Let op: dit is niet een actuele versie
Actuele versie: 07-11-2016

Bepalen depositie en groeibehoefte niet-verfijnde sectoren

In het kort
De niet-verfijnde sectoren zijn (delen van) sectoren waarvoor de depositiebijdrage en groeibehoefte is bepaald op basis van de emissiegegevens (NOX en NH3) en de groeiscenario’s die het RIVM hanteert bij het opstellen van de GCN/GDN kaarten.

Op verschillende locaties zijn in AERIUS de emissies van het RIVM ruimtelijk herverdeeld. Bijvoorbeeld het ‘uitplaatsen’ van emissies in N2000 gebieden en het toedelen van scheepvaartemissies aan vaarwegen. Verder zijn de groei-emissies zoals het RIVM die voorziet voor een sector ruimtelijk verdeeld over Nederland op basis van de zogenoemde ‘waterbed-methode’. Dit betekent dat de meeste groei gemodelleerd is daar waar ook de meeste economische ontwikkeling voor die sector wordt voorzien.

[no-lexicon]Hoe is de depositie bij niet verfijnde (delen van) sectoren bepaald?
Om de niet verfijnde depositiebijdrage per sector te berekenen is de volgende werkwijze aangehouden:

  1. Monitor berekent per sector en stof de depositiebijdrage in de huidige situatie (2014) op basis van emissiegegevens die zijn afgeleid van de emissiegegevens die RIVM heeft aangeleverd en ook worden gebruikt voor de GCN/GDN kaarten. Deze emissiegegevens geven waarden voor de emissies NOX en NH3 in het basisjaar (voor de GCN/GDN kaarten 2014 is 2012 het basisjaar van de RIVM bronbestanden). De berekende depositiebijdragen voor het basisjaar zijn vervolgens geschaald naar 2014, uitgaande van het groeiscenario met hoge economische groei (2,5%) en vaststaand en voorgenomen beleid (ABR). De daarbij toegepaste schaalfactoren zijn afgeleid van de schaalfactoren die RIVM hanteert voor de GCN/GDN kaarten.
  2. Vervolgens berekent Monitor voor iedere sector en stof de depositiebijdrage in 2020 en 2030 voor een scenario zonder economische groei (vanaf de start van de PAS in 2015). Daartoe schaalt Monitor de depositiebijdragen in 2014 naar 2020 en 2030, volgens het ‘0% groeiscenario’ (POR). Dit leidt tot een depositiebijdrage in 2020 en 2030 voor een (hypothetisch) scenario zonder groei.
  3. Monitor berekent tenslotte voor iedere sector de voorziene groeibehoefte (in depositie) voor 2020 en 2030 en telt deze groeibehoefte op bij de sectorbijdrage zonder groei. Dit levert de totale toekomstige sectorbijdrage op. Dezelfde groeibehoefte is ook opgenomen in de depositieruimte.

Hoe is de groeibehoefte bij niet verfijnde (delen van) sectoren bepaald?
De niet-verfijnde groeibehoefte binnen Monitor  is als volgt berekend:

  1. Per sector en stof is de groeibehoefte in emissies bepaald, door te kijken naar het verschil in totale emissieontwikkeling tussen enerzijds het groeiscenario met hoge economische groei (ABR) en anderzijds een groeiscenario zonder economische groei (POR). In het scenario zonder economische groei dalen de emissies sneller dan in het scenario met hoge economische groei. Dat verschil is de landelijke groeibehoefte uitgedrukt in emissie.
  2. Per sector is de in stap 1 bepaalde landelijke emissiegroei vervolgens ruimtelijk verdeeld over Nederland. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de groei zo veel mogelijk wordt toebedeeld aan gebieden waar daadwerkelijk groei verwacht wordt voor de betreffende sector, zonder daarbij de totale landelijke emissiegroei te overschrijden. Deze toedeling is de zogenoemde ‘waterbedmethode’. Bij de bepaling in welke gebieden meer of minder groei wordt verwacht is uitgegaan van de zo volledig mogelijke lijst met voorziene toekomstige projecten. In die gebieden waar de voorziene projecten leiden tot pieken in ontwikkelingsbehoefte, wordt daarmee ook een piek berekend in de depositieruimte en totale depositie.

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
390-1825
Voor
  • Monitor
Type
Methodiek
Versie