in AERIUS Register, kunnen tekorten aan ontwikkelings- en depositieruimte Ruimte voor stikstofdepositie die binnen de PAS beschikbaar is voor nieuwe of uitbreiding van bestaande activiteiten (die al dan niet toestemmingsplichtig zijn). ontstaan.  De reservering voor tijdelijke netwerkeffecten in 2020 heeft tot doel tekorten aan ontwikkelings- en depositieruimte als gevolg van tijdelijke toenames in verkeersintensiteiten te voorkomen.

Uitgangspunten tijdelijke netwerkeffecten
De reservering voor tijdelijke netwerkeffecten bestaat uit een verhoging van de intensiteiten op een wegvak. Er zijn drie klassen onderscheiden: 1.000, 5.000 of 10.000 mvt/etmaal per richting. Deze klassen zijn vastgesteld door EZ en IenM naar aanleiding van een getalmatige analyse van ruim 20 wegprojecten. Afhankelijk van de ligging van een wegvak en de afstand van het wegvak tot MIRT projecten is een klasse aan een wegvak toegekend.   

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
CSV bestanden met netwerkgegevensMinisterie van Infrastructuur en Milieudecember 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
422-1859
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Ruimtelijke verdeling bijtellingemissies: uitplaatsing

Versie: 
10-01-2015

In het kort
De emissiegegevens die RIVM hanteert voor de GCN/GDN kaarten 2014 vormen de invoer voor de berekening van de depositiebijdrage en groeibehoefte van niet-verfijnde sectoren.

De ruimtelijke verdeling van deze emissiegegevens (in vlakken van 1 bij 1 of van 5 bij 5 km) houdt geen rekening met de ligging van natuurgebieden. Hierdoor kan het voorkomen dat in de RIVM bronbestanden sprake is van emissies in Natura2000 gebieden (zie bovenste figuur). Voor bepaalde sectoren is het niet aannemelijk dat deze emissies daadwerkelijk plaatsvinden in de natuurgebieden zelf. In dat geval zijn de emissies ‘uitgeplaatst’ en zijn de emissies direct rondom het natuurgebied ruimtelijk verfijnd (zie onderste figuur). De uitgeplaatste emissies zijn weer herverdeeld over Nederland zodat de landelijke emissie gelijk blijft.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
410-1848
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie
  • 10-01-2015

Ruimtelijke verdeling groei-emissies: de ‘waterbedmethode’

In het kort
Monitor houdt bij het berekenen van de toekomstige depositie voor iedere sector rekening met een bepaalde, hoge economische groei. Deze groei is niet gelijkmatig over heel Nederland verspreid, maar zoveel mogelijk gemodelleerd op de plaatsen waar ook veel economische ontwikkelingen voorzien worden voor de betreffende sector. Op andere plaatsen is dan minder groei doorgerekend, omdat daar ook minder ontwikkelingen voorzien worden.

De methode waarmee binnen Monitor de generieke en vaststaande landelijke emissiegroei van een sector ruimtelijk verdeeld worden over Nederland, zodanig dat de groei daar terecht komt waar deze groei wordt verwacht, is de waterbedmethode. De waterbedmethode wordt zowel bij niet verfijnde als (deels) verfijnde sectoren worden toegepast.

Hoe werkt de waterbedmethode?
Uitgangspunt van de waterbedmethode is de landelijke RIVM emissiegroei (per GCN sector en stof) die in 2020 en 2030 is voorzien als gevolg van economische ontwikkelingen. Deze landelijke RIVM emissiegroei volgt uit de vergelijking van de emissies in het scenario met hoge economische groei (ABR) met de emissies in het (fictieve) scenario met 0% groei vanaf het begin van de PAS (PasOnderRaming, POR). Het verschil geeft de emissies (per sector en stof) als gevolg van de voorziene economische groei.

De RIVM emissiegroei is berekend per GCN-sector en stof. Op basis hiervan is voor een aantal zogenoemde ‘waterbedclusters’ de RIVM emissiegroei per stof bepaald (in een waterbedcluster zijn verschillende GCN sectoren geclusterd). De totale emissiegroei per waterbedcluster is vervolgens verminderd met de emissies van een totaallijst van voorziene (S1 en S2) projecten die binnen hetzelfde waterbedcluster vallen. Dit levert de resterende RIVM emissiegroei op voor het betreffende waterbedcluster: de overgebleven voorziene landelijke emissiegroei die nog niet ingevuld is door voorziene projecten.

De resterende RIVM emissiegroei per waterbedcluster en stof is vervolgens gedeeld door de totale RIVM emissiegroei. Dit levert per waterbedcluster en stof een correctiefactor op. Deze correctiefactor is vervolgens toegepast op de totale RIVM groeibijdrage in depositie, die zonder toepassing van het waterbed zou worden berekend. Op die manier is de RIVM groei ingeperkt (immers deze wordt vervangen door een lokaal berekende groeibehoefte op basis van projectgegevens).

Bijvoorbeeld, als de RIVM emissiegroei voor NOx binnen een waterbedcluster ‘100’ is en de projecten hebben een emissies van ‘60’, dan is de resterende groei in emissies na aftrek van de projectemissies dus 40. De correctiefactor voor de RIVM groei wordt dan 40/100=0,4. Dat betekent dat voor iedere GCN-sector in het waterbedcluster de berekende RIVM groei voor NOx (uitgedrukt in depositie), vermenigvuldigd is met 0,4.

De aldus bepaalde resterende RIVM groei (in depositie) is op sectorniveau weer vermeerderd met de berekende projectbijdragen van de betreffende sector. Dit vormt de totale groeibehoefte in depositie zoals die wordt opgenomen in de depositieruimte en totale depositie: het ‘waterbed’. Het waterbed is bepaald voor 2020 en 2030.

Wat houdt het aftoppen in?
De totale emissies van alle projecten binnen het waterbedcluster kunnen hoger zijn dan de voorziene totale RIVM emissiegroei voor de betreffende sector en stof. Er is dan geen sprake meer van een resterende RIVM emissiegroei: alle voorziene groei is dan al (meer dan) ingevuld door de voorziene projecten. Wanneer zich dit voordoet worden bij de niet verfijnde sectoren de berekende projectbijdragen niet volledig in de depositieruimte en totale depositie opgenomen, maar worden deze ‘afgetopt’. Dit wordt gedaan om te voorkomen dat AERIUS meer groei modelleert dan de totale RIVM emissiegroei. De aftopping wordt berekend per stof en jaar en waterbedcluster. Dit betekent dat alle projecten in hetzelfde waterbedcluster dezelfde mate van aftopping krijgen.

Bijvoorbeeld, als de RIVM emissiegroei voor een waterbedcluster ‘70’ is en de totale emissies van de projecten voor dat waterbedcluster zijn ‘100’, dan past maar 70% van de projectemissies binnen de totale RIVM-groei. In dat geval wordt van iedere berekende projectbijdrage in dat waterbedcluster 70% opgenomen als groeibehoefte in de depositieruimte en totale depositie. De aftopfactor is dan 0,7. De correctiefactor voor de RIVM groei is in deze gevallen altijd nul (geen resterende RIVM groei meer).

Het resultaat van het aftoppen is dat voor de ruimtelijke verdeling van de depositieruimte optimaal rekening wordt gehouden met de locatie en omvang van alle nu al voorziene projecten (S1 en S2), terwijl tegelijkertijd geborgd is dat in de totale depositie en depositieruimte niet meer emissiegroei wordt opgenomen dan het RIVM landelijk voorziet voor een sector.

Opgemerkt wordt dat aftoppen per definitie alleen een rol speelt bij het bepalen van de groeibehoefte zoals die is opgenomen in de depositieruimte en totale depositie. Bij het bepalen van de ontwikkelingsbehoefte wordt altijd gekeken naar de totale, onafgetopte voorziene behoefte.

Wanneer wordt er niet afgetopt bij het waterbed?
Aftoppen gebeurt niet bij projecten in het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet (respectievelijk HWS en HVWN projecten), projecten van het Ministerie van Defensie en bij de segment 1 projecten in Zeeland. Voor deze projecten geldt altijd dat bij de depositieruimte altijd rekening wordt gehouden met de volledige voorziene ontwikkelingsbehoefte.

Wat zijn de waterbedclusters en wat zijn de uitzonderingen op het waterbed?
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de waterbedclusters in Monitor (clusters van GCN sectoren waarbinnen projecten zijn voorzien). Per waterbedcluster zijn ook de voorziene (S1 en S2) projecten aangegeven die binnen het waterbedcluster vallen.

Waterbedcluster

Projecten (S1 en S2) binnen cluster

Energie, Industrie en Afvalverwijdering (ENINA)

Projecten provincies

Mobiele werktuigen, met uitzondering van landbouwwerktuigen

Projecten Ministerie van IenM (HWS) en provincies

Glastuinbouw

Projecten provincies

Handel, Diensten en Overheid (HDO)

Projecten Ministerie van Defensie

Consumenten

Projecten Ministerie van Defensie en provincies

Binnenvaart en zeescheepvaart buiten NCP, zonder visserij en recreatievaart

Projecten Ministerie van IenM (HVWN)

Zeescheepvaart NCP

Projecten Ministerie van IenM

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
412-1850
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Ruimtelijke verdeling scheepvaartemissies

In het kort
Bij het bepalen van de depositiebijdrage van binnenvaart- en zeeschepen in 2014 en de toekomstige situaties (2020 en 2030) wordt uitgegaan van de emissiebestanden en emissiegroei die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De emissiebestanden van het RIVM geven waarden per grid van 1x1 kilometer. In Monitor zijn deze emissies omgezet naar een fijner grid dat meer overlap heeft met de vaarwegen. 

Hoe zijn de scheepvaartemissies in Monitor ruimtelijke verdeeld?
Onderstaande figuur illustreert de 1x1 km vakken (lichtblauwe vakken) waarvoor de emissiegegeven voor scheepvaart beschikbaar zijn. Deze emissiegegevens hanteert RIVM bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten. De donkerblauwe lijnen geven de vaarroutes aan, zoals overgenomen in het NWB vaarwegen.

Monitor verdeelt de emissies in de km vakken over de vaarlijnen (zie onderstaande figuur). Daarbij hanteert Monitor een verfijnd grid dat afhankelijk is van de breedte van de vaarweg. Voor bredere vaarwegen wordt uitgegaan van een grid van 250x250 meter, en voor smallere vaarwegen wordt uitgegaan van een grid van 100x100 meter.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
411-1849
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Schaalfactoren groei

Kenmerken

Thema
Algemeen
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
RIVM
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

Bij het bepalen van de depositiebijdrage en groeibehoefte van (deel)sectoren vindt per sector en stof (NH3 en NOX) een schaling plaats van de emissies of deposities voor het basisjaar van de GCN/GDN kaarten 2014. De schaalfactoren zijn afgeleid van de schaalfactoren die RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten 2014. Deze schaalfactoren worden toegepast bij (deel)sectoren waarvoor in de beschouwde (toekomst)jaren geen verfijnde emissies zijn gebruikt.

Monitor past de schaalfactoren toe bij de berekening van:
a. de depositiebijdrage in de huidige situatie (2014)
b. de depositiebijdrage in 2020/2030 in een situatie zonder economische groei
c. 
de groeibehoefte in 2020/2030.

De totale depositiebijdrage in 2020/2030 waarvan wordt uitgegaan in de PAS is de som van de depositiebijdrage in een situatie zonder economische groei (b.) en de groeibehoefte (c.).  

Het scenario ABR gaat uit van een relatief hoge economische groei: 2,5% per jaar. Het scenario OR gaat uit van relatief lage economische groei: 0,9% per jaar.

Welke bewerkingen zijn uitgevoerd op de aangeleverde gegevens?
Voor het bepalen van de depositiebijdrage in 2014, vindt schaling plaats van de depositiebijdragen in het basisjaar. Hierbij gaat Monitor uit van schaalfactoren ABR voor de situatie in 2014. Door RIVM zijn schaalfactoren ABR aangeleverd voor 2012 en 2015. De schaalfactoren ABR voor 2014 zijn bepaald op basis van lineaire interpolatie.

Voor het bepalen de depositiebijdrage in 2020/2030 in een situatie zonder economische groei gaat Monitor uit van het scenario PAS OnderRaming (POR). Dit scenario gaat uit van 0% groei. De schaalfactoren POR voor 2020/2030 zijn bepaald op basis van extrapolatie van de RIVM schaalfactoren voor ABR (2,5% groei) en OR (0,9%). De schaalfactoren worden toegepast op de depositiebijdragen in het basisjaar.

Voor het bepalen van de groeibehoefte in 2020/2030 gaat Monitor uit van de zogenoemde 'schaalfactoren groei'. Deze schaalfactoren zijn in twee stappen bepaald:

  • Eerst is de schaalfactor voor de POR in een bepaald jaar afgetrokken van de schaalfactor voor de ABR voor datzelfde jaar. Dit leidt tot schaalfactoren voor de groei in 2014, 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar.
  • Vervolgens zijn de schaalfactoren voor de groei in 2020 en 2030 ten opzichte van het basisjaar gecorrigeerd voor de groei die plaatsvindt in 2014 ten opzichte van het basisjaar. Dit levert schaalfactoren groei op voor 2020 en 2030 ten opzichte van 2014.

Verantwoording gegevensset

De schaalfactoren die Monitor toepast zijn afgeleid van de volgende bronnen:

BronEigenaarSinds
Schaalfactoren scenario ABR (BeleidBovenRaming zonder PAS)RIVMapril 2014
Schaalfactoren scenario OR (OnderRaming)RIVMapril 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
417-1854
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Toepassing rekenmodel wegverkeer (SRM2)

In het kort
Monitor berekent de verspreiding van de emissies door wegverkeer met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. In Monitor 2014.2 is daarbij uitgegaan van de ECN implementatie van SRM2: het Voorspellings­systeem Luchtkwaliteit Wegtracés (VLW).  

SRM2 berekent de concentraties in de lucht op basis van

  • brongegevens (emissies wegverkeer, locatie wegvakken, weghoogte, kenmerken afschermende constructies)
  • brononafhankelijke gegevens (meteorologische condities, terreinruwheid en brondepletie).  

Monitor bepaalt de deposities door de berekende concentraties te vermenigvuldigen met de effectieve droge depositiesnelheid. De waarden voor de depositiesnelheid zijn afgeleid met het rekenmodel OPS van het RIVM.

Hoe berekent SRM2 de depositiebijdrage?
SRM2 berekent de verspreiding van verontreinigende stoffen in de lucht (concentraties). Daarnaast berekent het model hoeveel van die stoffen per hectare op bodem of gewas terechtkomt (depositie). Bij de berekening van de depositie gaat Monitor uit van gegevens over de effectieve depositiesnelheden  die zijn bepaald met OPS versie 4.4.3 (2014).  
Het rekenmodel 
Voorspellings­systeem Luchtkwaliteit Wegtracés (VLW) is een implementatie van SRM2. VLW is ontwikkeld door ECN, in opdracht van Rijkswaterstaat. AERIUS Monitor 2014.2 maakt gebruik van VLW versie 9.3. Een uitgebreide beschrijving van VLW is te vinden op de website van ECN.

De volgende gegevens vormen de invoer voor SRM2:

  • kenmerken emissiebronnen
  • gegevens over meteorologische condities, terreinruwheid en landgebruik en brondepletie.

Op basis hiervan berekent Monitor de depositiebijdrage op de rekenpunten.

a)  Kenmerken emissiebronnen
De volgende gegevens vormen de invoer voor de verspreidingsberekening met SRM2 in Monitor:
- de locatie van de wegsegmenten, in x,y-rijksdriehoekcoördinaten (m)
- de bronemissies NOX, NO2 en NH3 per wegsegment (g/s)
- de verticale verspreidingscoëfficiënt σz,0.
In Monitor zijn deze gegevens bepaald op basis van emissiefactoren voor wegverkeer en netwerkgegevens die door wegbeheerders zijn aangeleverd.

De waarde voor σz,0 is afhankelijk van:
- het type omgeving (binnen bebouwde kom/buiten bebouwde kom)
- het hoogte van de weg ten opzichte van het maaiveld en het type verhoging of verdieping
- de aanwezigheid en hoogte van afschermende constructies langs de weg.

b)  Brononafhankelijke gegevens
SRM2 maakt bij de verspreidingberekening gebruik van de volgende gegevens:
- meteorologische condities
- terreinruwheid (ruwheidlengte)
- depletie.
De gebruikte gegevens voor meteorologische condities en de terreinruwheid zijn in maart 2014 gepubliceerd door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (publicatie). Om de gepubliceerde gegevens geschikt te maken voor invoer in SRM2, vindt een voorbewerking plaats met de methode preSRM.

meteorologische condities: SRM2 gaat uit van meteorologische gegevens voor de stations Schiphol en Eindhoven. PreSRM interpoleert deze gegevens afhankelijk van de locatie van het rekenpunt.
ruwheidlengtes: De gegevens over de terreinruwheid, waar SRM2 mee rekent, zijn afgeleid van het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland versie 5+ (LGN5+) en gepubliceerd op de site van de rijksoverheid.
brondepletie: Bij de berekening van de concentraties ammoniak en stikstofdioxide op een rekenpunt, houdt VLW rekening met de neerslag (depletie) van een deel van de ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOX) in het gebied tussen de bron en het rekenpunt. Het RIVM (Sauter, 2014) heeft met OPS versie 4.4.3 (2014) depletiefactoren bepaald voor zowel NOX als NH3. Deze waarden zijn afhankelijk van
- de afstand tussen de bron en het rekenpunt
de ruwheid ter hoogte van het rekenpunt
- de achtergrondconcentratie NO2 en NH3 ter hoogte van het rekenpunt.

ECN (Vermeulen. 2014) heeft de resultaten van het RIVM omgezet naar functies die, op basis van de x,y coördinaten van het rekenpunt en de afstand tot het wegsegment, de depletiefactor bepaalt die van toepassing is. Deze functies worden toegepast in Monitor.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
400-1838
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie

Verfijnde emissiegegevens Rijnmondgebied

Versie: 
10-01-2015

Kenmerken

Thema
Scheepvaart
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
Provincie Zuid-Holland
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

De verfijnde emissiegegevens voor het Rijnmondgebied omvatten gegevens over de NOX emissies in 2012 en 2024 voor de volgende categorieën:

  • Energie, Industrie en Afvalverwijdering (ENINA), inclusief mobiele bronnen
  • Binnenvaart
  • Zeescheepvaart binnengaats
  • Zeescheepvaart buitengaats

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Bestanden emissiegegevens RijnmondgebiedProvincie Zuid-Holland15 mei 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
423-1860
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie
  • 10-01-2015

Verfijnde emissiegegevens vliegtuigen

Kenmerken

Thema
Luchtvaart
Source type
meervoudige gelijksoortige bronnen
Bronhouders
Ministerie van Infrastructuur en Milieu
GLP
onbekend
GTP
onbekend
Periodiciteit
onbekend
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

De verfijnde emissiegegevens van vliegtuigen zijn gegevens over de locatie (inclusief hoogte) en de omvang van de NOX emissies door vliegverkeer in de huidige situatie (2014) en toekomstige situaties (2020 en 2030). De gegevens zijn te beschouwen als een driedimensionaal grid (250x250x250 meter) waarbij de totale emissies van alle vliegbewegingen binnen het desbetreffende grid zijn toegekend aan het zwaartepunt van het grid. Voor dit zwaartepunt is de grondlocatie aangegeven (x,y) en de hoogte (z).

De beschouwde gridcellen hebben betrekking op de vliegbewegingen bij landen en opstijgen (de Landing and Take-Off cyclus, LTO) die horen bij de volgende luchthavens:

  • Groningen Airport Eelde
  • Eindhoven Airport
  • Lelystad Airport
  • Maastricht Aachen Airport
  • Rotterdam The Hague Airport
  • Enschede Airport Twente
  • Luchthaven Schiphol.

De gegevens zijn afgeleid van bestanden met brongegevens voor vliegtuigen die zijn aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en zijn opgesteld door het Nationaal Lucht- en ruimtevaartlaboratorium (NLR).

De gegevens vormen de invoer voor het bepalen van de depositiebijdrage en groeibehoefte van luchthavens in AERIUS Monitor.

Welke bewerkingen zijn uitgevoerd op de aangeleverde gegevens?
De bronbestanden vliegverkeer die zijn aangeleverd door het Ministerie van IenM omvatten gegevens over meerdere bronkenmerken en eigenschappen van het vliegverkeer. De bewerkingen in AERIUS betreffen het selecteren van gegevens die voor de berekeningen in AERIUS relevant zijn en het transformeren van deze gegevens naar bestanden die geschikt zijn als invoer voor de berekeningen in AERIUS. 

De gegevens van het NLR hebben betrekking op de situatie in 2012 en de situatie met benutting van de maximale operationele capaciteit uit de voorgenomen luchthavenbesluiten voor de desbetreffende luchthavens. AERIUS Monitor gaat bij de berekening van de depositiebijdrage en groeibehoefte in de huidige situatie (2014) uit van de emissiegegevens voor 2012. Voor de toekomstige situatie in zowel 2020 en 2030 gaat AERIUS uit van de maximale capaciteit.

Verantwoording gegevensset

De gegevens zijn afgeleid van de volgende bron:

BronEigenaarSinds
Bestand luchthavenemissiesMinisterie van Infrastructuur en Milieu02 mei 2014

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
424-1861
Voor
  • Monitor
Type
Data
Versie

Wegverkeer - emissiefactoren standaard

Kenmerken

Thema
Verkeer en vervoer
Source type
meervoudige ongelijksoortige bronnen
Bronhouders
AERIUS, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, RIVM
GLP
niet van toepassing
GTP
in voorbereiding
Periodiciteit
jaarlijks
Laatste update
2014

Beschrijving gegevensset

AERIUS berekent de totale verkeersemissies van stikstofoxiden (NOX), stikstofdioxide (NO2) en ammoniak (NH3) op basis van emissiefactoren die representatief zijn voor de gemiddelde emissies van het wagenpark op Nederlandse wegen. Hierbij wordt rekening gehouden met het wegtype, de voertuigcategorie, snelheidstypering, mate van doorstroming en het zichtjaar. In deze gegevensset zijn de emissiefactoren opgenomen.

Verantwoording gegevensset

De emissiefactoren NOx en NO2 zijn overgenomen uit de bestanden met emissiefactoren wegverkeer die op 15 maart 2014 zijn gepubliceerd door de staatssecretaris van IenM. De publicatie van deze emissiefactoren door IenM volgt uit de bepalingen in artikel 66 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. De emissiefactoren NH3 voor verkeer zijn gebaseerd op gegevens uit het project Emissieregistratie van het RIVM.

BronEigenaarSinds
Emissiefactoren voor snelwegenMinisterie van Infrastructuur en Milieu15 maart 2014
Emissiefactoren voor niet-snelwegenMinisterie van Infrastructuur en Milieu15 maart 2014
Meth-Verkeer-tabellen-2014ENG.xlsRIVM2014
Toelichting NH3 emissiefactoren wegverkeerAERIUS02 februari 2015

Beschrijving proces

  • InventarisatieDe data wordt door de bronhouders gepubliceerd.
  • HarmonisatieDe gepubliceerde data is omgezet naar een machine-leesbaar-formaat.
  • ValidatieDe gepubliceerde en omgezette data wordt door een inhoudsdeskundige steekproefsgewijs geverifieerd.
  • TransformatieDe gepubliceerde data wordt geautomatiseerd getransformeerd naar de database. Er worden geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Alleen voor de emissiefactoren voor lichtverkeer wordt een bewerking (aggregatie) toegepast om te komen tot een gemiddeld gewogen emissiefactor per wegtype.

Velden databasetabel

road_category_emission_factors

VeldTypeEenheidOmschrijving
road_category_idint4.PRIKEYnvtUnieke identificatie van de weg-voertuig-categorie
road_speed_profile_idint4nvtUnieke identificatie van het snelheidsprofiel
substance_idint2nvtUnieke identificatie van de stof
yearint2jaarJaar waarop de emissiefactor betrekking heeft
emission_factorfloat8g/kmEmissiefactor
stagnated_emission_factorfloat8g/kmEmissiefactor voor stagnerend verkeer

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
376-1797
Voor
  • Calculator
  • Monitor
Type
Data