Let op: dit is niet een actuele versie
Actuele versie: 07-11-2016

Bepalen emissies stallen

In het kort
De emissies ammoniak (NH3) uit stallen zijn berekend in de database van AERIUS, op basis van onder meer dieraantallen, emissiefactoren en beleidsregels. De emissies zijn bepaald per jaar en beleidsscenario. Op basis van de in AERIUS berekende emissies is de depositiebijdrage van stallen en de groeibehoefte bepaald. Deze factsheet beschrijft de werkwijze bij het bepalen van de stalemissies.

Hoe zijn in Monitor de emissies van stallen berekend?
De emissieberekening voor stallen doorloopt de volgende stappen:

1. Uitgangspunt is een eigen AERIUS stallenbestand (GIAB2012++), waarin voor alle stallen in Nederland voor 2012 is aangegeven: locatie, stalsysteem en dieraantallen.

2. De basisemissie per stal per dier is direct afhankelijk van het staltype. Monitor maakt gebruik van een herziene concept RAV-lijst met emissiefactoren per staltype die in 2015 van kracht wordt.

3. Voor de varkens- en pluimveebedrijven die op bedrijfsniveau in 2012 nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarden uit in het huidige Besluit huisvesting, zijn de emissies van alle stallen in 2012 op het emissieplafond gezet. Daarmee voldoen de bedrijven rekenkundig aan het Besluit huisvesting. Het gaat hier om veehouderijbedrijven die onder het Actieprogramma Ammoniak Veehouderij (de ‘stoppersregeling’) vallen. Dat betekent dat ze op een andere manier dan via het technische stalsysteem mogen (en zullen) voldoen aan de wettelijke emissie-eisen (op bedrijfsniveau), zoals opgenomen in het Besluit huisvesting.

4. Op basis van de dieraantallen in het basisbestand 2012 zijn de dieraantallen in 2014 en de toekomstjaren bepaald. Daarbij is uitgegaan van een groeiscenario op basis van gegevens van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Dit PBL-scenario gaat uit van een netto groei in dieraantallen per diertype. Voor alle beleidsscenario’s is bij de emissieberekening uitgegaan van een zelfde groei. Het effect van stagnerende groei bij de autonome ontwikkeling is niet op emissieniveau bepaald, maar via een correctie achteraf op de berekende depositie.

5. In de volgende situaties zijn de dieraantallen in 2014 en de toekomstjaren gelijkgesteld aan de dieraantallen in 2012:

  • Bij diercategorieën waar sprake is van gelijkblijvende dieraantallen of van netto krimp tussen 2012 en 2014 en/of tussen 2014 en de toekomstjaren, is in Monitor uitgegaan van gelijkblijvende dieraantallen.
  • Bij bedrijven die in 2012 rekenkundig omlaag zijn gezet in emissie (stap 3) en bij zogenoemde hobbyboeren. Een bedrijf is aangemerkt als hobbyboer wanneer de totale emissie NH3 in 2012, na toepassing van een provincieafhankelijke emissiereductie voor dieren die beweid worden (de zogenoemde ‘weidereductie’), kleiner is dan 100 kg/jaar.

6. De emissie per stal in de huidige situatie (2014) is als volgt bepaald:

  • bij de bedrijven die in 2012 in emissie omlaag zijn gezet (stap 3), is in 2014 uitgegaan van de gereduceerde emissie in 2012
  • bij de overige stallen zijn de dieraantallen in 2014 zoals in stap 5 bepaald, vermenigvuldigd met de emissiefactor van het stalsysteem
  • voor alle melkvee is vervolgens de provincieafhankelijke weidereductie toegepast.

7. Voor de toekomstjaren 2010 en 2030 zijn de emissies bepaald voor drie scenario’s:

  • basisscenario met vaststaand beleid (autonome ontwikkeling, zonder PAS)
  • basisscenario met aanvullend rijksbeleid
  • basisscenario met aanvullend rijksbeleid en provinciaal beleid (Limburg en Brabant).

De emissie per stal in deze toekomstjaren en scenario’s zijn als volgt bepaald:

  • Bij de bedrijven die in 2012 in emissie omlaag zijn gezet (stap 3), is in 2020 en 2030 uitgegaan van de gereduceerde emissie in 2012 (en 2014).
  • Bij de overige stallen zijn de dieraantallen in 2020 en 2030 zoals in stap 5 bepaald, vermenigvuldigd met de emissiefactor van het stalsysteem.
  • Vervolgens is bij alle stallen die op stalniveau nu nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarden (die gelden in het desbetreffende scenario), de emissie per dier in 2020 verlaagd en in 2030 opnieuw. Door het verlagen van de emissie per dier bij alle stallen die nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarde, is het effect gesimuleerd dat een deel van deze stallen in 2020 en 2030 vervangen zal zijn door een schonere stal via natuurlijke vervanging. Alle individuele stallen die in 2020 of 2030 vervangen zijn, zullen immers vanaf dat moment wel (moeten) voldoen aan de emissiegrenswaarden en dat levert een bepaalde emissiereductie op waar mee gerekend mag worden. Omdat vooraf niet bekend is welke stallen vervangen zullen zijn en welke nog niet, is de totale omvang van de verwachte (landelijke) emissiereductie in een bepaald toekomstjaar verdeeld over alle stallen binnen de betreffende diercategorie die nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarden. Bij het bepalen van het te verwachten landelijke effect per diercategorie is uitgegaan van een bepaalde, natuurlijke vervangingsgraad van stallen. Deze vervangingsgraad is voor alle beleidsscenario’s gelijk. Echter, omdat de emissiegrenswaarden waar vanuit wordt gegaan in de scenario’s met PAS strenger zijn dan in de autonome ontwikkeling waarbij alleen het huidige Besluit huisvesting geldt, is de emissiereductie in de scenario’s met PAS wel groter dan in de autonome ontwikkeling.
  • Voor alle melkvee is vervolgens een provincieafhankelijke weidereductie toegepast.
  • Voor de scenario’s met PAS-beleid is tot slot de emissie van melkkoeien en vrouwelijk jongvee zodanig percentueel verlaagd dat zowel in 2020 als in 2030 een extra emissiereductie van 3 kiloton wordt behaald, als voorzien effect van voer- en managementmaatregelen die in het kader van de PAS worden genomen. Dit effect treedt niet op in de autonome ontwikkeling en is daarom alleen relevant in de scenario’s met PAS.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
391-1829
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie