Bepalen depositiebijdrage en groeibehoefte Luchthavens

Versie: 
07-11-2016

In het kort
Monitor berekent de verfijnde bijdrage en groeibehoefte van Nederlandse luchthavens voor de referentiesituatie (2014), 2015 en de toekomstige situaties (2020 en 2030). Bij luchthavens wordt onderscheid worden gemaakt tussen de volgende emissiebronnen:

  • vliegverkeer van en naar de luchthaven
  • bronnen op het luchthaventerrein, zoals hulpmotoren van vliegtuigen (Auxiliary Power Units, APU), platformverkeer en brandstofoverslag.

Bij de berekening van de depositiebijdrage en de groeibehoefte is onderscheid gemaakt tussen:

  • vliegverkeer op luchthavens waarvoor het Ministerie van IenM emissiegegevens heeft aangeleverd.
  • vliegverkeer op overige luchthavens en bronnen op luchthaventerreinen
  • projecten van het Ministerie van Defensie.

Hoe is de depositiebijdrage en groeibehoefte voor luchthavens berekend?
Voor een aantal luchthavens (zie tabel onderaan deze factsheet) is bij de berekening van de depositiebijdrage van het vliegverkeer voor 2014, 2015 en de toekomstige situaties uitgegaan van emissiegegevens NOX die zijn aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Deze emissiegegevens hebben betrekking op omvang en de locatie (inclusief hoogte) van de emissies van vliegtuigen bij het landen en opstijgen.

De verfijnde depositiebijdragen NOX in 2014, 2020 en 2030 zijn berekend met het rekenmodel OPS van het RIVM. Voor de overige bronkenmerken die als invoer dienen voor OPS berekeningen (zoals warmteoutput) is uitgegaan van de bronkenmerken voor deze sector die RIVM toepast bij de berekeningen voor de GCN/GDN kaarten.
Het verschil in depositie tussen de toekomstige situaties (2020 en 2030) en de referentesituatie is de groeibehoefte voor de desbetreffende luchthaven (voor vliegemissies). Aan de behoeftekant wordt deze verfijnde groeibehoefte beschouwd als prioritaire behoefte. De volledige verfijnde groeibehoefte is tevens opgenomen in de depositieruimte.

De verfijnde depositiebijdrage NOX in 2015 is gelijkgesteld aan de verfijnde depositiebijdrage NOX in 2014.

De depositiebijdrage van vliegverkeer op overige luchthavens en van bronnen op luchthaventerreinen zijn bepaald conform de methodiek voor niet-verfijnde sectoren. De groeibehoefte die hieruit volgt, wordt beschouwd als autonome ontwikkeling waar geen toestemmingsbesluit of vergunning voor nodig is (segment NTVP).

Aanvullend op het bovenstaande heeft het Ministerie van Defensie emissies en bronkenmerken aangeleverd voor een aantal projecten met betrekking tot militaire luchtvaart. Deze projecten worden beschouwd als ‘prioritaire projecten’. Voor deze defensieprojecten is met OPS de depositiebijdrage en groeibehoefte berekend voor 2020 en 2030. De volledige ontwikkelingsbehoefte van deze projecten is opgenomen in de depositieruimte en de totale depositie; de projecten van defensie zijn beschouwd als aanvulling op de RIVM groei-emissies voor luchtvaart.

Voor welke luchthavens zijn verfijnde berekeningen uitgevoerd?
Voor de volgende luchthavens zijn verfijnde emissiegegevens NOX aangeleverd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu:

  • Groningen Airport Eelde
  • Eindhoven Airport
  • Lelystad Airport
  • Maastricht Aachen Airport
  • Rotterdam The Hague Airport
  • Luchthaven Schiphol.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
405-3239
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie