Beleidsuitgangspunten bij berekenen depositietrend

Versie: 
28-06-2018

De beleidsuitgangspunten die ten grondslag liggen aan AERIUS Monitor 2016 zijn vastgesteld door de Regiegroep Natura 2000 en PAS.
De volgende categorieën beleidsuitgangspunten worden onderscheiden:

 

De beleidsuitgangspunten bij het berekenen van de depositietrend zijn:

1. Om de te verwachten depositiedaling te kunnen volgen, wordt de depositieontwikkeling berekend voor het referentiejaar 2014 (T0, start PAS), de huidige situatie (weergegeven als depositie in het gepasseerde kalenderjaar, T-1) en voor de toekomstige jaren 2020 en 2030. Dit levert een (voorziene) depositietrend op die voor ieder gebied - in samenhang met de herstelmaatregelen – ecologisch wordt beoordeeld in de gebiedsanalyses.

2. Voor de depositieberekening voor het jaar 2014, het referentiejaar, wordt in principe uitgegaan van de omvang en ruimtelijke verdeling van feitelijke emissies per sector zoals de Emissieregistratie (ER) die vaststelt. Voor enkele sectoren wordt gebruik gemaakt van afwijkende gegevens voor het referentiejaar. Het gaat om:

  • Landbouwstallen (NH3): ruimtelijke verdeling emissies op basis van het stallenbestand in AERIUS, dat op stalniveau is en gebaseerd op gegevens uit de Landbouwtelling. Emissies worden bepaald op basis van dieraantallen uit de landbouwtelling en RAV-emissiefactor van de stal. Op landelijk niveau wordt voor de emissies in 2014 aangesloten bij de NEMA-emissies;
  • Hoofdwegennet: berekening op basis van netwerkgegevens voor 2014 aangeleverd door RWS, in combinatie met emissiefactoren voor wegverkeer;
  • Luchthavens NOx: berekening op basis van specifiek aangeleverde emissies door IenW. Deze zijn gebaseerd op werkelijk gemaakte vluchtbewegingen (transponders in vliegtuigen);
  • Rijnmondgebied NOx (alleen binnenvaart en industrie inclusief mobiele bronnen): berekening op basis van specifiek aangeleverde emissies over deze bronnen in het Rijnmondgebied door Provincie Zuid-Holland;
  • Mobiele werktuigen: deel van de landelijke ER emissies wordt ruimtelijk toegekend op plaatsen waar bekend is dat in 2014 veel mobiele werktuigen gebruikt werden. Dit levert een gedeeltelijke verfijning op. De totale emissies veranderen hier niet door.

 

3. Indien emissies in de ruimtelijke verdeling van de ER op een plek zijn gelokaliseerd waar deze emissies aantoonbaar niet kunnen plaatsvinden, worden deze emissies verplaatst. Concreet wordt dit gebruikt voor:

  1. Buitenland: waar Duitse en Belgische emissies overlappen met Nederland, zijn deze naar de grens teruggeplaatst;
  2. De emissie vanuit de ER voor het onderwerp ‘mestafzet bij particulieren’, wordt ruimtelijk verdeeld naar bevolkingsdichtheid, exclusief stedelijke centra;
  3. De emissie vanuit de ER voor het onderwerp ‘mestafzet op natuurterreinen’ wordt ruimtelijke verdeeld over natuurgraslanden uit de Land Gebruikskaart Nederland.
  4. Voor de depositieberekening in het gepasseerde kalenderjaar (T-1, 2015) wordt uitgegaan van de meest recente emissiegegevens van de ER (in M16 is dat 2014), geschaald naar 2015 op basis van schaalfactoren behorende bij de PBL-scenario’s op basis van de Nationale Energieverkenning (NEV2015). Van de beschikbare scenario’s is degene gebruikt die gebaseerd is op vaststaand en voorgenomen beleid exclusief PAS bronmaatregelen en uitgaat van hoge economische ontwikkeling (BeleidBovenRaming zonder PAS). Dit PBL-scenario is ook gebruikt voor de GCN kaarten (zoals gepubliceerd in 2016).
  • Voor het jaar 2015 wordt de depositiebijdrage van de gedeeltelijke verfijning van de mobiele werktuigen uit de referentiesituatie (2014) overgenomen.
  • Bij landbouwstallen (NH3) worden de deposities voor berekening van 2015 lineair geïnterpoleerd tussen 2014 en 2020 voor het PAS-scenario.

 

5. De depositieberekeningen voor de toekomst bestaan uit twee delen: de depositie in het (hypothetische) scenario zonder economische ontwikkeling (wanneer er wel emissiereducerend beleid zou zijn en dus daling van de emissies, maar geen economische groei) en de depositie veroorzaakt door de voorziene/gewenste economische ontwikkeling (waarvoor depositieruimte beschikbaar komt). De som van deze twee berekende depositiebijdragen vormt de totale voorziene depositie in de toekomst. Deze totale wordt in het PAS ecologisch beoordeeld. Daarmee is dus automatisch ook het uitgeven van alle depositieruimte beoordeeld, omdat de depositieruimte onderdeel is van de totale depositie.

6. Indien lokaal de stikstofbelasting zonder economische groei hoger is dan met economische groei, spreken we van negatieve groei. Dit kan bijvoorbeeld optreden wanneer lokaal het aantal activiteiten afneemt bij economische ontwikkeling. Bij het berekenen van de depositietrend wordt met dit effect rekening gehouden. De depositieruimte vanuit de betreffende sector is nul op deze locatie, wanneer er sprake is van een negatieve groei.

7. Basis voor de totale depositieberekeningen voor de toekomstjaren is het PBL-scenario (Nationale EnergieVerkenning 2015) met hoge economische groei en met vaststaand en voorgenomen beleid zonder PAS (BeleidBovenRaming zonder PAS) dat is ontwikkeld voor onder andere het PAS en de basis vormt voor de GCN-kaarten. In aanvulling hierop wordt voor bepaalde projecten en voor bepaalde sectoren extra ruimte opgenomen (zie punten 9 en 10). De keuze voor het scenario met hoge economische groei als basis plus de aanvullingen is gemaakt om te borgen dat er voldoende depositieruimte kan worden geboden aan (nieuwe) economische ontwikkelingen, maar fungeert ook als buffer voor onzekerheden in de autonome ontwikkeling van de stikstofdepositie. Ook met dit scenario als uitgangspunt, neemt de totale stikstofdepositie in Nederland door vaststaand beleid nog steeds af.

In de Nationale Energieverkenning 2015 is een scenario opgenomen waarin de economie groeit in een middenpad (1,8 % per jaar tot 2020; 2,1% in 2021-2025 en 1,4% in 2026 – 2030). De emissies, inclusief de emissies van zeescheepvaart (in kton per jaar) die horen bij dit scenario zijn:

Stof       

2020

2030

NOx

281

231

NH3

127

118

 

De emissies in AERIUS volgens het scenario met een hoge economische groei aangevuld met extra ruimte (zie punten 9 en 10) zijn:

Stof       

2020

2030

NOx

378

334

NH3

124

118

 

8. De ‘groei-emissies’ voor iedere sector waar in het gekozen PBL-scenario rekening mee wordt gehouden, worden in AERIUS Monitor via de zogenoemde ‘waterbedmethode’ ruimtelijk over Nederland verdeeld. Via deze methode wordt de PBL-groei van iedere sector ruimtelijk gemodelleerd op de plekken waar hij in de toekomst verwacht wordt. Dit betekent dat op plekken waar meer (prioritaire) projecten worden voorzien, ook een groter deel van de totale sectorgroei zal worden gemodelleerd in de trendberekening. Het gaat bij het waterbed om een herverdeling van de PBL-groei. Als er meer vraag binnen een sector is dan er volgens het PBL voor 2020 geraamd is, dan wordt deze groei voor alle projecten naar rato beperkt. De totale groei is daarmee precies gelijk aan de door PBL voorspelde emissie groei. Dit wordt in AERIUS Monitor ook wel aftoppen genoemd. Voor veel provinciale prioritaire projecten wordt de resterende behoefte (de ‘afgetopte’ ruimte) vervolgens in mindering gebracht op de overige ontwikkelingsruimte (Segment 2).

9. In aanvulling op het vorige punt wordt voor bepaalde projecten de toekomstige depositiebijdrage (de behoefte) altijd volledig opgenomen in de depositieberekening van de toekomst, ook als dat betekent dat de PBL-groei voor de betreffende sector overschreden wordt. Voor deze specifiek aangewezen projecten geldt ‘behoefte = ruimte’. De groei die de PBL-raming overschrijdt komt voor deze projecten ten laste van de depositiedaling (minder snelle daling). Voor de uiteindelijke reservering in S1 (de depositieruimte die wordt gereserveerd voor prioritaire projecten) is voor deze projecten geen ruimte nodig uit S2. De keuze voor behoefte = ruimte bij bepaalde projecten leidt op landelijk niveau tot méér groei dan het PBL voor de sector voorziet. Ook is er een grotere kans op lokale pieken in depositie. Voor de volgende projecten geldt ‘behoefte = ruimte’:

  • Projecten voor het Hoofdvaarwegennet en Hoofdwatersysteem (HVWN en HWS) (IenW)
  • Projecten van het Ministerie van Defensie
  • Projecten op het onderliggende wegennet waarvoor de Provincie bevoegd gezag is (alleen SRM2)
  • Enkele individueel aangewezen provinciale projecten
  • Cranendonck – industriepark DIC – Provincie Noord-Brabant
  • Bedrijventerrein Westpoort – Provincie Noord-Holland
  • Bedrijventerrein Hoogtij - Provincie Noord-Holland
  • Bedrijventerrein Grote Hout - Provincie Noord-Holland
  • Bedrijventerrein IJmond - Provincie Noord-Holland
  • Haven en industriecomplex Rotterdam – Provincie Zuid-Holland
  • Containerisatie haven Vlissingen – Provincie Zeeland
  • Zeehaven Kanaalzone – Provincie Zeeland
  • Yara – Provincie Zeeland
  • Gebiedsontwikkeling Venray – Provincie Limburg
  • Plan van Transformatie ENCI – Provincie Limburg

 

10. Voor enkele sectoren wordt bij het berekenen van de depositietrend afgeweken van de algemene werkwijze. Voor deze sectoren wordt geen of slechts gedeeltelijk gebruik gemaakt van de PBL-groei en de waterbedmethode (en van het al dan niet ‘aftoppen’ van projecten in dat waterbed), en zijn eigen gegevens voor de groei en trend leidend. Dit worden ook wel de ’verfijnde sectoren’ genoemd. De volgende ‘verfijningen’ zijn opgenomen in de depositie van de toekomst:

  • Landbouw stallen (NH3): groei in dieraantallen wordt per stal gemodelleerd met behulp van groeifactoren per diercategorie, gebaseerd op aantallen diergroei die PBL voorziet. Uitgangspunt is het stallenbestand dat ook de basis vormt voor de berekening voor 2014
  • Mestaanwending: op nationale schaal geen groei van aanwendingsemissies door gebruik van dierlijke en kunstmest ten opzichte van het referentie jaar. Er wordt daarom geen depositieruimte ingerekend voor gebruik mest en dus ook geen ontwikkelingsruimte.
  • Hoofdwegennet: groeiberekening op basis van verkeersnetwerkprognoses RWS. De berekende groei wordt opgeteld bij de depositie in het scenario zonder groei. De depositie zonder groei wordt berekend door het verkeersnetwerk van 2014 door te rekenen met de (steeds schoner wordende) emissiefactoren van het betreffende zichtjaar
  • Onderliggend wegennet (OWN): op basis van verkeersnetwerken aangeleverd door de provincies wordt de gewenste/voorziene ‘netwerkgroei’ voor het OWN berekend. Deze netwerkgroei wordt op depositieniveau per hexagoon vergeleken met de berekende PBL-groei voor het OWN. Als de PBL-groei kleiner blijkt dan de voorziene netwerkgroei, worden de PBL-groei en daarmee ook de depositietrend met het verschil opgehoogd
  • Luchthavens NOx: berekening op basis van specifiek aangeleverde emissies door IenW. Voor zowel de situatie in 2014 als voor de toekomstige situatie worden gegevens aangeleverd. Voor het scenario zonder groei wordt aangenomen dat de emissies uit 2014 constant blijven. De groei wordt berekend door het verschil te nemen tussen de emissies in 2014 en de emissies in de toekomstige situatie
  • Rijnmondgebied NOx (binnenvaart, zeevaart en industrie inclusief mobiele bronnen): groeiberekening op basis van specifiek aangeleverde emissies door Provincie Zuid-Holland. Net als bij de verfijnde luchthavens wordt de groei berekend door het verschil te nemen in emissies tussen 2014-toekomst. Voor het scenario zonder groei wordt voor binnenvaart en industrie uitgegaan van gelijkblijvende emissies 2014. Voor zeevaart geldt een andere aanpak. Daar wordt de berekende Rijnmond-groei in de zichtjaren opgeteld bij de PBL-trend waar ook groei in zit
  • Railverkeer: ophoging van PBL-groei op relevante plekken nabij het spoor (en daarmee ophoging van de totale depositie in de zichtjaren)
  • Sector consumenten (NH3):  
    • Uitgangspunt bij de afzet van dierlijke mest op natuurterreinen en bij particulieren, is dat er geen groei is in de ammoniakemissie. Dit geldt ook voor de ammoniakuitstoot bij paarden en pony’s van particulieren.
    • Er is gebruik gemaakt van de recent beschikbare emissiefactor voor ammoniak van de sector consumenten (gekoppeld aan woningbouw)

 

11. Het PBL-scenario is verbijzonderd en verfijnd (punten 9 en 10) omdat in AERIUS een inschatting wordt gemaakt van de benodigde depositie- en ontwikkelingsruimte in plaats van een prognose van de werkelijk verwachte depositie in de toekomst (zoals het PBL-scenario). Voor het bepalen van de benodigde depositie- en ontwikkelingsruimte is het nodig rekening te houden met het feit dat ontwikkelingsruimte moet worden toegedeeld voor nieuwe activiteiten op het moment van toestemmingverlening en depositieruimte moet worden afgeboekt na ontvangst van een melding. De inschatting van de benodigde ruimte wordt daarmee hoger dan de PBL-prognose omdat:

  1. Het PBL-scenario uitgaat van een netto groei. Dat houdt in dat de groei in emissies binnen een hele sector wordt bepaald. Binnen de sector kunnen bedrijven groeien in emissies, krimpen in emissies of stoppen met emitteren. Zoals hierboven (punt 6) is aangegeven wordt er wanneer er voor een bepaalde sector geen groei is berekend, in beginsel geen depositieruimte berekend, terwijl binnen het PAS wel depositieruimte of ontwikkelingsruimte nodig kan zijn voor een nieuwe activiteit binnen de betreffende sector. In het PAS wordt daarom waar nodig uitgegaan van bruto groei. Deze aanvullingen zorgen voor de benodigde extra ruimte, maar minder (berekende) daling van de depositie;
  2. Vanaf het moment dat er toestemming is verleend aan een project, kan dat project uitgevoerd worden en stikstofdepositie veroorzaken. In de praktijk zal er enige tijd tussen het moment van toestemmingverlening en de daadwerkelijke deposities zitten, zeker bij grotere projecten. Verder wordt de maximale depositie die in enig kalenderjaar door een nieuwe activiteit of wijziging van een activiteit wordt veroorzaakt, als ontwikkelings- of depositieruimte afgeboekt, terwijl die maximale depositie niet altijd plaatsvindt.

 

12. Het gekozen PBL-scenario met de verbijzonderingen zoals beschreven in de punten 9 en 10 wordt aangevuld met de apart doorgerekende generieke landbouwmaatregelen uit het PAS en met het aangescherpte landbouwbeleid (verdere aanscherping emissiegrenswaarden) van Noord-Brabant en Limburg voor de veehouderij. Dit samen vormt het PAS-scenario. Uitgangspunt van het PAS is dat in het uitgewerkte PAS-scenario sprake is van een ambitieuze, realistische daling van de stikstofdepositie in de tijd als gevolg van het beleid, ondanks de economische groei waarmee rekening wordt gehouden.

13. De generieke landbouwmaatregelen in het PAS zoals opgenomen in het PAS-scenario omvatten:

  1. Aanscherping emissiegrenswaarden in het Besluit huisvesting. Het effect hiervan in 2020 en 2030 wordt in AERIUS berekend, op basis van een vaste vervangingsgraad voor stallen in de tijd (jaarlijks wordt een deel van de stallen vervangen) en de gegevens uit het stallenbestand van AERIUS (voldoet een stal wel of niet al aan nieuwe grenswaarden en zo nee, wat is dan reductiepotentieel bij vervanging)
  2. Voer- en managementmaatregelen (zoals afgesproken in de Overeenkomst generieke maatregelen van het PAS). Het effect hiervan wordt in AERIUS berekend via een vast ingeboekte emissiereductie van 3 kton NH3/jaar vanaf 2020, te behalen bij melkkoeien (RAV code A1) en vrouwelijk jongvee (RAV code A3), en bezien ten opzichte van het scenario zonder generieke maatregelen en zonder verdere aanscherping grenswaarden via provinciaal beleid
  3. Aanscherping Besluit gebruik meststoffen. Het effect hiervan wordt berekend via een vast ingeboekte emissiereductie van 2 kton NH3/jaar vanaf 2020.

 

14. Bronbeleid provincie(s) omvat extra aanscherping emissiegrenswaarden voor stallen in Limburg en Noord-Brabant. Bij Noord-Brabant komt deze daling geheel ten goede aan de natuur. De extra depositiedaling bij stallen die het aanvullende beleid in Limburg veroorzaakt, komt voor de helft ten goede aan de natuur. De andere helft komt beschikbaar als extra depositieruimte voor nieuwe ontwikkelingen.

De maatregelen hebben betrekking op alle veehouderijbedrijven in Limburg en Noord-Brabant en regelt dat alle nieuwe en te renoveren stallen worden voorzien van ammoniakemissie reducerende technieken. Deze normen zijn strenger dan de normen ten aanzien van stallen in het Besluit emissiearme huisvesting (zie onder 13). Het betekent dat een veehouder op het moment dat hij een nieuwe stal bouwt of een oude stal aanpast, gehouden is om de genoemde technieken in te bouwen. Daarnaast dient in 2030 het hele bedrijf (gemiddeld) aan deze emissienormen te voldoen. Op dat moment moeten dus ook oude stallen zijn aangepast.

15. Op de NH3-depositie die is berekend binnen AERIUS met het OPS-model, vindt een correctie plaats om het verschil tussen de gemeten en berekende ammoniakconcentraties in de lucht en de natte depositie van ammoniak te corrigeren. Die correctie vindt met dezelfde methode plaats als gebruikt voor de GCN-kaarten (Velders et al., 2017).

 

Gerelateerde factsheets

Factsheet

Factsheet
677-3918
Voor
  • Monitor
Type
Algemeen
Versie