Bepalen ontwikkelingsbehoefte

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Monitor berekent voor de beschouwde toekomstjaren (2020 en 2030) op hectareniveau de ontwikkelingsbehoefte per sector. Uit de vergelijking van de berekende ontwikkelingsbehoefte met de berekende depositieruimte, blijkt waar sprake is van een (mogelijk) tekort aan of overschot van ontwikkelingsruimte.

Bij het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte maakt Monitor onderscheid tussen:

  • De ontwikkelingsbehoefte van Prioritaire Projecten (segment 1).
  • De ‘overige’ ontwikkelingsbehoefte van projecten en ontwikkelingen die op dit moment nog niet concreet zijn.

Afhankelijk van de sector valt deze behoefte:

  • volledig onder ‘ontwikkelingen die niet toestemmings- of vergunningsplichtig zijn’ (segment NTVP), of
  • voor 30% onder de ‘ontwikkelingen onder de grenswaarde’ (segment GWR) en voor de overige 70% onder ‘overige voorziene groei’ (segment 2).

Hoe berekent Monitor de ontwikkelingsbehoefte van Prioritaire Projecten?
Monitor berekent de ontwikkelingsbehoefte van de prioritaire projecten (segment 1 behoefte) in beginsel per project, op basis van aangeleverde projectgegevens. Bij enkele sectoren is de behoefte van de prioritaire projecten (deels) op een afwijkende wijze bepaald en/of verdeeld over de segmenten:

  • Bij het hoofdwegennet (HWN) gaat Monitor uit van de totale, cumulatieve ontwikkelingsbehoefte voor autonome ontwikkelingen, MIRT projecten en uitbreiding van 130 km/uur zoals die ook is opgenomen in de totale depositie. Het resultaat is de cumulatieve behoefte voor autonome ontwikkelingen, MIRT projecten en uitbreiding van 130 km/uur. Deze totale behoefte is als geheel beschouwd als ‘Prioritair Project HWN’ (segment 1). Er is geen sprake van ‘overige behoefte’ voor het HWN
  • Bij het onderliggend wegennet (OWN) gaat Monitor uit van de cumulatieve RIVM ontwikkelingsbehoefte voor autonome ontwikkelingen, eventueel lokaal opgehoogd om voldoende ruimte te bieden voor alle locatiespecifieke (NSL) projecten op SRM2 wegen zoals die volgen uit de aangeleverde provinciale netwerken. Deze cumulatieve ontwikkelingsbehoefte inclusief lokale ophogingen is de totale behoefte voor het OWN en deze behoefte is als geheel opgenomen als ‘prioritaire behoefte’ (segment 1). Er is ook voor het OWN dus geen sprake van ‘overige behoefte’
  • Bij railverkeer is de totale ontwikkelingsbehoefte zoals opgenomen in de depositieruimte en totale depositie volledig beschouwd als prioritaire behoefte (segment 1). Voor railverkeer is daarom eveneens geen sprake van een overige ontwikkelingsbehoefte
  • Voor het Rijnmondgebied is de totale berekende ontwikkelingsbehoefte beschouwd als prioritaire behoefte. Het gaat om behoefte voor binnenvaart, zeescheepvaart en ENINA (inclusief mobiele bronnen). Er is voor het Rijnmondgebied geen sprake van overige behoefte voor deze sectoren. De totale ontwikkelingsbehoefte is geplaatst in segment 1
  • Voor luchtvaart geldt dat de ontwikkelingsbehoefte van de verfijnde luchthavens en de luchtvaartprojecten van het ministerie van Defensie beschouwd worden als prioritaire behoefte. Deze behoefte is opgenomen in segment 1. De behoefte van de overige (niet verfijnde) luchthavenemissies is beschouwd als ‘overige ontwikkelingen’ binnen de sector luchtvaart.

Hoe berekent Monitor de ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen?
Naast het berekenen van de ontwikkelingsbehoefte voor de prioritaire projecten berekent Monitor voor iedere sector ook ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen. Alleen voor de sectoren Rijnmondgebied, Hoofdwegennet, Onderliggend wegennet en Railverkeer is geen ontwikkelingsbehoefte voor overige ontwikkelingen berekend, omdat alle berekende ontwikkelingsbehoefte voor deze sectoren per definitie als prioritair wordt beschouwd.

De totale ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen is berekend door de totale groeibehoefte van een sector (uitgedrukt in depositie) te verminderen met de totale ontwikkelingsbehoefte voor de Prioritaire Projecten in die sector. Afhankelijk van de sector is de ontwikkelingsbehoefte van overige ontwikkelingen vervolgens verdeeld over de segmenten NTVP, GWR en segment 2:

In NTVP is de overige ontwikkelingsbehoefte van de volgende sectoren opgenomen:

  • Consumenten
  • Handel, Dienst en Overheid (HDO)
  • Luchtvaart (niet verfijnde gedeelte)
  • Zeescheepvaart NCP
  • Scheepvaart overig
  • Landbouwemissies, met uitzondering van de glastuinbouw en stallen (NH3).

In segment 2 en GWR is de overige ontwikkelingsbehoefte van de overige sectoren opgenomen. Daarbij is 30% van de ontwikkelingsbehoefte van een sector in GWR is geplaatst en 70% in segment 2. Het gaat om de volgende sectoren:

  • Energie, Industrie en Afvalverwijdering (ENINA)
  • Mobiele werktuigen
  • Binnenvaart
  • Zeescheepvaart
  • Stallen (NH3)
  • Glastuinbouw

Voor enkele sectoren kan de hierboven beschreven aanpak betekenen dat er geen ontwikkelingsbehoefte berekend wordt voor overige ontwikkelingen, omdat de totale ontwikkelingsbehoefte van de prioritaire projecten al 100% (of meer) inneemt van de totale groeibehoefte die voor die sector is opgenomen in de depositieruimte. Voor enkele sectoren vormt dit geen belemmering, omdat er geen ontwikkelingsbehoefte als gevolg van overige ontwikkelingen verwacht wordt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de sectoren hoofdwegennet, railverkeer, mobiele werktuigen (projecten hoofdwatersystemen) of luchtvaart. Voor bepaalde sectoren is het echter niet reëel om aan te nemen dat er naast de prioritaire projecten geen andere ontwikkelingen in Nederland zullen plaatsvinden. Voor die sectoren berekent Monitor alsnog een ontwikkelingsbehoefte als gevolg van overige ontwikkelingen:

  • Voor stallen geldt dat als meer dan 70% van de totale berekende groeibehoefte zoals opgenomen in de depositieruimte al wordt ingevuld door een reservering voor prioritaire projecten, de overige behoefte op die plek is opgehoogd zodat deze altijd minimaal 30% blijft van de oorspronkelijk berekende groeibehoefte
  • Voor de sectoren ENINA, glastuinbouw, consumenten, zeevaart (buiten NCP), HDO en binnenvaart geldt dat altijd een minimale overige behoefte is aangehouden van 20% van de groeibehoefte in depositie die je voor de sector zou hebben berekend als alle RIVM groei evenredig over de bestaande emissiebronnen in Nederland was gemodelleerd (waarbij iedere bestaande emissiebron dezelfde percentuele groei krijgt)

Let op: Het gaat hier om een ophoging van de voorziene ontwikkelingsbehoefte. Het is een beleidsmatig gekozen rekenregel die moet voorkomen dat de voorziene totale ontwikkelingsbehoefte onderschat wordt. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat een te optimistisch beeld wordt geschetst van de te verwachte tekorten. Het ophogen van de ontwikkelingsbehoefte heeft géén gevolgen voor de totale depositie of de depositieruimte.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
387-3205
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie