Bepalen emissies stallen

Versie: 
07-11-2016

In het kort
De emissies ammoniak (NH3) uit stallen zijn berekend in de database van AERIUS, op basis van onder meer dieraantallen, emissiefactoren en beleidsregels. De emissies zijn bepaald per jaar en beleidsscenario. Op basis van de in AERIUS berekende emissies zijn de depositiebijdrage van stallen en de groeibehoefte berekend. Deze factsheet beschrijft de werkwijze bij het bepalen van de stalemissies.
Voor de emissies stikstofoxiden (NOX) uit stallen gaat Monitor uit van de emissiebestanden en de ruimtelijke verdeling van de emissies uit het project Emissieregistratie van het RIVM.

Hoe zijn in Monitor de emissies NH3 van stallen berekend?
De NH3 emissieberekening voor stallen doorloopt de volgende stappen:

  1. Uitgangspunt vormen de gegevens uit de Landbouwtelling 2015 (LBT2015) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), waarin voor stallen in Nederland is aangegeven: locatie, stalsysteem en dieraantallen. Het betreft gegevens over de gemiddelde stalbezetting in 2014. Wanneer geen gegevens over de gemiddelde stalbezetting in 2014 beschikbaar zijn, gaat Monitor voor 2014 uit van de gemiddelde stalbezetting per 1 april 2015.   
     
  2. De basisemissie per stal per dier is direct afhankelijk van het staltype. Monitor gaat uit de emissiefactoren per staltype uit de Regeling ammoniak veehouderijen die gepubliceerd is op 24 juni 2015 en in werking is getreden op 1 augustus 2015. Op basis van de dieraantallen (stap 1) en de emissie per staltype is de basisemissie per stal berekend voor het jaar 2014. Voor alle melkvee is vervolgens een provincieafhankelijke weidereductie toegepast.
     
  3. Voor de varkens- en pluimveebedrijven die volgens de emissieberekening op bedrijfsniveau in 2014 nog niet voldoen aan de emissiegrenswaarden in het toen geldende Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting), zijn de emissies van alle stallen in 2014 op het emissieplafond gezet. Daarmee voldoen de bedrijven rekenkundig alsnog aan het Besluit huisvesting. Het gaat hier om veehouderijbedrijven die onder het Actieprogramma Ammoniak Veehouderij (de ‘stoppersregeling’) vallen. Dat betekent dat ze op een andere manier dan via het technische stalsysteem mogen (en zullen) voldoen aan de wettelijke emissie-eisen (op bedrijfsniveau).
     
  4. De berekende emissies voor 2014 zijn per ‘NEMA-categorie’ opgeteld en vergeleken met de NEMA-emissies voor 2014. Dit levert per ‘NEMA-categorie’ een factor op die wordt opgeslagen om aan het einde toe te passen op de berekende emissies in alle scenario’s en jaren (NEMA-correctie).
     
  5. De emissies voor 2015 zijn bepaald op basis van interpolatie van de emissies zoals berekend voor de referentiesituatie 2014 en het zichtjaar 2020 (inclusief omlaag zetten van de emissie van bepaalde veehouderijen bij stap 3).
     
  6. Voor 2020 en 2030 is uitgegaan van aangepaste dieraantallen (groei). De dieraantallen in de toekomst zijn gebaseerd op de dieraantallen in de LBT2015 en een netto groei zoals die volgt uit gegevens van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL): groeipercentages dieraantallen. Voor alle beleidsscenario’s is bij de emissieberekening uitgegaan van een zelfde groei. Het effect van stagnerende groei bij de autonome ontwikkeling is niet op emissieniveau bepaald, maar via een correctie achteraf op de berekende depositie (bepalen stagnatiecorrectie stallen). In de volgende situaties zijn de dieraantallen in de toekomstjaren per definitie gelijkgesteld aan de dieraantallen in 2014 (geen groei meegenomen):
    - Bij diercategorieën waar sprake is van gelijkblijvende dieraantallen of van netto krimp tussen 2014 en de toekomstjaren (geen netto groei aanwezig).
    - Bij bedrijven die in 2014 rekenkundig omlaag zijn gezet in emissie (stap 3).
    - Bij zogenoemde hobbyboeren. Een bedrijf is aangemerkt als hobbyboer wanneer de totale emissie NH3 in 2014, na toepassing van een provincieafhankelijke emissiereductie voor dieren die beweid worden (de zogenoemde ‘weidereductie’), kleiner is dan 100 kg/jaar.
     
  7. Voor 2020 en 2030 is in alle scenario’s uitgegaan van aangepaste (lagere) emissiefactoren voor alle stallen die in de huidige situatie op stalniveau nog niet voldoen aan de geldende emissiegrenswaarden. Die geldende emissiegrenswaarden hangen af van het beleidsscenario: in het scenario met PAS is uitgegaan van het aangescherpte Besluit huisvesting (Besluit emissiearme huisvesting, dat in 2015 in werking is getreden) dus van lagere emissiegrenswaarden dan in het scenario zonder PAS. Eerst is per beleidsscenario berekend wat in een toekomstjaar het totale reductiepotentieel is van alle stallen die nu nog niet voldoen (maar die op het moment dat ze vervangen worden wel zullen gaan voldoen). Dat theoretisch reductiepotentieel is vermenigvuldigd met het vervangingspercentage van het betreffende jaar (factsheet vervangingspercentage stallen), om zo de reële voorziene reductie in het toekomstjaar te berekenen. Bijvoorbeeld als in een bepaald jaar 50% van alle stallen vervangen zal zijn, is de potentiële reductie maal 0,5 gedaan. Vervolgens is de aldus berekende voorziene emissiereductie verdeeld over alle stallen die nog niet voldoen op dat moment. Deze verdeling gebeurt door het bepalen van een ‘rekenkundig’ plafond (dat dus nog wel hoger is dan de daadwerkelijke emissiegrenswaarde, maar wel al lager dan de gemiddelde uitstoot van een stal die niet voldoet), en daaraan zijn dan alle stallen getoetst (en indien nodig omlaag gezet). Op die manier is gerekend met lagere emissies ten gevolge van het beleid, dat ervoor zorgt dat de beschouwde stallen steeds schoner wordt.
     
  8. De emissies in 2020 en 2030 zijn vervolgens berekend op dezelfde wijze als de emissies in 2014, met als enige verschil dus de reeds genoemde dieraantallen (effect groei) en schonere emissiefactoren (effect beleid).
     
  9. De stalemissies zoals ze zijn berekend in stap 1 t/m 8 zijn vervolgens vermenigvuldigd met de eerder berekende NEMA-factor (stap 4). Dit leidt ertoe dat in 2014 de emissies in lijn zijn met de NEMA emissies voor dat jaar.
     
  10. Tot slot is in beide beleidsscenario’s met generiek Rijksbeleid van de PAS, de emissie van melkkoeien en vrouwelijk jongvee zodanig percentueel verlaagd, dat zowel in 2020 als in 2030 een extra emissiereductie van 3 kiloton wordt behaald. Dit is het voorziene effect van de voer- en managementmaatregelen die in het kader van de PAS worden genomen. Dit effect treedt niet op in de autonome ontwikkeling en is daarom alleen relevant in de scenario’s met PAS

Hoe zijn in Monitor de groei-emissies NH3 berekend?
De netto groei van stallen is berekend door voor het scenario met PAS een aanvullend scenario te modelleren voor zowel 2020 als 2030, waarbij de dieraantallen gelijk zijn gehouden aan de dieraantallen in 2014. Hiermee is een scenario zonder groei gesimuleerd dat aanvullend is doorgerekend. De emissies en deposities zijn in dit scenario lager dan in het gewone scenario met groei en het verschil is de netto groei zoals die in de depositieruimte is opgenomen.

Voor het berekenen van de stoppersruimte is ook een extra scenario gemodelleerd voor zowel 2020 als 2030, waarbij de emissies verminderd zijn met de ‘stoppersemissie’. Dit aanvullende scenario is ook doorgerekend en het verschil met het gewone scenario is de stoppersruimte. Deze ruimte is ook opgenomen in de depositieruimte (bepalen ontwikkelingsruimte stoppers).

Welke NOX emissies voor stallen hanteert Monitor?
Monitor 2016 gaat voor NOX uit van de emissiebestanden en de ruimtelijke verdeling van de emissies uit het project Emissieregistratie van het RIVM. Deze NOX emissies zijn beschikbaar voor gridcellen van 500x500 meter.
De NOX emissies voor stallen waarvan Monitor uitgaat, vormen ook de basis voor de GCN/GDN kaarten.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
391-3210
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie